De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een goed fundament noodzakelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een goed fundament noodzakelijk

11 minuten leestijd

Tweetal
Het waren elkaars volkomen tegenbeelden. Je treft zulk een contrast maar heel weinig onder de mensen aan. Hij, een wat tanige, magere man met wat weemoedige ogen. Hij sprak wat langzaam, met een blikkerige stem. Hij liep wat slepend, maar in heel zijn doen en laten zat iets ijzigs. Waar hij maar kwam, wierp hij de domper er op. IJskoud kon hij redeneren. Neen, vreemd aan de beginselen van genade was hij niet. Er waren momenten dat hij ontdooide. Al dat stijfstrakke was dan verdwenen. Maar het gebeurde maar hoogst zelden. Hij belichaamde een dodelijke ernst. Een grappenmaker uit het dorp had hem wel eens gekenmerkt als 'maneschijn'.
Zij was daarentegen een fleurige vrouw met een heldere oogopslag. Wanneer ze boodschappen deed in de winkelstraat had ze altijd wel een gesprek met een kind, aan wie ze een snoepje gaf. Hier bleef ze even staan en daar groette ze met een vriendelijke armzwaai. Een aantrekkelijke verschijning nog, ondanks haar gevorderde leeftijd. Hij heette Janus en zij werd door heel het dorp Pietje van de smid genoemd. Beiden woonden alleen na een gelukkig huwelijk. Als weduwnaar en weduwe gingen ze de levensweg verder. Wonderlijk genoeg zag je ze dikwijls samen in de Dorpsstraat praten. En altijd weer trof ons dan de stille, strakke ernst van Janus en de blijde blik van Pietje, die evenmin als Janus verstoken was van de genade van het geloof. Het was wonderlijk hoe die twee altijd weer elkaar aantrokken. Er gingen wel eens bepaalde geruchten door het dorp, maar dat was louter laster. Twee naturen ontmoetten hier elkaar, liever, twee stelsels, twee systemen. Het ging bij die twee altijd over het geloof en over geestelijke dingen. De dominee en de preek, dat was immers het gespreksonderwerp.

Onderscheid
Zij was een vrouw, langs een eenvoudige weg tot Christus gekomen. Ze leefde uit de zekerheid der hoop in Christus. Zij sprak daar ook vrijmoedig over. Je zag haar soms in de kerk met opgeheven hoofd zingen en als de preek haar ziel had geraakt, dan kwam er wel eens fluks een zakdoek voor de dag. Neen, de zorgen waren haar zeker niet bespaard gebleven, maar in vreugde Gods had ze een tegenwicht tegen alle droefenis, die in dit aardse tranendal ons overkomt. Die vreugde der hoop deed haar het steilste pad met moed beklimmen en psalmen zingen in de donkerste nacht. Ze wist: de onzekere hoop van het natuurlijke leven geeft grote kracht van zich uit. Hoop doet leven, zegt het spreekwoord. Deze hoop komt niet verder dan tot een 'misschien', maar toch bewaart zij voor wanhoop en moedeloosheid, ja, ze doet de drenkeling tot het einde toe worstelen tegen de golven en zich uitstrekken naar het reddende strand. Wat zal dan de welverzekerde hoop in Christus niet doen? In die vaste hoop wandelde zij haar weg met lijdzaamheid achter Christus aan.
Janus daarentegen kon dit alles niet verstouwen, maar verdacht Pietje menigmaal van lichtvaardigheid. Helemaal gerust was hij aangaande haar nimmer, maar bij het ouder worden kon hij zich niet ontveinzen dat hij heimelijk jaloers was op haar. En eens, vlak voor zijn levenseinde, liet hij zich ontvallen, dat het bij hem toch ergens niet goed functioneerde. Hij met zijn peinzende, piekerende natuur moest immers alles tot op het bot ontleden, uit elkaar rafelen. Wantrouwig van natuur verzette zijn karakter zich ook tegen het genadekarakter van het Evangelie. Hij wilde alles doorgronden. Eerst op zijn sterfbed kwam het er uit, dat hij zich niet op ontferming alleen wilde overgeven. 'Dat was, dominee, mij te min. Gode zij dank, heb ik dat toch op het nippertje geleerd'!

Achtergrond
Achter dit tweetal levensbeelden, nog veel te oppervlakkig getekend, verschuilt zich een verschülende geloofsbeleving. Waar ligt nu de knoop, zo zal een lezer ons wellicht vragen? Is de vermaning om naar de zekerheid van zalig te worden te staan, ooit te rijmen met de schriftuurlijke opwekking om met vreze en beven onze zaligheid uit te werken? Pietje van de smid ging in kinderlijke ootmoed haar weg. Janus daarentegen hamerde altijd op het bijbelwoord van 'vreze en beven'. Wie van beiden had nu gelijk?
Uit de vermaning van de Schrift hiertoe blijkt de waarheid van het Woord, dat de vrees niet minder dan de hoop een christelijke deugd is, die niet alleen door hem, die niet hoopt, maar ook door hem, die wèl hoopt, betracht behoort te worden. Maar kunnen beiden, hoop en vrees, niet gelijktijdig in één hart gevonden worden? Wanneer wij de uitdrukking 'vrees' opvatten in de zin van 'angst', dan moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Zulk een vrees beklemt het hart dermate, dat er voor gerustheid geen plaats overblijft. 't Is daar een voortdurend gedreven worden door de donder en de dreiging der wet. Vooral voor nauwgezette naturen met een schroomvallige consciëntie moet het zelfonderzoek onveranderlijk leiden tot een onbeschrijflijk hoge berg van schuld. Zij meten hun gedaante telkens weer aan Gods heilige eis en komen derhalve immer in het tekort van hun leven terecht. Het behaagt de Heere soms bepaalde personen langdurig in deze weg te oefenen. Bovendien brengt het onjuist verstaan van bepaalde bijbelwoorden ook menigeen vaak in grote levensmoeite. Zij komen er niet uit totdat zij deze woorden in helder licht leren ontdekken.
Er is nu evenwel ook een andere vrees, die wij kunnen omschrijven als een passende beduchtheid voor alles wat aan onze zaligheid schadelijk zou kunnen zijn. Met deze is de verzekerdheid der hoop wel degelijk bestaanbaar. De zekerheid toch van een kind van God te zijn, brengt bij de oprechte geen vleselijke gerustheid teweeg, maar doet hem met vertrouwen bidden, dat God hem zal doen volharden tot het einde toe. Zij neemt wel de twijfel, maar niet de bezorgdheid weg; zonder deze laatste toch zou men tot vermetel zelfvertrouwen of tot valse lijdelijkheid vervallen. En juist op beide laatste wegen komen velen. Zij glijden weg in een gestalte, die men vaak zonder enig wapen tegemoet moet treden als alleen met de uitdrukkelijke waarschuwing van de Schrift, ernst te maken met de roep tot bekering. Of anderzijds verzinken ze in een hoogmoedig zelfvertrouwen, dat ons al evenzeer het ergste doet vrezen.
Voor velen is er reden om de gronden van hun zekerheid eens rustig te beproeven. Het komt namelijk zeer dikwijls voor, dat mensen een vals fundament leggen voor de hoop.

Valse gronden
Zo kunnen ware christenen zich zelfs uit gebrek aan kennis ongegrond van hun zaligheid verzekeren. Dat gebeurt nogal vaak, vooral wanneer een christen in een geesteloze toestand aan zijn hoop wil vasthouden. Zij gaan dan hun hoop bouwen op de vlottende gestalte van hun gemoed. Vandaag leven ze in hoge toestanden, morgen beleven ze lage toestanden, al naar de golven op het strand komen aanrollen. Zij komen met de vloed op en vloeien met eb weer terug. Zijn er niet christenen, die zich aangaande hun tegenwoordige staat verzekeren uit de geschiedenis van hun bekering? Vele jaren gaan ze terug. Toen is dat en dat gebeurd. Op grond daarvan verzekeren ze zich, zoveel jaren nadien van hun zaligheid. Precies het omgekeerde moesten ze doen. Niet menen, toen is het zo echt geweest, dan mag ik nu wel gerust zijn, néén – ze moeten zich van de oprechtheid van hun bekering verzekeren uit wat ze tháns zijn. Wij kunnen niet vrijblijvend gaan rusten op wat wij eens meemaakten. Het is nodig van onze huidige geestelijke toestand tot de wortels door te dringen. Anders kweekt men een lichtvaardige gerustheid.
Zijn er ook niet christenen, wier zekerheid niet anders is dan een redeneerkundige gevolgtrekking, die zich zo vertolken laat: eens bekeerd, altijd bekeerd? Zulke gronden zijn aan drijfzand gelijk. Bouw uw hoop liever op rotsgrond!
Dat vele christenen onverzekerd leven behoeft ons niet te verwonderen. Vrees en twijfel zijn het eigenaardig onkruid van de onvruchtbare bodem van een lauwe, flauwe godsvrucht. Een mens met een gedeeld hart kan geen vruchten voortbrengen. Angstvallige bezorgdheid voor ons levensonderhoud kan het zijn. Ook kan het najagen van aardse schatten en genietingen ons parten spelen. De zorgvuldigheden van een Martha kunnen evengoed het Woord onvruchtbaar maken als de wellusten van een Herodes. De geoorloofde dingen kunnen ons evengoed schade doen als de verbodene, zo de begeerte er naar gaat heersen over onze wil. Wie dan daarheen wankelt, door het een gedreven en het andere bestreden, weet ten laatste niet meer waar hij heengaat. Naar de hemel of naar de hel. Droevige onzekerheid!

Doodlopende weg
Het ergste gebeurt, wanneer zulke in geesteloosheid verzonken christenen zich op hun vrees en twijfel gaan beroemen. Zij gaan leven in een nagemaakte gestalte van ootmoed. Daardoor menen zij hun gebrek aan geestelijke gezindheid en oprechte godsvrucht te kunnen bedekken. Er komt over geheel hun wezen een trek van onechtheid. Eigenlijk zijn zij koud, maar kunnen dit soms knap verhullen door zo nu en dan eens te zuchten en een ernstig gezicht te vertonen. Ook oefenen zij een pessimisme zonder grenzen. Maar evengoed als er een oppervlakkig optimisme bestaat zonder degelijke grond, bestaat er ook een ondiep pessimisme zonder waarachtigheid. Er komt een meewarig neerzien op christenen, die van zekerheid durven spreken. Wij stellen ons tevreden – zo vertellen ze u – met een paar kruimpjes. Wanneer wij deze mensen ontmoeten, mogen wij ze juist zeggen, dat het een oprecht christen juist eigen is, om naar grote dingen te staan. Wie iemand liefheeft is niet ten volle gelukkig, alvorens hij weet dat hij bemind wordt door hem, die hij bemint. Het is werkelijk een verdacht teken wanneer men zich bij het onzekere als bij het onvermijdelijke neerlegt.

Gebondenen
Bij het bovenstaande hebben wij niet aan hen gedacht, wier twijfelmoedigheid uit overdreven bezorgdheid voor het bedriegen van zichzelf voortkomt. Diegenen verlangen ernstig tot God bekeerd te worden en zij zouden o zo graag weten dat het goed met hen stond, maar zij hebben geen hoop dat het goed met hen is. Ze vrezen soms dat het alleen maar opvoeding is. Niets vrezen zij zozeer, dan zichzelf wat wijs te maken en met een ingebeelde hemel verloren te gaan. Deze mensen vrezen altijd, dat zij nooit gezond zijn. Zij cirkelen aldoor om zichzelf. De minste wisseling van hun gewaarwordingen benauwt hen. Zij leven gedurig tussen hoop en vrees, op en neer, vandaag pure blijdschap, morgen haast wanhopig, altijd bezig om elk gevoel te ontleden. Ze wachten soms op een bijzondere roepstem of op een met kracht op hen aankomend bijbeltekst. Ze bouwen niet op het Woord des Heeren, dat in de ordelijke weg der genademiddelen tot hen komt. Hier moeten wij de nadruk leggen op de waarachtigheid Gods en de volle gemeendheid van Zijn beloften. Op de grove zonde van Zijn Woord te verachten, zoals dat tot ons komt in de doop en de prediking. Zij zoeken het in de weg van het gevoel en niet in de weg van het geloof. Dat is dé dwaalweg van zeer velen. Want langs deze weg, meent men, dat de verlossing Gods slechts waar is, wanneer men het gevoelt. Neen, het gevoel is niet de weg der zekerheid, maar het geloof. En dat geloof legt zich neer op het uiterlijk getuigenis, waarop het innerlijk amen uit spreekt. Natuurlijk ontkennen wij de werking van het gevoel niet. Maar het komt op de rechte orde aan. Er bestaat helaas een gevoel zonder geloof. Dat is waar. Maar het echte geloof heiligt het gevoelsleven. Het moet deze mensen worden gezegd, dat zij veel te veel op zichzelf en hun belevingen zien. Laten zij eens wat minder op zichzelf zien en wat meer op de Heere. Laten zij vlijtig voorgaan in het gebruik der genademiddelen en naar de tijd der overvloediger genade vurig verlangen en die met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten. Maar, laat dit wachten niet in geestelijke werkeloosheid of lijdelijkheid geschieden. Geloof is altijd gehoorzaamheid, beslissing, keuze. De geestelijke lijders van hierboven moesten wat minder op zichzelf zien en wat meer op de Heere. De getrouwe God heeft Zijn zegen op het gebruik der genademiddelen ons beloofd. Laten zij met die beloften in vurig gebed bezig zijn. Op dat gebed is verhoring beloofd.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een goed fundament noodzakelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's