De heerlijkmaking (5)
Ook in dit artikel wil ik nog het één en ander schrijven over de vraag of de ziel onsterfelijk is òf niet. In het vorig artikel ben ik reeds met de beantwoording van deze vraag begonnen door een aantal Schriftgegevens uit het Oude Testament naar voren te brengen. Dit zal nu weer gebeuren, aangevuld echter met de gegevens uit het Nieuwe Testament. Voorzichtig de zaak opbouwend, hoop ik zo vanuit de Schrift een antwoord te geven op een niet onbelangrijke vraag.
Aanwijzingen uit het O.T.
Het vorige artikel rondde ik af door neer te schrijven, dat Henoch en Elia de enige twee in het Oude Testament zijn, die direkt naar lichaam em ziel zijn opgenomen. Bij hun heengaan was er dus geen scheiding tussen lichaam en ziel. Dat dit bij anderen eveneens het geval is geweest, lezen wij in het Oude Testament niet. Wat het lichaam betreft gingen de kinderen Gods de weg van alle vlees. Zij beëindigden het leven en werden wat hun lichaam betreft begraven. Maar daarmee was het voor de gelovigen onder de oude bedeling niet uit. Wel degelijk leefde bij hen een voortbestaan na de dood. Om dit aan te tonen, denk ik in dit verband aan Job. Van hem kunnen wij o.a. lezen, dat zijn nieren (zetel van het gevoel, nader geëxpliceerd: de ziel) verlangen in zijn schoot om God te aanschouwen. Jobs woorden doen ons denken aan Psalm 17. Maar hoe het ook zij: het is niet verkeerd om vast te stellen, dat de gelovigen onder het Oude Verbond zich bewust zijn van het feit, dat God hen opneemt. Vooral dàn komt dit op een schone wijze naar voren als hun geloof op volle spankracht is gebracht door de Heilige Geest.
Wel teken ik aan, dat de uitspraken over het voortbestaan na de dood – en dàt direkt – in het Oude Testament soberder zijn dan in het Nieuwe Testament. De openbaring Gods komt ook wat dit aangaat in het Nieuwe Testament helderder voor het voetlicht. In Christus komt alles in het volle licht te staan. Toch is het niet vol te houden, dat er in het Oude Testament – zij het dan meer bedekt dan in het Nieuwe Testament – niet over een voortbestaan na de dood wordt gesproken. In het kader hiervan denk ik nog aan Mozes. Wanneer hij op heilige grond staat, hoort hij vanuit de brandende braambos de Heere zeggen: 'Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jacob.' Let wel dat de Heere hier spreekt in de tegenwoordige tijd. De patriarchen waren reeds lang gestorven. Toch was de Heere niet alleen hun God tijdens hun leven op aarde. Maar ook nu, nu zij waren gestorven. Hun lichamen mochten dan begraven zijn, maar hun ziel leefde bij de Heere en kende eeuwige vreugde. Opvallend is intussen wel, dat de Heere Jezus Zelf deze tekst uit Exodus 3 : 6 verklaart. Want als de Zaligmaker deze tekst in Lukas 20 heeft aangehaald, zegt Hij direkt in het volgende vers: 'God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen'. Door een oprecht geloof de Heere toebehorend, laat Hij de mens bij het graf niet los. Ook de kerk onder het Oude Verbond mag weten: Hij blijft bij mij, Zijn stok en Zijn staf vertroosten mij. En dan denk ik nog een moment aan de aartsvaders. In de brief aan de Hebreeën lees ik, dat zij in Kanaän hebben gewoond als in een vreemd land. Zij hebben zich – om zo te zeggen – in dat land niet thuisgevoeld, ondanks al het goede wat ze daarin werd geschonken. Maar waarom dan niet? Waarom hebben zij zich altijd in dàt land vreemdelingen en bijwoners gevoeld? Omdat zij reikhalzend hebben uitgezien naar – en begerig zijn geweest naar een beter vaderland. Met alle ups en downs verlangden zij naar het hemelse vaderland. Naar de stad, die fundamenten heeft, waarvan God de Kunstenaar en Bouwmeester is. Dat verlangen daarnaar was diep in hun hart door de Heere gewerkt. Dat was dan ook de oorzaak, dat Jacob op zijn sterfbed zei: 'Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!' Hij begeerde vol van God te zijn, omdat hij in zijn leven déze Heere had leren kennen als zijn Heere. Zijn lichaam werd weliswaar begraven, maar zijn ziel zou direkt de eeuwige gelukzaligheid ontvangen.
Al met al kunnen wij zeggen, dat de oudtestamentische gelovigen weten van een leven na dit leven. Wat de ziel betreft direkt na het verscheiden uit dit leven, wat het lichaam betreft zal er een opstanding zijn. Voor dit laatste verwijs ik slechts naar Jesaja 26 : 19a: 'Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan' en naar Daniël 12 : 2: 'En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwige leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing'. Nogmaals zij gezegd, dat dit alles in het Nieuwe Testament breder wordt ontvouwd.
Heerlijker openbaring
Hoewel ik de openbaring Gods in het Oude Testament bepaald niet minder acht, dan die in het Nieuwe Testament, denk ik toch, dat het niet verkeerd is om neer te schrijven, dat er sprake is van een heerlijker openbaring, als wij over het Nieuwe Verbond spreken. Zéker in relatie tot ons onderwerp, Indiscutabel (onbetwistbaar) is immers, dat wij in het Nieuwe Testament meer gegevens over een voortbestaan na de dood aantreffen. Oorzaak hiervan is, dat de openbaring Gods is voortgeschreden. In de volheid des tijds is Christus gekomen. Veelvuldig is er over Hem en Zijn komst geschreven in het Oude Testament. Doch: in de belofte. Het Nieuwe Verbond is de vervulling van de belofte. Vanuit Christus wordt het perspectief duidelijker. Dat betreft ook de zaken waarmee wij ons in deze artikelen bezighouden. De Heere Jezus heeft in Zijn uitspraken ons niets laten horen over een tussentoestand tussen sterven en opstanding. Als Hij over leven spreekt, heeft hij het altijd over leven met en vanuit Hem. In dit verband haal ik Johannes 3 : 36 aan: 'Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.' De levenden zijn dus altijd degenen, die met Hem leven. De doden zijn daarentegen degenen die Christus niet nodig hebben als hun Zaligmaker. Zij leven buiten Christus. En omdat zij het leven van Christus niet hebben, hebben zij geen leven. Dit laatste kan men zowel letterlijk als figuurlijk opvatten. Het valt niet tegen te spreken, dat de Heiland der wereld met grote ernst heeft gesproken over een eeuwig wel en een eeuwig wee. Inzake dit heeft Hij met twee woorden gesproken en is Hij daarin voor iedere dienaar des Woords een voorbeeld geweest. Zowel de licht- als de schaduwzijde dienen in de prediking op behoorlijke wijze aan de orde te komen. Weliswaar zijn de dienaren des Woords predikers van een zeer goede en blijde boodschap. Toch mag niet verzwegen worden door hen, dat men een eeuwig weer over zich haalt als men de Zoon van God ongehoorzaam is.
Dat Christus onderscheid maakt tussen lichaam en ziel – en dit volstrekt niet op een platonische manier – blijkt ons o.a. uit Mattheüs 10. In dat hoofdstuk lezen wij, dat Hij Zijn discipelen erop uit stuurt om het Evangelie van Zijn Koninkrijk te prediken. Alvorens zij worden uitgezonden geeft Christus de Zijnen allerlei praktische adviezen. Zij moeten b.v. het stof van hun voeten schudden, wanneer men hen niet wil ontvangen en dus ook niet naar hen wil horen (= het Evangelie gehoorzamen). Ook moeten de discipelen niet bevreesd zijn, want zo zegt de Heiland: 'En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel' (Mattheüs 10 : 28) Er kan dus een aanslag gedaan worden op het lichaam. Dit laatste kan zelfs gedood worden. Ik herinner u aan: Johannes de Doper, Stefanus en Jacobus de rechtvaardige.
Om des Evangelie's wil zijn zij gedood. Echter… behalve het lichaam is er ziel en die kan door de vijanden niet gedood worden. Wie de ziel met het lichaam aan de hel kan overgeven is God àlléén. Om die reden moet God meer gevreesd worden dan alle mensen. Mensen kunnen zich vergrijpen aan het lichaam van de kinderen Gods, doch niet aan hun ziel (psyche). Hierover heeft God het alleen te zeggen en hierover beschikt Hij alleen. Het zal ons hopelijk wel duidelijk zijn, dat de Heere Jezus zeker in deze tekst (Matth. 10 : 28) onderscheid maakt tussen dat wat vergankelijk is en dat wat onvergankelijk is. Daarbij maak ik de opmerking, dat Christus op geen enkele manier een tegenstelling maakt tussen het lichaam en de ziel, zoals een Plato dit heeft gedaan. De eenheid van lichaam en ziel, zoals die ons in het Oude Testament wordt voorgehouden houdt ook de Heiland vast. De enige conclusie, die uit de woorden van Christus getrokken mogen worden is: de ziel bestaat voort; zij sterft niet na de dood, maar leeft voort in de eeuwige zaligheid òf in de eeuwige rampzaligheid.
Iets dergelijks vinden wij in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Die gelijkenis wil ons voorhouden, dat er meer bestaat dan alleen dit aardse bestaan. Zowel de rijke man als Lazarus sterven. De één krijgt een keurige begrafenis, de ander niet. Wat er met het lichaam van de arme Lazarus is gebeurd vermeld de gelijkenis ons niet. Wel lezen wij, dat hun eigenlijke leven (bedoeld is: de ziel) intussen ergens anders is. Lazarus bevindt zich in de schoot van Abraham. Bedoeld is dat hij een ereplaats heeft gekregen in de hemel. De ander daarentegen heeft zijn ogen opgeslagen in de hel (hadès) en lijdt smarten. Na hun dood komt terstond openbaar wie een kind Gods is en wie niet. Daarbij speelt niet de omstandigheid, waarin men op aarde verkeert een heel grote rol. Die is zéker niet van het allergrootste belang. Deze gelijkenis laat ons ten diepste zien, dat men schatrijk kan zijn en toch straatarm. Maar ook het omgekeerde is waar: men kan straatarm zijn aan aardse goederen en toch schatrijk. Schatrijk in God! Ieder mens heeft een eeuwige toekomst.
Maar de vraag is welke: welke? Met God óf zonder God? De rijke man wist direkt na zijn dood wie hij gediend had en waar hij was, maar ook de arme Lazarus wist direkt Wie hij had gediend en waar hij was. De één in de eeuwige rampzaligheid, de ander in de eeuwige zaligheid.
En wat verder te denken van die ene moordenaar aan het kruis. Ik hoor de Heere Jezus tegen hem zeggen: 'Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn'. Heden d.i. niet morgen óf volgende week óf over een aantal jaren, maar dat is vandaag. Het lichaam van die moordenaar mag dan tengevolge van allerlei folteringen sterven, doch zodra hij de laatste adem uitblaast gaat hij terstond naar de eeuwige gelukzaligheid. Dat kan dan toch niet anders zijn dan met zijn ziel. Nu is het mij niet helemaal onbekend, dat sommige exegeten ons voorhouden, dat wij die tekst anders moeten lezen. Het woord 'heden' moet volgens hen op iets anders slaan. Zij vertalen als volgt: 'Heden zeg Ik u: gij zult met Mij in het paradijs zijn'. Voor een dergelijke vertaling geeft de grondtekst echter geen aanleiding, zodat ik hierop verder ook niet inga. Wat wij vanuit de Schrift heel zeker weten is dat het geloof in Christus het eeuwige leven inhoudt. Vooral Johannes 5 : 24 is hierin duidelijk: 'Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft. Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in verdoemenis'. Het eeuwige leven ontvangt men niet in het gericht Gods. Door genade heeft men het in hier en nu òf niet!
Geen contrast
Men heeft wel eens beweerd dat de vier evangelisten zouden zijn beïnvloed door allerlei Platonische gedachten. Ik meen dit krachtig van de hand te moeten wijzen. Zomin als men in de overige geschriften van het Nieuwe Testament kan spreken van allerlei wijsgerige denkbeelden, zomin kan men dit zeggen van de vier evangelisten. Laatstgenoemden stellen geen contrast tussen lichaam en ziel. Geen onderwaardering van het lichaam ten opzicht van de ziel!
(wordt vervolgd).
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's