De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

G-d als aanduiding van de Naam

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

G-d als aanduiding van de Naam

10 minuten leestijd

De titel boven dit artikel doet ongetwijfeld wat merkwaardig aan. Al eerder hebben we eens iets geschreven over het het gebruik van de naam van God in de titel van boeken of artikelen. Ietwat klakkeloos hanteren van zulke titels betekent dat we ook ondoordacht de naam van God uitspreken. En daarvoor is deze toch te heilig! Joden spreken de Godsnaam in het geheel niet uit. Zij spreken over de Eeuwige. Maar de Naam blijft ongenoemd. En zo kan het gebeuren dat men brieven vanuit joodse kring ontvangt waarin, als het over God gaat, de Naam gespeld wordt als boven dit artikel staat: G-d, de klinkers, meer niet. Niet uit te spreken in ieder geval. Zoals in de joodse religie ook letterlijk ernst gemaakt wordt met het gebod dat geen afbeeldingen gemaakt zullen worden van enig schepsel, dat in de hemel en dat op de aarde is. Bepaalde joodse schilders schilderen handen soms met drie of vier vingers om maar te voorkomen dat ze mensenhanden schilderen. Maar God uitbeelden? Zelfs de Naam wordt niet uitgesproken. Al moet ook worden gezegd dat niet altijd consequent gehandeld wordt in deze dingen.


Als christenen denken wij over deze zaak in zoverre anders, dat we belijden dat het Woord vlees geworden is en onder ons heeft gewoond. Christus is Emmanuël: God mét ons. Daarom spreken we de Naam uit, dùrven we deze uit te spreken. Niemand heeft ooit God gezien. Maar de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, heeft Hem ons geopenbaard.

Huiver
Intussen beseffen we, dat, als we over God spreken, we over de Heilige spreken, over Hem die een ontoegankelijk licht bewoont, rondom Wiens troon wolken zijn en donkerheid. We spreken over Hem, Wiens weg in de zee en Wiens pad in diepe wateren is.
Abraham onderwindt zich om tot God te naderen, wetend dat hij stof en as is. De volken zijn in Gods oog als minder dan een druppel aan de emmer en een stofje aan de weegschaal. (Jes. 40 : 15)
De profeten spreken met huiver en eerbied de woorden van de Almachtige, van Hem voor Wiens Aangezicht de engelen het gelaat verbergen. Niets aangaande Hem is voor hen vanzelfsprekend.

Als we diep op ons laten inwerken op welk een wijze de Schrift Zelf over de Majesteit van God spreekt dan is het begrijpelijk – en het wórdt ook zo doorleefd – dat de Naam ons soms op de lippen besterft. Heere, ga uit van Mij, ik ben een man van onreine lippen en woorr te midden van een volk, dat onrein van lippen is.
Dan te bedenken dat Nederland een 'faam' heeft als het gaat om het misbruik van de Naam. Vloeken doet een volk alleen als het wéét heeft van de Naam, als er een voorgeslacht was dat ooit gebeden heeft, de Naam heeft aangeroepen. Vloeken is negatief bidden. Soms behoeft het niet eens om vloekwoorden te gaan. Soms wordt over God gesproken in dermate godslasterlijke taal, dat het erger is dan vloekwóórden.
Robert Long, die al zo vaak van zich heeft laten horen in 'cultureel' Nederland als het gaat om het lasteren van de Naam, is zich dezer dagen in een liedje nog weer eens danig te buiten gegaan, door God voor te stellen in gesprek met de EO. Hulde intussen aan de EO die de NOS, die verantwoordelijk was voor de uitzending, waarin het liedje ten gehore werd gebracht, publiekelijk kapittelde en een daad stelde door uitgeleverde zendtijd terug te nemen. Men wierp het niet over de boeg dat de EO gekwetst werd maar dat de Naam gelasterd werd. Het geschil is blijkens een persbericht bijgelegd maar de dáád is gesteld.
In vele gevalen weten vloekers zelf overigens niet (meer) dat er gevloekt wordt en spotters niet, dat er gespot wordt. Vloeken kan zelfsook 'fijntjes' gebeuren doordat tussen de letters, die boven dit artikel staan afgedrukt, toch een klinker wordt ingevuld. Zo vloeken soms óók christenen. Om er maar van te zwijgen dat ook christenen soms woorden in de mond nemen, die heel dicht komen bij de Naam. Soms gaan mensen ondoordacht vloekend door het leven. Wat dit betreft mag de terughoudendheid van de joden om de Naam te spellen, uit te spreken en zwart op wit te zetten tot lering zijn .

Vrijmoedig
Intussen zegt de bekende affiche van de Bond tegen het Vloeken: 'spreek vrijmoedig over God, maar misbruik nooit zijn Naam'. Waar ligt de grens tussen het vrijmoedig spreken en het misbruiken van de Naam?
Op onze guldens staat nog steeds het randschrift 'God met ons'. We mogen ons de vraag stellen wáár en hóé het geld rolt. De Naam van God rolt met en door het slijk der aarde. Hoe langer ik daarover nadenk, hoe meer bedenkingen ik krijg. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik in het verleden nog wel eens het handhaven van de Godsnaam op de gulden verdedigd heb, zijnde teken van ons christelijk verleden. Welnu, als alléén het randschrift op de gulden het nog doen moet, is er nog slechts sprake van een lege huls. In ieder geval zal zelden iemand zich nog realiseren, dat hij guldens op zak draagt en van de hand doet of ontvangt, waarin de Naam van God staat gegrift.
Terughoudendheid inzake het gebruik van de Naam is bepaald op z'n plaats!


En tóch, vrijmoedigheid. Maar alleen dán kan vrijmoedig over God worden gesproken wanneer geleerd is om vrijmoedig tót Hem te spreken. Ook die mogelijkheid is ons geopend door Christus. Paulus zegt daarom: 'laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade om geholpen te worden ter bekwamer tijd.' (Hebr. 4 : 16) De toegang tot de troon is geopend doordat Jezus ten hemel voer en daar onze Voorspraak werd bij de Vader. Zo kan ook vrijmoedig over Hem worden gesproken. Maar dan wel in het besef dat we niet over eens mens spreken maar over de Eeuwige, de Almachtige. En ook Jezus werd weggenomen van voor onze ogen door de wolk.
Zulk een vrijmoedig spreken is overigens niet anders dan een geestelijk spreken. We missen het in de gemeente soms maar al te zeer. Wat kan het hartverwarmend zijn om samen, in de gemeenschap der heiligen, te spreken over het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. 'Komt luistert toe, gij godgezinden, gij die de Heere van harte vreest, hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.'
Wanneer we dan echter over God spreken gaan we het meest veilig wanneer we de Schrift maar naspreken. Er is soms ook een gemeenzame gezelschapstaal (geweest) in het spreken over God, die ook niet altijd strookte met de Schriften en daarin met de hoogheid Gods; wélk een eerbied men ook voor de Naam beleed te hebben en ook metterdaad hád.

Niet op de hoeken
Er is in dit verband nog iets anders, dat de aandacht vraagt. In de Schrift wordt de tollenaar tegenover de farizeeër gesteld. De farizeeër bad op de hoeken van de straten. De tollenaar sloeg van verre zijn ogen op en kwam niet verder dan de tollenaarsbede: 'o. God, wees Mij de zondaar genadig'. Ik moet daar vaak aan denken als in Jeruzalem groepen 'pelgrims' bijeen staan, die temidden van volksgedruis, terwijl het een drukte is van jewelste, in het openbaar staan te bidden. Er zijn plaatsen die te 'onheilig' zijn om de Heilige aan te roepen. Overbodig te zeggen dat de farizeeër dan intussen ook daar kan zijn, waar gedankt wordt: 'ik dank u Heere dat ik niet ben zoals dié mensen dáár'.


In dit verband wil ik ook een verduidelijking geven over iets, wat ik in het blad Koers schreef en wat, blijkens reacties, niet goed begrepen is. Er is een EO televisieprogramma van Henk Binnendijk 'met het hart op de tong'. Binnendijk spreekt op straat mensen aan en vraagt of hij hen iets vragen mag; of hij hen 'iets ernstigs' vragen mag. En dan vraagt hij hen publiekelijk over (hun geloof in) God. Ik vroeg mij, naar aanleidingvan zo'n uitzending, in het genoemde blad Koers af of het zó moet. Liever nog: ik vroeg mij af óf en hóé ik zou antwoorden.
Het zij verre van mij af te dingen op de poging van Binnendijk om ouderen en jongeren te confronteren met de boodschap van het Evangelie, met de enige Naam tot behoud gegeven. Ik weet dat als zodanig zijn programma waardering ontmoet. Maar we moeten toch ook niet te gemakkelijk in het publiek zulke vragen stellen. Wat erúit komt bij de mensen kan het tegendeel zijn van wat wordt beoogd. Maar afgezien daarvan, formuleer nu, lopend in een drukke winkelstraat in de stad, eens 'even' of en hoe je in God gelooft. Zó eenvoudig is dat toch niet? Dat heb ik willen betogen. Al te gemakkelijk komen we ertoe over Hem te spreken als over een begrip, in plaats van over de Levende. Bovendien is het zo dat zulke uitingen over God meestal blijven steken in de sfeer van 'we geloven wel dat er iets is'. Tenzij er iemand voor de microfoon komt, die (nog) de taal van de Bijbel kent. Maar God kennen we alleen in het aangezicht van Jezus Christus. En dan moet ik zeggen dat straatinterviews me te oppervlakkig voorkomen om tot een gesprek over God te komen. Ik denk dan maar weer aan de twee letters, met het streepje ertússen, in de titel.

Getuigenis
Dit alles wil in het geheel niet in mindering gebracht zijn op de noodzaak van het getuigenis in een wereld, die van God niet meer weet of weten wil. Ook op de Areopagus van vandaag zal van de Naam worden gesproken. Wanneer dat achter het genoemde programma zit heb ik er respect voor. Zulk een getuigenis zal overigens alleen dán diepte hebben wanneer onze lippen met de kool van het altaar zijn beroerd. Als Jesaja tof het profetenambt geroepen wordt neemt een seraf met een tang een gloeiende kool van het altaar en roert daarmee de mond van Jesaja aan. (Jes. 6) Zijn misdaad is geweken en zijn zonde verzoend! En als God dan vraagt wie Hij zenden zal, antwoordt Jesaja: 'zend mij 'heen'. Zó simpel làg het bij de profeet niet om de Naam des Heeren te verkondigen. En hij werd nog wel gezonden onder het volk van het verbond.
Ik wil maar vragen: over Wie hebben we het als we de Naam uitspreken? Intussen zál de Naam verkondigd worden en zál worden uitgezegd dat de Heere God is, zoals het volk Israël beleed bij Elia op de karmel. (1 Kon. 18)

Eerbied
Bij alle spreken over God zal het intussen eerbiedig toegaan. God is er niet 'één van ons' al is Hij wel geworden 'onzer Eén'. Spreken we soms niet te familiair, ook te theologisch-familiair over God?
Eerbied is kenmerk van de godsvrucht. Dat betekent dan overigens ook dat God ge-eerd wil zijn. Soms wordt het als verdacht aangemerkt wanneer een prediker zijn gebed begint met God te danken. Maar Wie heeft dan anders recht op onze dank! De Heere wil toch geëerd, geprezen en gedankt zijn voor Zijn scheppend en verlossend werk. Ook danken is bidden en bidden is danken. En eerbied is in het rechte gebed de grondtoon.

Het is dunkt me evenzeer een ont-heiliging van de Naam wanneer we Hem niet de dank brengen, die Hem toekomt. Maar het is heiliging van de Naam wanneer Hij in alles gekend wordt als de Heere van het leven. Die heiliging is dan echter niet zonder schroom, niet zonder huiver.
Maar omdat het Woord vlees is geworden vullen we op dat éne streepje toch maar een letter in. Wat een God!

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

G-d als aanduiding van de Naam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's