De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

Driemaal is scheepsrecht. We namen in deze rubriek al eerder een correctie op inzake de uitdrukking van Monnica 'Een kind van zulke tranen kan niet verloren gaan'. Nu nog een reactie ten aanzien van de bisschop die deze uitspraak tegenover de moeder van Augustinus deed. Een predikant lezer schreef ons daarover uitvoerig. Het lijkt ons van belang voor de lezers om zijn schrijven geheel op te nemen. Ambrosius kan niet de bisschop geweest zijn die de bekende woorden tot Monnica sprak. Hier volgt zijn brief:

Dat het Ambrosius was, die deze woorden richtte tot Monnica, is heel onwaarschijnlijk. Nu is het wel te verklaren, dat men aan Ambrosius heeft gedacht Vooral wanneer we twee plaatsen uit de Confessiones met elkaar in verband brengen:
III, XII, 21: "En toen hij dat gezegd had en zij er geen genoegen mee nam, maar met vragen en een vloed van tranen aan bleef dringen, dat hij een ontmoeting en een discussie met mij zou hebben, zei hij, al lichtelijk geërgerd: U moet mij nu met rust laten. Zowaar u leeft, het is uitgesloten, dat de zoon van die tranen verloren gaat!"
VI, XI, 18: "Maar waar zal ik haar (nl. de waarheid) zoeken? Wanneer zal ik haar zoeken? Ambrosius heeft geen tijd."
En in Soliloquia II, 26 schrijft Augustinus: 'Ik voor mij denk het niet en zelfs veel verwacht ik van die zijde, maar één zaak betreur ik, dat wij niet in staat zijn hem, zoals wij het zouden willen, onze liefde, zowel voor hem als voor de wijsheid, bloot te leggen. Want ongetwijfeld zou hij medelijden hebben met onze dorst, en de golven (zijner kennis) ons laten overstromen veel sneller dan thans".
In het laatstgenoemde citaat beklaagt de kerkvader zich over Ambrosius, die zijn dorst naar wijsheid had kunnen lessen.
Het is begrijpelijk, dat we, als we bovenstaande teksten gaan combineren, gemakkelijk in de bisschop van de tranen Ambrosius gaan zien. Maar dat hij dat zou zijn geweest, is onmogelijk.
Zie-hiervoor: A. Sizoo, Toelichting op Augustinus' Belijdenissen, bl. 84: "Het verhaal van deze paragraaf (Confess. Ill, XII, 21) is zeer bekend. Evenwel kan men in populaire kerkgeschiedenissen vaak lezen, dat de hier genoemde bisschop de bekende Ambrosius zou geweest zijn. Dat nu is onjuist In de eerste plaats zegt Augustinus dat niet. Verder is van Ambrosius niet bekend, dat hij ooit Manichaeïsche neigingen gehad heeft. Maar bovendien speelt het verhaal in de tijd, waarin Augustinus nog te zeer vervuld was met die nieuwe ketterij om het oor te lenen aan de ware leer Toen hij en zijn moeder te Milaan Ambrosius ontmoetten, was dit zeker niet het geval; hij had zich toen al nagenoeg geheel van het Manichaeïsme los gemaakt. Het moet dus een geheel andere bisschop geweest zijn en wel een in Africa".
En zie ook: P. M. A. van Kempen-van Dijk, Monnica – Augustinus' visie op zijn moeder, blz. 104 (aantekening 56): "Aan Ambrosius kan hier (Confess. Ill, XII, 21) niet gedacht worden, daar Ambrosius geen banden gehad heeft met het Manichaeïsme en omdat ten tijde van het contact met Ambrosius het enthousiasme van Augustinus voor het Manichaeïsme verdwenen was".'


In Het Kerkblaadje van de vrienden van Kohlbrugge het volgende stukje, 'Kohlbrugge over het apostolicum'.

'Op de vraag: "Wat hebt gij volgens het Evangelie te geloven, en wat is uw belijdenis?" heeft Kohlbrugge dit treffende antwoord gegeven:
"1) Ik geloof, dat de God en Vader van mijn Heere Jezus Christus de enige en levende God is. Die hemel en aarde en ook mij geschapen heeft, en dat Hij om Christus' wil alles nog draagt en onderhoudt in Zijn lankmoedigheid; ook, dat Hij om Zijns lieven Zoons wil mijn God en mijn Vader is en voor mij zorgen zal in alles, voor zover ik in Zijn Woord blijf.
2) Ik geloof, dat Jezus Christus de eniggeboren en eeuwige Zoon des Vaders is, dat Hij ééns wezens is met de Vader. Hij is ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, alzo is Hij mens geworden voor mij. Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven, begraven, en toen was Hij voor mij in de macht der hel. Ten derden dage is Hij weder opgestaan van de doden; Hij is opgevaren ten hemel en zit ter rechterhand van God, de almachtige Vader, van waar Hij zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden.
3) Ik geloof, dat de Heilige Geest is God, ééns wezens met de Vader en de Zoon. Ik geloof een heilige, algemene Christelijke Kerk, gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, opstanding des vleses en een eeuwig leven.
Deze God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, is mijn God".
Het spreekt vanzelf, dat bovenstaande belijdenis geen alternatieve geloofsbelijdenis van Kohlbrugge is, die in de plaats van de Apostolische Geloofsbelijdenis in de kerkdiensten gebruikt zou kunnen worden – hoe zou dit mogelijk zijn bij de EIberfeldse prediker?! – maar veeleer een toespitsing van de twaalf geloofsartikelen op het persoonlijk geestelijk leven van de gelovigen.'


Bij de uitgeverij Melnema te Delft verscheen een boekje, getiteld De Stem uit de stilte'. Het handelt over 'pastoraat in het jodendom'. Daarin komt aan de orde de moesar-beweging, in de vorige eeuw gesticht door rabbijn Israël Salanter. Het ging daarin om toepassing van de psychologie om 'een toestand van inkeer en ethische vervolmaking tot stand te brengen'. In de volgende uitspraken van Salanter wordt het wezenlijke van deze beweging gekenmerkt. De wijsheid erin vertolkt is ook van breder betekenis.

• Uit uw hart dat zijn eigen klop volgt, kunt u een inzicht opdiepen in de hele wereld en alles wat daarin is.

• Een mens leeft zeventig jaar met zichzelf, maar kan zichzelf niet kennen.

• Het is moeilijker een enkele karaktertrek te veranderen, dan de hele Thora te bestuderen.

• Een greintje redelijkheid wordt weggespoeld door een zee van willen en begeren.

• Als je boven een ander wilt uitsteken, graaf dan geen put voor hem; zet een ladder neer voor jezelf.

• Als de bestudering van de ethiek (moesar) de zonde niet volkomen overwint, dan neemt die in ieder geval het plezier van het zondigen weg.

• Voor ik moesar leerde, gaf ik de wereld van alles de schuld, maar niet mijzelf. Toen ik eenmaal begonnen was het te leren, gaf ik mijzelf van alles de schuld, maar achtte de hele wereld alleen maar vol verdiensten.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's