Calvijn over Gods beloften (10)
Belofte en verkiezing (vervolg)
Het is niet eenvoudig tot een afgeronde weging en beoordeling van Calvijns denken over deze kwestie te komen. De uiteenlopende interpretatie van de verschillende Calvijn-onderzoekers maakt dat reeds duidelijk. Waar de een Calvijn beschouwt als de evangelische prediker, die allen ruim en welmenend uitnodigt, om Gods beloften te aanvaarden, daar is de ander ervan overtuigd, dat er van een vrije en onvoorwaardelijke beloften-prediking bij de Geneefse hervormer geen sprake kan zijn, omdat de dubbele predestinatie aldoor als een zwaard van Damocles boven deze verkondiging blijft hangen.
Wie zal het laatste woord in deze spreken? Dat er in Calvijns theologie een geladen spanningsveld valt aan te wijzen ten aanzien van de relatie belofte en verkiezing zal wel niemand ontkennen, die iets van hem gelezen heeft. Dat er in nareformatorische tijd ontsporingen konden plaatsvinden, terwijl men zich toch bleef beroepen op Calvijn hoeft ons evenmin te verbazen. Wanneer men bepaalde citaten, met name uit de Institutie, eruit licht en vervolgens inpast in eigen kader en systeem kan men met Calvijn inderdaad uitkomen bij een prediking waarin het aanbod van genade dreigt te verstikken onder de stolp van de uitverkiezing. De vraag is evenwel, hoe men Calvijns uitspraken moet waarderen in het geheel van zijn denken, hoe zij verstaan moeten worden vanuit de struktuur van zijn theologie. En ook: Op welke wijze heeft een en ander gefunktioneerd in de praktijk van Calvijns eigen prediking en pastoraat. Enkele zaken zullen daarbij, naar onze overtuiging, niet over het hoofd gezien mogen worden.
a. Geen struikelblok
Het feit, dat Calvijn de verkiezing steeds achteraf (a posteriori) ter sprake brengt, moet voortdurend in rekening gebracht worden. Wij zagen reeds, dat juist in zijn spreken over de verkiezing herhaardelijk de uitdrukking 'de ondervinding leert ons' terugkeert. Het is bovendien ook geen toeval, dat de hervormer zijn verkiezingsleer behandelt in boek III van de Institutie pas nadat gesproken is over de wedergeboorte, het christelijke leven en de rechtvaardiging door het geloof. Niet vooraf, maar daarna. De uitverkiezing is geen allesbeheersend principe, dat aan alle andere noties van de geloofsleer voorafgaat, maar conclusie achteraf. Het feit dat de aanbieding van de beloften zo'n verschillend effect sorteert, door de een aangenomen, maar door de ander verworpen, brengt Calvijn ertoe te reflekteren over de oorzaak daarvan. Is dat een kwestie van menselijk willen of niet-willen? Ligt dat geheel en al in de menselijke macht en vrijheid om Gods beloften al of niet aan te nemen? Met de Schrift in de hand kan Calvijn geen andere verklaring geven dan dat zich hier Gods verkiezend handelen realiseert. Aan sommigen schenkt Hij het geloof om de beloften te aanvaarden, aan anderen geeft Hij het niet.
Een conclusie achteraf is echter wel iets anders dan een struikelblok vooraf. De plaats en de wijze waarop Calvijn over de uitverkiezing spreekt, duiden er, naar ons inzicht, op dat de reformator met deze leer geen dam heeft willen opwerpen voor de aanbieding van de beloften, zoals dat bij sommige theologen in later tijd wel het geval is.
b. Calvijns preken
Het zijn met name Calvijns preken die deze gedachtengang bevestigen. Nergens beter dan uit de praktijk van zijn verkondiging blijkt, dat Calvijn niet de man geweest is van het verkiezingssysteem, niet de scholastieke theoloog, die alles bij voorbaat fixeert op het schema van verkiezing en verwerping. De predestinatie neemt in zijn preken niet een dusdanig dominerende plaats in, dat de aanbieding van de beloften daardoor ingesnoerd of overschaduwd wordt. Integendeel, juist op de kansel blijkt Calvijn de pastor te zijn, die zijn gemeenteleden volop en voluit de genade belofte van God voorhoudt en hen aanspoort deze met een waarachtig geloof te omhelzen. Trouwens, hoe zou er van Calvijns prediking zo'n geweldige uitstraling hebben kunnen uitgaan, zowel in Genève als in geheel Europa, wanneer de hoorders de conclusie moesten trekken, dat God toch slechts een beperkt aantal mensen werkelijk tot Zich nodigt? De geschiedenis van de Reformatie is er een bewijs van, dat Calvijns verkiezingsleer in het leven der gemeente anders gefunktioneerd heeft. Zijn prediking bleek niet exclusief te zijn, maar wervend, nodigend.
c. Geen dubbele wil
Een derde gegeven dat van belang is voor Calvijns verstaan van de verhouding belofte-verkiezing is, dat wij zowel in het gebied van de buitenste als in dat van de binnenste cirkel met Een en Dezelfde God te doen hebben. De God van het algemene aanbod der genade is dezelfde waarachtige en betrouwbare God als Hij, Die vanuit Zijn eeuwig voornemen sommigen het geloof schenkt en anderen het onthoudt.
Al in Calvijns dagen was er felle kritiek op diens opvattingen over de uitverkiezing. Met name valt daarbij te denken aan de uit Kampen afkomstige Roomse theoloog Albertus Pighius (1490-1542). Deze verweet de hervormer, dat God Zijn weldaden, die Hij in de beloften aanbiedt, bij wijze van spot aan onze wil ter beschikking stelt, als het toch niet in onze macht ligt om die te aanvaarden ofte verwerpen. Kan men nog wel op Gods beloften vertrouwen, wanneer op de achtergrond altijd de vraag oprijst: Ben ik wel uitverkoren? Is Gods wil in de aanbieding van Zijn beloften wel dezelfde als Gods wil in Zijn raadsbesluiten?
Calvijn wordt er door Pighius van beschuldigd ten diepste een tweevoudige wil van God te leren. Een geopenbaarde wil en een verborgen wil, waarbij die twee niet altijd behoeven samen te vallen. Op deze wijze zou niemand meer weten wat hij aan God heeft. Men kan niet echt meer op Zijn spreken aan. Calvijn verdedigt zich echter fel tegen deze aanklacht en houdt staande, dat Gods nodiging in de belofte niet in strijd is met Zijn verborgen raad, waarin Hij besloot niemand te bekeren dan Zijn uitverkorenen. Voor ons verstand zijn verkiezing en belofte niet met elkaar te rijmen. Maar voor de eeuwige God is hier geen sprake van enige tegenstrijdigheid.
Hoe centraal de rol van de verkiezing ook is, als het gaat om het al of niet aanvaarden van de beloften, dat laat de betrouwbaarheid van deze beloften toch onverlet. God speelt geen spel met ons als hij ons ernstig roept. Er zit geen dubbele bodem in de beloftenprediking. Daarover mag geen enkel misverstand bestaan. De reformator waarschuwt er voortdurend voor om niet achter Gods beloften om te willen speuren naar Gods verborgen wil. De verkiezing is en blijft Gods eigen geheim en voor deze grens moeten wij eerbiedig halthouden. Wij hebben ons eenvoudig te houden aan wat God ons laat verkondigen in Zijn Evangelie. 'Wij moeten beginnen bij de roeping en ook met haar eindigen'. 'God wil, dat wij tevreden zijn met de beloften'. Alleen door het geloof in de promissio worden wij van onze verkiezing verzekerd en niet andersom. De omgekeerde weg is niet alleen onbegaanbaar, maar ook toelaatbaar. Wij behoeven niet eerst verzekerd te zijn van onze verkiezing, alvorens wij de beloften der genade mogen omhelzen. Gods beloften zijn voor de gelovige 'bewijzen van Gods vaderlijke liefde en vrijmachtige aanneming tot kinderen'. Daarop alleen is hun zaligheid gegrond. Wij kunnen dan ook helemaal instemmen met de conclusie van A D. R. Polman, die meent dat voor Calvijn de grond van het geloof in het Woord met zijn rijke beloften ligt. Eerst wanneer het geloof hier zijn blijde zekerheid vond, mag het met eerbiedige dankbaarheid opklimmen tot de verkiezing.
d. Geen reflektie
Wanneer het werkelijk zo zou zijn, dat de beloften-prediking bij Calvijn ondermijnd wordt door zijn verkiezingsleer, zou dat grote gevolgen hebben voor de zekerheid van het geloof. Het is de bekende godgeleerde P. Althaus geweest, die onomwonden stelde, dat de heilszekerheid door Calvijns verkiezingsleer ernstig in gevaar wordt gebracht. Doordat de idee van de dubbele predestinatie te zeer accent krijgt tegenover de universele heilsbelofte kan 'het ongereflekteerde vertrouwen op het beloftewoord niet meer de grote last van de heilszekerheid dragen. De reflektie over de eigen subjectiviteit treedt naast het religieuse vertrouwen, om dit vertrouwen te funderen of te begrenzen.' Voor zover wij kunnen overzien wordt hiermee evenwel aan Calvijns opvatting geen recht gedaan. Het opmerkelijke is immers dat Calvijn, zoals wij eerder zagen, voortdurend de zekerheid van het heil heeft benadrukt als behorend tot het wezen van het geloof. De Geneefse reformator was niet de man van de reklektie, maar van de onmiddellijke verzekering van het geloof door het vertrouwen op de Evangeliebeloften. Zo hebben de mensen uit zijn tijd zijn prediking ervaren: als bevrijdend en hoopgevend. Waar de Roomse kerk hen aldoor in het ongewisse liet ten aanzien van hun eeuwige bestemming, schonk Calvijns beloftenprediking hun grond onder de voeten, omdat die hen heendreef naar Christus, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn.
Calvijn heeft de gelovige niet teruggeworpen op zichzelf. Wij behoeven niet in eigen hart en leven te speuren naar kenmerken van onze verkiezing, maar mogen zien op Christus, die de spiegel van de uitverkiezing is (speculum electionis), en op Zijn genadige beloften. 'Het is niet nodig dat de gelovigen twijfelen aan hun verkiezing, maar dat zij het voor een uitgemaakte zaak houden, dat sedert zij tot geloof geroepen zijn door de prediking van het Evangelie, zij deelgenoten zijn van die genade van onze Heere Jezus Christus en van de belofte, die Hij hun gedaan heeft in Zijn Naam. Want onze Heere Jezus Christus is het fundament van deze twee, te weten van de beloften van heil en van onze genadige verkiezing, die geschied is van de schepping der wereld af'.
In een preek over 2 Timotheüs 1 : 9 en 10 wijst Calvijn er zijn gemeenteleden met klem op, dat zij niet door reflektie over eigen subjektiviteit maar door het onmiddellijk vertrouwen op de belofte der genade van hun verkiezing verzekerd moeten worden. Wij lezen: 'Wanneer wij horen, wat ons gezegd wordt in het Evangelie en wanneer God ons de genade geschonken heeft de beloften, die Hij ons aanbiedt te aanvaarden, dan moet dit voor ons gelijke betekenis hebben, als had Hij ons Zijn hart opengelegd en in onze harten ons verzekerd van onze verkiezing.' In de Institutie roept hij op om rustig te steunen op de belofte en niet ten onrechte heeft W. Krusche opgemerkt, dat daarin het einde van alle reflektie ligt.
Excurs
De verhouding tussen belofte en verkiezing is in later tijd duidelijk anders komen te liggen dan bij Calvijn. De verkiezing krijgt gaandeweg steeds meer accent tegenover de belofte. Er vindt een rationalisering en systematisering plaats. Wat bij Calvijn nog in een spanningsvolle verhouding naast elkaar stond, is door anderen na hem in een sluitend systeem gebracht. Opnieuw moet hier de naam van Beza genoemd worden. Beza ontkent, dat de beloften universeel zijn. Aan de verworpenen worden zij niet aangeboden. Het geloof wordt door hem dan ook omschreven als een zekere wetenschap, waardoor het geschiedt, dat men, nadat ieder van hen van zijn uitverkiezing zeker is, voor zichzelf de belofte van het heil in Jezus Christus toepast. Uit deze definitie kunnen wij afleiden, dat Beza van mening is dat men de beloften pas mag omhelzen, wanneer men eerste zeker is van zijn verkiezing. Natuurlijk wordt dan de vraag acuut: hoe weet ik dat ik uitverkoren ben? Om dat te weten te komen, is het nodig aan zelfonderzoek te doen: zijn er kenmerken van een oprecht geloof? Komen er vruchten van de verkiezing in mijn leven openbaar? De zekerheid van de verkiezing wordt, met andere woorden, gezocht in onszelf en niet lange in Gods beloften zoals Calvijn leerde. De echtheid van mijn geloof en de vruchten daarvan vormen de garantie, dat ik Gods beloften niet ten onrecht heb aangenomen.
In dezelfde lijn denkt ook Beza's tijdgenoot Z. Ursinus (1534-1583). Voor het verkrijgen van heilszekerheid verwijst Ursinus niet rechtstreeks naar Gods beloften, maar werpt de mensen terug op de vraag, of zij waarachtig geloven. Daaruit kunnen zij dan concluderen of zij uitverkoren zijn. In zijn 'Grote Catechismus' vraagt hij: 'Wanneer volstrekt alleen zalig worden die God van eeuwigheid heeft uitverkoren, hoe kunt ge vast weten dat de genadebelofte u geldt (promissionem gratiam ad te pertinere), daar gij niet weet of gij uitverkoren zijt? Antwoord: 'Dat kan ik zeker weten, omdat ik de genade Gods, mij aangeboden, met een waar geloof omhels; hieruit blijkt als uit de zekerste bewijsgrond, dat ik door God tot het eeuwige leven ben uitverkoren: want indien God mij niet van eeuwigheid verkoren had, zou Hij mij nooit met de Geest der aanneming begiftigd hebben'. Een soortgelijke gedachtengang kan men ook aantreffen bij G. Voetius (1589-1676). Voor deze Utrechtse theoloog zijn Gods beloften wel algemeen, maar niet persoonlijk gericht. Alleen via de weg van de reflektie kan men weten of men zich de beloften mag toeëigenen. De zekerheid aangaande onze verkiezing wordt slechts op indirekte wijze verkregen. Een tweetal citaten laten we volgen ter illustratie. 'De manier om van zijn verkiezing verzekerd te zijn is, dat wij beginnen van beneden, in onze eigen harten eerst zoeken, vinden en zien de zin en het welbehagen des Heeren, door zekere indrukselen en uitstorting Zijner liefde aldaar vertoond'. Er zijn, zo meent Voetius, twee boeken. Aan de ene kant is er de Schrift, anderzijds is er het boek van ons geweten. Beide boeken zijn nodig om verzekerd te worden van onze eeuwige verkiezing. 'Wij lezen in Gods Woord en wij leggen daartegen het contre-boek onzer conscientien. In het boek der Schrift vinden wij het geloof dat men gelooft; in het boek onzer conscientien het geloof waarmee men gelooft. Daar vinden wij de beloften en gronden der vertroosting, hier de applicatie. Daar de genade en het leven gepresenteerd, hier ontvangen; daar gezeid en toegezeid, hier gevoeld. Daar staat geschreven, dat alle bekeerden en gelovigen deel hebben in de verkiezing en de erve de heiligen en de dood Christi; hier staat door de vinger deszelfden Geestes de bekering en het geloof ingedrukt en aldus helder geschreven, dat ik bekeerd ben en geloof.' Er is, volgens de opvatting van Voetius, een wisselwerking tussen de Schrift en tussen datgene wat ik in mijzelf als Geesteswerk bespeur. Van de Schrift ga ik naar mijzelf om het Woord op mijzelf toe te passen.
Omgekeerd ga ik, met wat er in mijzelf en in mijn geweten geschreven staat, naar de beloften der Schrift om die vervolgens mij persoonlijk toe te eigenen. Zo gaat het van het generale naar het particuliere, van het algemene naar het bijzondere. Op grond van eigen innerlijke gesteldheid mag ik concuderen dat de algemene beloften ook mij aangaan en dat ook ik behoor tot de kring van de uitverkorenen.
Deze enkele citaten zouden met vele andere uit de 'oude schrijvers' aangevuld kunnen worden. Duidelijk is in ieder geval wel dat zich hier het zwaartepunt verlegd heeft: van de belofte naar de predestinatie, van het onmiddellijke vertrouwen op het Woord, naar de kenmerken van verkiezing in het innerlijk van de mens.
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's