Zelfonderzoek met het Onze Vader
Zwaar
Het zelfonderzoek is in de gemeente niet bijzonder gewild. Dat komt waarschijnlijk omdat menigeen wel eens heeft gehoord van mensen die zozeer zichzelf onderzochten, dat zij welhaast tot wanhoop kwamen. Nog meer is de afkeer van zelfonderzoek vermoedelijk zo groot, omdat de zelfbeproeving allesbehalve gemakkelijk is. Het kost de medici reeds inspannend werk om een afwijking in het lichamelijk leven op te sporen. De psychiaters hebben het nog veel zwaarder, omdat de onzichtbare ziel het voorwerp van hun onderzoek is en er een eindeloos geduld met een scherp waarnemingsvermogen nodig is om de aard van de geestelijke stoornissen vast te stellen en daarmee de weg tot genezing te vinden, waar het tenslotte om te doen is. Nog veel moeilijker is het, wanneer niet een ander ons toetst, maar wij zèlf geroepen geworden ons eigen zieleleven nauwkeurig te beproeven, om te zien wat er aan hapert, aan welk gebrek het lijdt en welke zondige roerselen het genadeleven doorkruisen. Zelfonderzoek is zo bijzonder zwaar, omdat er zoveel misleiding is. Wie kan zijn eigen hart vertrouwen, zijn hart zo vol arglistigheid?
Diep
De Heere alleen doorgrondt ons volkomen tot op de bodem van ons bestaan. En daaruit volgt, dat wij ons zelf slechts met vrucht onderzoeken kunnen, indien wij het licht van Gods Geest opgevangen hebben. Wanneer dit Goddelijk licht ons bestraalt, zullen wij althans enigermate tot een juiste kennis van ons eigen zieleleven kunnen komen. Waar dit licht ontbreekt, geschiedt de zelfbeproeving te vluchtig. Ze dringt niet tot de schuilhoeken van het hart door. Ze blijft dan halverwege steken in plaats van de volle diepte van de wonden te peilen. De zelfbeproeving is het inkeren tot, het indalen in onszelf om de duistere ruimten van het innerlijke leven te doorzoeken. Het is een teleurstellende zelfstudie. Wat wij in die verborgen diepten waarnemen kan ons voor onszelf doen huiveren. Daar zijn vleselijke gezindheden, nauw bedwongen hartstochten en onreine begeerten. Zeker, er flonkert soms ook wel iets van het goud der genade. Behoefte aan gebed en honger naar de God van het leven. Maar zelfs deze heilige beginselen zijn besmeurd en bevlekt door allerlei bijvoegsels. Wij vallen onszelf bitter tegen. Waar zouden wij blijven, als Christus er niet was om bij Hem verzoening te vinden?
Niet eindeloos
De zelfbeproeving mag evenwel niet ontaarden in al te preciese zelfontleding. Daar zou een levend mens wanhopig van worden. Er was een tijd, dat velen zichzelf op letterlijk alle punten van Gods wet onderzochten, ze pluisden hun zieleleven tot spinrag en rafels uit. Het onderzoek ging dieper dan de biecht. De zonden en gebreken werden met notariële nauwkeurigheid gewogen. Maar, dit wroeten in eigen ingewand kan toch nooit de schaamte en rouw vervangen van een tollenaarsbede: O God, wees mij, zondaar, genadig? De ontleding werd koestering en leidde daardoor onmiskenbaar tot zelfbehagen. Het moet daarentegen juist anders om zijn. De zelfbeproeving moet ons heus wel leiden tot de kennis van onze gebreken, maar dit is slechts een doorgangspunt. Wij moeten onszelf leren kennen als schuldige zondaren voor Gods heilig oog. De waslijst van onze overtredingen komt, los van onze eigen persoon, niet in het oordeel, maar wij zullen zèlf voor de Rechterstoel moeten verschijnen. Dit is de maatstaf van een goede zelfbeproeving: ze moet zo diep doordringen, dat zij raakt aan de verlorenheid van onze eigen persoon. Dan alleen dient de zelfbeproeving tot groei in het geestelijk leven. Wie zichzelf kent, kent zijn vijand. En wie zijn vijand kent, zal in de naam van Jezus Christus vluchten naar zijn God, opdat de genade hem zal sterken in de strijd van het geloof. Juist in de diepte van de zelfkennis wordt de zucht naar meerdere heiliging geboren. Echte zelfkennis wordt gevolgd door een opveren van ons geestelijk leven. Dat is het doel der zelfbeproeving. Wij mogen niet eindigen in een opsomming van boosheden, maar wij moeten komen tot geestelijke genezing. Ons leerboek houdt het ons zo evenwichtig voor: ons leven lang moeten wij onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen èn des te begeriger zijn om de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Ook zonder ophouden ons beijveren en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar Gods beeld worden vernieuwd.
Advies
Nu is het misschien dienstig voor deze of gene een handreiking te geven, waaraan wij ons kunnen onderzoeken. Men laat zich nogal eens door hooggeschatte broeders keuren. Ook wordt veelal gespeurd in godsdienstige boeken naar kentekenen van genade. Maar vermoedelijk zullen er weinigen zijn die naar het Onze Vader grijpen om op grond daarvan tot zekerheid te komen aangaande hun geestelijke staat. Toch is het Onze Vader zo bijzonder daarvoor geschikt. Het is de zuiverste uiting van het geloofsleven. De Heere Jezus heeft zelf dit gebed zijn discipelen in de mond gelegd, als uitdrukking van de begeerten, door de Geest van God in het hart van de gelovigen gelegd. Wie het Onze Vader bidden kan, is werkelijk een kind van God. Het gaat er alleen maar om dit allervolmaaktst gebed van nabij te naderen. Dan worden wij wel gewaar, dat het een zuivere en afdoende maatstaf biedt.
Tekst
Het is goed om dit gebed uit de Schrift of uit de Catechismus er even naast te leggen. De eerste drie beden raken rechtstreeks de belangen van God, die van Zijn Naam, van Zijn Rijk en van Zijn Gezag. De eerste drie beden spreken over de Heere en Zijn verheerlijking als ons levensdoel. Wie deze echt bidden kan, moet Zijn kind zijn. Het spreekt toch vanzelf, dat de natuurlijke mens omtrent dat levensdoel volkomen onverschillig is. Hij bekommert zich uitsluitend om zijn eigen naam, leeft alleen voor zijn eigen land en zoekt voor alle dingen zijn eigen wil vervuld te krijgen. Als wij hem zouden willen kenschetsen dan zouden wij moeten zeggen: deze man bedoelt de eer van eigen naam, het welzijn van eigen huis en het uitvoeren van eigen wil. U kunt, vergroot, op deze man de beeltenis toepassen van de rijke dwaas die ook eindeloos om eigen ik draait. Monsterlijk vergroot is dit het levensbeeld van alle tirannen en dictatoren als Hitler en Napoleon. Wie de biografieën van deze personen leest, ontdekt iedere maal opnieuw hoe leeg van God en zijn dienst deze levens toch zijn.
Vijandschap
En dan is er nog wat. De natuurlijke mens openbaart de waarheid van het Woord, dat het vlees vijandschap tegen God is. Het wekt weerzin bij hem op, als men de belangen van God op de voorgrond stelt. Wie dat doet, is zijn vriend niet. Daarom heeft hij in zijn hart van het Onze Vader een afkeer. Immers, in dit gebed staat de mens met zijn belangen niet alleen in de tweede linie, achter de Heere en Zijn Zaak, maar er wordt in het geheel niet gerekend met wat hem het liefste is. Waar is in dit gebed van zijn naam en macht en wil sprake? Nergens, God is in dit gebed alles. Zijn naam, niet de onze wordt er gezocht. Van Zijn rijk wordt er gebeden dat komen mag, al moet heel het samenstel der aardse dingen dat met onze aardse belangen innig samen verweven is, er plaats voor maken; van Zijn wil wordt begeerd, dat hij geschiede, al moet de onze er voor verloochend worden. Zie, aan dat alles ergert zich de vleselijke mens. Hij heeft er een hekel aan. Vooral wordt de vijandschap van het vlees wakker wanneer God zich als God tegenover hem laat gelden en hij voor de keuze gesteld wordt zich te onderwerpen aan de wil van Gods uitgedrukte bevel in Zijn Woord. Niet minder geldt dat, wanneer die natuurlijke mens zich aan de wil van Gods voorzienigheid moet onderwerpen. Hoe kan hij uitbriesen tegen de dwarsboming van zijn plannen. Dan bemerkt u vooral zijn haat tegen God. Derhalve, wie in de eerste drie beden van het Onze Vader de gang van zijn hart uitgedrukt ziet, mag er zich zeker van houden, dat hij een kind van God is. Een vleselijk mens vindt zijn levensdoel niet in hetgeen het Onze Vader in de eerste drie beden bidt. Genade daarentegen begeert hetgeen wat van de Heere is. Daar wordt ervaren dat al onze blijdschap in het houden van Gods bevelen is. De beminnaars van Gods Wet genieten een innerlijke vrede. Gods Woord en Wet is hun meer waard dan alle schatten op aarde.
Middelen
Dezelfde gedachten kunnen ook toegepast worden op de volgende drie beden van het Onze Vader. Zij zijn er op gericht om allen uit te sluiten, wier hart niet recht voor God is. Allereerst al in een totaaloverzicht. De laatste drie beden vragen om de middelen tot bereiking van het hoogste levensdoel. Dagelijks brood, schuldvergiffenis en bewaring voor verzoeking, het concentreert ons zuiver op Gods dienst. Stelt u zich nu eens voor, dat er stond: geef mij mijn dagelijks brood, dan kan óók de zelfzuchtige vrek die bede bidden, de gierigaard en de onbarmhartige. Maar er staat 'ons' en dat verandert alles, want dat sluit allen uit, die alleen maar voor zichzelf zorgen. Het zou grote huichelarij zijn om aan God te vragen om brood voor onze broeder, terwijl men zelf niet één stap verzette om hen aan zijn brood te helpen. Zo is het de wijsheid van Christus, dat enkel de milde mens deze bede bidden kan en is rekening gehouden met de regel dat alleen aan barmhartigen barmhartigheid wordt bewezen. Bovendien zit er in dit gebed nog een wenk.
De vierde bede kan niet oprecht gebeden worden door die mensen, die met het dagelijks brood niet tevreden zijn en als de rijke dwaas naar datgene jagen om te bezitten wat zij voor de dag van morgen pas behoeven. In dit gebed zit een begrenzing der begeerte tot het noodzakelijke. Er is een gelovige onbezorgdheid omtrent de toekomst. Dat is voor het ongeloof zeer vreemd. Dat wil al maar méér hebben, al maar rijker worden. Die mens van het ongeloof meent, dat het juist in de overvloed is gelegen dat iemand leeft uit zijn goederen. Rijkdom maakt ons licht onafhankelijk en doet ons gemakkelijk God vergeten, maar ons leven zelf is niet iets waarover wij naar willekeur kunnen beschikken. Bezit en goud denkt hij als een fundament voor het leven. Er moet dus wel een wonder gebeuren in ons binnenste voor de begeerte naar de dingen van de aarde beperkt wordt tot het tegoed van één dag.
Schuldvergiffenis
Voorts weten wij dat God ons geen schuldvergeving schenkt, wanneer wij niet bereid zijn om onze naaste vergeving te schenken. Daarmee houdt het Onze Vader ook rekening. Wij hebben van God geen vergeving te wachten, tenzij wij onze naaste van harte hebben vergeven. Daarmee krijgt de onverzoenlijke en de wraakgierige geen kans om te bidden, dat zijn schuld hem kwijtgescholden wordt. Laat hij dan wellicht met de mond bidden, 't is tevergeefs. Alleen het gebed van het hart wordt gehoord. Meer nog, het gebed van de goddeloze is zonde. Het is voor de Heere een gruwel. Het wordt hem toegerekend als schuld. In dezelfde sfeer verkeren wij in de zesde bede. Een onoprechte kan dit nooit van harte mee bidden. Hoe zullen wij in oprechtheid bidden kunnen: leid ons niet in verzoeking, wanneer wij onszelf of anderen in verzoeking leiden, dat is, aanleiding geven om te zondigen? Deze zesde bede past daarom alleen voor wie mijdt en vliedt wat ons de duivel in handen wil spelen. Voor diegene die in zijn ziel de begeerte omdraagt om staande te blijven in velerlei verleiding. Hij weet zeer zwak te zijn, maar wenst vurig bekwaamd te worden tot het goede. Het tweeslachtige hart kan hierin niet mee. Gelukkig wie zo het Onze Vader kan bidden. Vlees en bloed heeft het hem niet geleerd. Zulke bidders heben geen mindere Leermeester dan de Heilige Geest.
In Jezus' Naam
Nu zal misschien iemand vragen: kunnen wij met dit gebed in Jezus' naam tot God naderen? Deze naam komt toch in het gehele gebed niet voor. Dat is waar. Maar neemt u nu eens in aanmerking, dat wij dit gebed zelf niet hebben gemaakt. Jezus heeft het voor ons gemaakt. Hij heeft het zelf zijn discipelen in de mond gelegd en hen met deze heilige woorden tot de Vader gezonden. Wie tot de Heere als discipel komt, mag geloven, dat het Onze Vader ook hun is gegeven om het voor de oren van de Vader te bidden. Vindt u er de begeerte van uw hart in uitgedrukt, bid dan dat gebed met de wetenschap, dat Jezus zelf uw bede voor u heeft vóórgezegd. Dat vormt een grote kracht voor het geloof aan de verhoring. Stelt u zich voor: de bidder mag op het moment, waarop hij zich voor God plaatst bedenken dat Jezus, de zoon van God, achter hem staat. Deze legt hem de woorden in de mond. Dat is moedgevend. Het is toch onmogelijk dat de Vader een bede zou afwijzen, die weliswaar door ons is gebeden, maar van de Zoon zelf afkomstig is. Daarom behoort het Onze Vader gebeden te worden in het geloof, dat het op last van Christus door ons wordt gebeden. Dan wordt het Onze Vader bidden vanzelf een bidden in Jezus' naam.
Leidraad
Met deze regels heeft wellicht een lezer een heldere leidraad in handen tot onderzoek van zichzelf. Het voordeel daarvan is dat hij uit Gods Woord zichzelf kan toetsen. Wanneer zulk één dan van zijn zonde doordringt tot zijn diepste zelf en heilzaam van zichzelf schrikt, hij moet vluchten tot Christus om geholpen te worden. Elk zelfonderzoek bedoelt ons tot kennis van onze volkomen verlorenheid te brengen in onszelf, maar juist daardoor heen te leiden tot groei in de genade. Dit zelfonderzoek evenwel bedoelt niet incidenteel door deze of gene ter hand te worden genomen, 't Is goed elke dag na te denken over uzelf. Oefen een ware, scherpe kritiek over uzelf uit. Toon u zoals u bent, een arm en ellendig mens, die alleen van Christus leven moet. Dan zal u het zelfonderzoek zegenen. U ontvangt een gelouterder ontplooiing van uw persoonlijkheid door de inwerking van de allesbedekkende genade.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's