De heerlijkmaking (3)
Zoals ik in een vorig artikel heb meegedeeld, zou ik nog terug komen op de vraag óf de ziel onsterfelijk is. Op deze vraag zijn in het verleden én worden in het heden tamelijk verschillende antwoorden gegeven. Een aantal van die antwoorden wil ik nu doorgeven om tenslotte ook zelf een antwoord op deze vraag te geven. Dat dit nog niet zo eenvoudig is zal ons echter in het vervolg wel blijken. Dat wil niet zeggen dat wij de vraag over de onsterfelijkheid van de ziel dan maar uit de weg moeten gaan. De vraag is het zeker waard om onze gedachte daarover te laten gaan en zéker als die in relatie gesteld wordt tot de heerlijkmaking.
Algemeen besef
Het geloof aan de onsterfelijkheid van de ziel is algemeen menselijk. Zowel van christelijke zijde als niet-christelijke zijde zijn hiervoor in het verleden een aantal 'bewijzen' geleverd. Allereerst is er het ontologisch bewijs. Dat komt in het kort hierop neer, dat aan ieder mens het begrip van de onsterfelijkheid eigen is en dat dus de zaak zelf er ook moet zijn. Voorts is er het zogenaamde metaphysisch bewijs. Vanuit de metaphysica probeert men aan te tonen, dat de natuur van de ziel onsterfelijk is. Men leidt dit af uit de omstandigheid, dat de ziel bij alle veranderingen van het lichaam blijkens het zelfbewustzijn toch steeds met zichzelf identisch blijft en dus een van dat lichaam onafhankelijk en zelfstandig bestaan geniet. Als derde is het antropologisch bewijs te noemen. Daarin wordt gesteld dat het psychische leven van de mens hoger is dan dat van de dieren. Daarom moet ook de mens onsterfelijk zijn. In tegenstelling tot de dieren heeft de mens verstand en wil. Met dat verstand gaat hij boven de stoffelijke wereld uit. De mens haakt naar een eeuwige gelukzaligheid en daaruit concludeert men dat de mens ook voor de eeuwigheid moet bestemd zijn. Als vierde wordt het zogenaamde morele bewijs aangevoerd. Wat houdt dit in? Wel, uit wat men op deze wereld ziet, kan men tot geen andere conclusie komen, dat telkens opnieuw het kwaad de overwinning behaalt. Het boze wint het van het goede. Wanneer men dat ziet, rijst vanzelf de vraag: blijft dan het kwaad eeuwig ongewroken? Het hart van de mens geeft op deze vraag een negatief antwoord. Het kwaad kan niet ongewroken blijven! Conclusie: er moet dus een leven na dit leven zijn. Ook de filosoof Kant was deze mening toegedaan. Het moet gezegd worden dat vooral het morele bewijs iets aantrekkelijks heeft. Op het eerste gezicht komt dit bewijs dicht in de buurt van het Woord. Evenals in het Woord wordt er een norm van goed en kwaad verondersteld. Toch ben ik met dit morele bewijs niet zo gelukkig, omdat dit het Woord niet voluit laat spreken en ten diepste een wijsgerig antwoord is buiten het Woord om. Dat geldt trouwens evenzeer voor het ontologisch, metaphysisch en antropologisch bewijs.
In nog sterkere mate gelden mijn bezwaren tegen Plato. Deze wijsgeer die leefde van 427-347 voor Christus stelde in de Phaedo dat de ziel onsterfelijk is. Ziel en lichaam werden door hem tegenover elkaar gesteld. De denkende ziel was van goddelijke oorsprong, het lichaam daarentegen had voor Plato vrijwel geen waarde. Van het lichaam zei hij, dat het een gevangenis was voor de ziel. Een madenzak waarvoor de neus moest worden opgehaald en waarvan men dankbaar moest zijn als men die kon wegwerpen. Naar zijn mening kon de dood daarom alleen maar als een bevrijding worden gezien. In het kort komt het hierop neer, dat de ziel onsterfelijk is, omdat zij van goddelijke herkomst is. Hoewel andere wijsgeren dit fel bestreden hebben en daarover hun ernstige twijfels hebben uitgesproken, kreeg toch deze gedachte van Plato in de filosofische en theologische traditie een belangrijke plaats met daarbij soms een geweldige onderwaardering van het lichaam, hoewel dit laatste volkomen in strijd is met de Schrift.
De opvatting van de kerk
Interessant is om een ogenblik na te gaan, hoe in de kerk in de loop der eeuwen is nagedacht én gesproken over de onsterfelijkheid van de ziel. De discussie daarover ten onzent in de laatste jaren blijkt eigenlijk alle eeuwen gevoerd te zijn. In de vroeg-christelijke kerk heeft Irenaeus het behoorlijk aan de stok gehad met hen die in de mening waren dat hij dwaalde. Ireanaeus beschouwde de ziel namelijk als een onsterfelijke substantie. Dat hebben zijn bestrijders hem bepaald niet in dank afgenomen. Van Augustinus is ons bekend dat hij een verhandeling over de onsterfelijkheid van de ziel ('De immortaltate animae') heeft geschreven. Dat hij deze verhandeling niet 'zomaar' heeft geschreven zal duidelijk zijn.
Ook de kerk van de middeleeuwen heeft geen andere visie gekend. In navolging van Augustinus en Thomas van Aquino leerde zij de onsterfelijkheid van de ziel. Toen er dienaangaande bepaalde afwijkingen zich voordeden, greep de kerk in en deed zij op het 5e Lateraanse concilie de stellige uitspraak, dat de ziel onsterfelijk is. Zij die dat niet geloofden en leerden werden als ketters gebrandmerkt.
Calvijn heeft inzake de onsterfelijkheid van de ziel geen andere gedachte gehad dan die van de vroegere en de latere kerk. De reformator uit Genève heeft zich helemaal aangesloten bij de traditionele leer. Sommigen zijn zelfs van mening dat zijn uitdrukkingen dienaangaande zelfs meer Platonisch gekleurd zijn dan die in de vroegere- of latere kerk. Helemaal beoordelen kan ik dat niet, ofschoon ik bepaald niet de indruk heb gekregen, dat Calvijn zover is gegaan als Plato die het lichaam niets achtte.
Voorzover ik een aantal preken van schrijvers uit de nadere reformatie erop na heb gelezen, kan ik niet tot een andere conclusie komen, dat ook zij in de traditie van de kerk der eeuwen zijn gebleven, hoewel ik bij sommigen van hen toch een verschuiving zie. Die verschuiving bestaat hierin, dat er meer wordt gesproken over de 'zalige ziel' dan over het 'zalige lichaam'. Hierop kom ik nog wel terug. Hoe het ook zij: voor de nadere reformatie was het zonder twijfel, dat de ziel onsterfelijk was. Er was geen discontinuïteit met het belijden van de kerk uit vroeger eeuwen.
Afwijkende meningen
Hoewel er in de loop der eeuwen hier en daar enige tegenspraak is geweest inzake het feit dat de ziel onsterfelijk is, is de theologische discussie hierover aan het einde van de vorige eeuw en in deze eeuw pas goed op gang gekomen. Althans in ons land!
In verschillende van zijn werken had A. Kuyper reeds tegen het spraakgebruik van 'de onsterfelijke ziel' bezwaren aangetekend. Hij was van mening, dat ziel en lichaam niet zo gescheiden mogen worden gedacht, dat de dood de ziel niet raken zou. Alles wat creatuurlijk (schepselmatig) leeft, kan ook creatuurlijk sterven. Dat geldt niet alleen van het lichaam, maar van de gehele persoon. De man van de Doleantie nam stelling tegen de idee van een inherente (d.i. onafscheidelijk verbonden met) onsterfelijkheid van de ziel. Wel hield hij vast aan het voortbestaan na de dood. Dit laatste echter hangt van Gods wil af.
Van de zijde van de wijsbegeerte der wetsidee werd de kanttekening gemaakt, dat onsterfelijkheid volgens de Heilige Schrift alleen toekomt aan God en aan hen, die door Hem over de dood triomferen. Terecht werd opgemerkt, dat de Schrift de uitdrukking 'de onsterfelijke ziel' niet kent, ofschoon ik mij haast om neer te schrijven of er toch niet aanwijzingen in de Schrift te vinden zijn die de gedachten aan de onsterfelijkheid van de ziel legitimeren. Hierop kom ik zeker terug, wanneer wij een aantal gegevens uit de Schrift zullen nagaan. Intussen heeft de uitspraak van de zijde van de wijsbegeerte der wetsidee wel veel beroering in kerkelijk Nederland veroorzaakt. Vooral toen daarbij nog werd gezegd, dat er geen hoger deel van de natuurlijke mens bestaat, dat zo (nl. dat de ziel onsterfelijk is) genoemd zou mogen worden. In verband met de vrees van sommigen, dat het voortbestaan van de ziel na de dood in twijfel getrokken werd, deed de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in ons land in 1942 een leeruitspraak betreffende de onsterfelijkheid van de ziel. Die uitspraak luidde als volgt: 'dat, naar Schrift en belijdenis, bij het sterven van de mens zijn lichaam wederkeert tot stof, maar zijn ziel, hetzij in de gemeenschap met Christus zaligheid genietend, hetzij in rampzaligheid lijdend, voortbestaat, totdat zij op de jongste dag, wanneer de doden zullen opstaan, wederom met haar lichaam verenigd wordt, en de gelovigen naar ziel en lichaam eeuwige zaligheid zullen ontvangen, de ongelovigen daarentegen naar ziel en lichaam worden overgegeven tot een voortbestaan in de eeuwige rampzaligheid, welke waarheid van ouds ook wordt uitgedrukt in de leer van de onsterfelijkheid der ziel. Ook moet gehandhaafd worden, dat de ziel des mensen, ofschoon op wonderbare wijze met het lichaam een eenheid vormende, nochtans iets eigens is, en van het lichaam dermate onderscheiden, dat zij daarvan kan worden afgescheiden en afzonderlijk bestaan'.
Hieruit concluderen wij, dat deze leeruitspraak door de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1942 gedaan veel dichter staat bij de traditie van de kerk dan bij de opvatting van A. Kuyper omtrent deze zaak.
Ook G. H. Kersten neemt in zijn 'Gereformeerde Dogmatiek' krachtig stelling tegen allerlei afwijkende meningen. Hij schrijft o.a. dat de ziel van nature onsterfelijk is. Deze onsterfelijkheid staat in nauw verband met het geestelijk bestaan van de ziel. Door haar geestelijk bestaan is de ziel niet aan ontbinding – zoals het lichaam – en aan het verderf des doods onderworpen. Wel heeft de ziel gevoel en is zij mede onderworpen aan de straf der zonde. Echter door genade wordt zij het heil in Christus deelachtig. Dit heil krijgt de ziel volkomen, direkt na het scheiden van het lichaam. De goddelozen slaan daarentegen hun ogen direkt op in de hel, wanneer zij sterven. Op grond van een aantal teksten t.w. Prediker 12 : 7, Lukas 20 : 38, 2 Korinthe 5 : 1 en 1 Petrus 3 : 19 besluit G. H. Kersten met te zeggen, dat de ziel kan leven en werken na de dood zon der het lichaam en dat een zieleslaap der doden niet bestaat.
Ernstiger
Was er van de kant van A. Kuyper en van de zijde van de wijsbegeerte der wetsidee kritiek geweest op de uitspraak 'de onsterfelijke ziel', vergeleken bij wat Althaus en Van der Leeuw op tafel neerlegden was dit slechts een schermutseling. Beider kritiek is veel ernstiger en vraagt daarom toch wel enige aandacht van onze zijde. Gezegd werd onder andere dat de ziel er ook niet meer is als het lichaam sterft. De leer van de onsterfelijkheid der ziel is een dwaling. Zij is volkomen in strijd met het christelijk geloof In de traditionele opvatting van de kerk aangaande de leer van de onsterfelijkheid der ziel bespeuren zowel Althaus als Van der Leeuw iets platonisch als zou de idee van de ziel iets goddelijks zijn. God heeft – naar hun zeggen – de mens niet geschapen met een sterfelijk en een onsterfelijk deel. De gehele mens staat onder de dreiging van het gericht, dus ook de ziel. Wanneer Althaus handelt over de eschatologie (de leer der laatste dingen) zegt hij dat de leer van de persoonlijke onsterfelijkheid een miskennen van de dood als gericht van God over de gehele mens is. Men trekt de mens uiteen én doet én denkt alsof het lichaam alleen onder het oordeel valt. Van der Leeuw ten onzent ging nog verder dan Althaus, maar daarover wil ik graag de volgende keer iets schrijven om dan ook de Schrift hierover te laten spreken.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's