De stad, het dorp en het Koninkrijk
De eeuwen door hebben de mensen de neiging gehad om bij elkaar te gaan wonen. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de mens ook op de ander aangewezen is. Niet alleen heeft elk mens persoonlijk behoefte aan een 'tegenover', aan iemand waar mee hij in bijzondere zin zijn leven deelt. Hoe zou één alleen warm worden zegt de spreukendichter. Maar de Schepper heeft zijn schepselen nu eenmaal ook met verschillende gaven bedeeld, die ieder ten nutte van de ander mag aanwenden.
Ook de Koning wordt van het veld gediend.
De boer kan niet zonder een 'koning', die regeert.
Maar de Koning kan ook niet zonder de boer, die de gewassen teelt. In de dorpen en de steden ontmoeten de verschillende kwaliteiten onder de mensen elkaar.
Toch heeft de stad daarbij nog een extra dimensie. In de stad is echt sprake van samenballing van mensen. Steden zijn daardoor ook echter meer dan woonoorden, waar mensen samen léven. Steden zijn ook concentratiepunten van culturen, geestesstromingen, van onderwijs en filosofie, van handel en nijverheid. In steden zijn de 'scholen' gevestigd. Daar is dan ook het volle, bruisende leven, dat altijd al een grote aantrekkingskracht op mensen heeft uitgeoefend.
De stad heeft bovendien ook het geheimzinnige aan zich; ook de anonimiteit, waarin mensen schuil gaan, zonder het bespiedend oog van de ander, zoals op de dorpen vaak het geval is. De steden zijn daarom ook centra van bandeloosheid, van ongebreidelde vrijheid, van uitleving van de vrijheidsdrift van de mens. In de stad gaan mensen soms onder en ten onder.
Steden zijn – om nog één ding te noemen – ook vaak concentratiepunten van armoede, van sociale nood.
Opmerkelijk
Toch is het opmerkelijk dat de verbreiding van het Evangelie in de begintijd van het christendom vooral via de grote steden, via de wereldcentra van die tijd plaats vond. Hoewel Jezus, staande voor Jeruzalem, klagen moest dat Hij haar bijeen wilde vergaren maar dat zij niet wilde, toch is het Evangelie in de wereld gebracht 'beginnende van Jeruzalem'. En dan zijn verder de voorbeelden voor het grijpen.
Paulus zag hoe afgodisch Athene was, maar hij stond er op de Areopagus als een getuige Gods. Hij reisde naar Rome en naar Efeze en naar Corinthe en naar Thessalonika, steden met beweeg en rumoer en met alle goddeloosheden van die tijd. Paulus en de andere apostelen hebben er gemeenten gesticht, ze hebben hun brieven aan die gemeenten geschreven ter opbouwing, vermaning en bemoediging. Maar de filosofen, de waarzeggers, de tovenaars, de volksverleiders van die dagen hebben het intussen óók geweten, dat het Evangelie er kwam.
De apostelen schaamden zich het Evangelie van de Gekruisigde en Opgestane niet ten overstaan van koningen en overheden, van filosofiën en stelsels, van de machten der duistenis. Hun boodschap had een méérwaarde, gegeven met het feit, dat Christus op het Kruis de machten had onttroond, openlijk te schande had gemaakt. En al was het dat ze hun vrijheid of zelfs hun leven ervoor geven moesten, ze bleven staande, wetend dat hun een beter vaderland was bereid. De martelaren zijn er letterlijk getuigen van geweest. Men leze het indrukwekkend slot van de Hebreeën.
Ook in de loop van de kerkgeschiedenis zien we dat de kerkvaders de steden vaak kozen als centrum van hun arbeid. Augustinus in Carthago, Calvijn in Genève, Luther in Wittemberg, John Knox in Edinburgh. In de confrontatie met de geest van hun tijd, die geconcentreerd in de steden aanwezig was, hebben ze gestudeerd, gedoceerd, geschreven, gepolemiseerd. Kortom getuigd van de Waarheid der Schriften en hebben ze uit het oude Woord oude en nieuwe schatten naar voren gehaald. Ze hebben er hun theologentwisten gehad. Die moeten we – bij al het menselijke dat er aan kleefde – ook positief waarderen. Er kwam in tot uitdrukking de worsteling om de Waarheid in de context van de (tijd)geest.
Hun stem drong intussen echter ook door tot ver buiten de muren van de universiteiten en hogescholen. Maar die universiteiten en hogescholen waren niet zonder reden in de steden gevestigd. Ze waren daar, waar de harteklop van het volksleven was.
Bij dit alles mogen we niet over het hoofd zien, dat de Heere ook aan de Kerk grote mannen schonk, die afgezonderd van het drukke levensgewoel van de stad hun arbeid mochten verrichten en de kerk tot grote zegen zijn geworden in hun geschriften, geschriften die tot vandaag bewaard zijn gebleven. Alexander Comrie in Woubrugge, Thomas Boston in het Engelse Ettwick, het kleine 'gat' waar hij tot persoonlijke doordenking van het verbond der genade kwam. Zo hebben gelukkig ook de dorpen, tot de kleinste toe in de loop de eeuwen heen soms 'grote' dienaren mogen hebben. Soms waren het grote theologen, die zondags het resultaat van hun levenslange studeren doorgaven aan een klein en soms eenvoudig gehoor; maar zo ook hebben ze een volk Gods mogen wekken en voeden met wat ze uit de goudmijn van het Woord mochten opdelven. Wat zouden immers theologie en studie in het Woord Gods nog te betekenen hebben als er niet een volk door gevormd en gevoed zou worden, dat de Naam heeft leren kennen en belijdenis. Voor theologen, die de gemeente niet voeden, geldt dat eenvoudigen, godvrezenden, hun te voorbeeld zijn.
Maar dit alles neemt niet weg dat juist ook de steden, de centra van culturen en intellect, een plaats hebben gehad in het Koninkrijk Gods en dat de Heere telkens mannen heeft geroepen, die in staat en bereid waren te spreken met mensen 'in de poort', mannen die de confrontatie met het eigentijdse levensgevoel aankonden en aandurfden in de kracht van de Allerhoogste.
De kracht van de Reformatoren als ook van verscheidene mannen van de Nadere Reformatie was, dat ze hun tijd, in de geestesontwikkelingen daarvan kenden tot op het bot; en dat ze daarbij ook de geschriften van andere kerkvaders, tot de geschriften van de rabbijnen toe kenden. Vader Hellenbroek bijvoorbeeld zat bij de rabbijnen op school en hij was niet de enige. En Paulus had al een hele filosofische leerschool, aan de voeten van Gamaliël doorlopen, toen God hem arresteerde. Hij getuigde er daarna weliswaar van dat hij alles schade en drek had leren achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus, maar hij gooide wat hij verworven had niet overboord. Het kwam hem te pas bij het getuigenis. Hij maakte het ten nutte.
Vandaag
We kunnen tot vandaag lering putten uit de wijze, waarop de vaderen – en dan bedoel ik die vaderen, die sporen getrokken hebben in de tijd – in hun tijd hebben gestaan. Het gaat er niet om dat op de preekstoel verhandelingen, vertogen worden gegeven van allerlei eigentijdse stromingen en verschijnselen. Maar wie geroepen is leiding te geven in de kerk of in de gemeente moet zijn tijd kennen. Studeren is een godvruchtige bezigheid. Wie niet studeert is niet bekeerd. Juist als we zo vaak moeten constateren dat het Evangelie haaks op de tijd(geest) staat zullen we de scharnierpunten moeten kennen, waarom het draait, opdat we ook weten waar de eigentijdse weerstanden tegen het Evangelie, de eigenlijke gevaren voor de gemeente schuilen.
Wie vandaag theologie studeert lijkt een heleboel ballast mee te moeten nemen, die hij straks – zo heet het dan – toch niet meer nodig heeft. Dát nu waag ik te betwijfelen. Er is vandaag een anti-theologie beweging gaande. Klaarblijkelijk ingegeven met het feit dat zoveel geleerd moet worden wat geen raakvlakken met de Schrift lijkt te hebben. Zélfs als dit zo is leert men intussen gedachtengangen te volgen en te ontleden. Dat schept ook mogelijkheden om er bijbels-kritisch op in te gaan. Daardoor ook kan men alleen maar gescherpt worden om bij aanwezigheid van een bijbels, reformatorische basis, de eigen tijd te 'lezen' en te doorgronden.
Het is – als ik even dit uitstapje mag maken – heilzaam voor een predikant om geschriften te lezen van hen, die (helaas) grondig afgerekend hebben met het geloof van de vaderen. Dé titel van een publicatie luidt 'Een theoloog leest Maarten 't Hart'. Wel, al is er maar één in de gemeente die bekoord werd door boeken als die van Maarten 't Hart of Maarten Biesheuvel of een 'vergeten' renegaat als Jan Hein Donner, dan zal alleen al voor dat verloren schaap de herder die boeken lezen. Een theologie, die bij de tijd is, zal weet hebben van wat er in de eigen tijd omgaat.
Te vrezen is dat een anti-theologie houding ook inhoudt een houding, die gekenmerkt wordt door afweer tegen studie in het algemeen, om dan maar te zwijgen van het kritische opnemen van de eigentijd en de verschijnselen daarvan en de publikaties daarin.
Reservaat
Wat op den duur dan overblijft als arbeidsveld in het reservaat, het geïsoleerde afgeschermde gebied. Intussen zullen we beseffen (en dat kan schoksgewijs gebeuren) dat dat reservaat allang niet meer bestaat. Want ook de kleinste dorpen zijn, door de communicatiemedia en de vele mogelijkheden van verkeer, deel geworden van de éne grote wereldstad. Het moderne levensbesef dringt door de kieren van aller bestaan. ledere dominee is vandaag een beetje stadsdominee.
Maar wie vandaag in de èchte stad niet zou kúnnen wonen en willen werken moet zich afvragen of hij wel in de apostolische traditie staat, in de traditie van hen, die steden van handel en nijverheid, van wetenschap en cultuur, maar ook van bandeloosheid en goddeloosheid aandeden, hoewel onder de hoede van de Hoop.
We zijn, dunkt me, als gereformeerde christenen wel eens al te vaak geneigd om de stad te schuwen (met stad bedoel ik dan de samenballing van al wat mensen beweegt en drijft) en het dorp te zoeken. Het dorp zou dan de rust zijn, waar die gemeente eerder bloeien kan dan in de stad. De gemeente bloeit echter daar, in de stad of op het dorp, waar ze de tand van de geest des tijds doorstaat. En waar ze intussen ook dicht leeft bij en open staat voor de sociale nood in de wereld, die met name in de stad zo manifest is.
Het moet voor predikanten dan ook geen al te grote overgang zijn van de stad naar het platteland, of van het platteland naar de stad, al is het ook wel zo dat niet ieder overal 'past'. Maar de gemeente, wáár dan ook, staat vandaag in de branding van de tijd en zal zich gesterkt weten als de herder de schapen kent én de weide, waarop ze grazen.
Een predikant had aanvechtingen, omdat hij zoveel eigentijdse literatuur (lectuur) gelezen had. Hij droeg intussen de lantaarn op de rug. Hij wist zelf namelijk niet hoe hij zijn schapen geweid had, júist omdat hij thuis bleek te zijn in hun weide en omdat hij de aanvechtingen van de moderne tijd voor het geloof bleek te kennen. Hij stond in de traditie van Paulus, Petrus, Augustinus, Calvijn, Luther, à Brakel, Kohlbrugge. Dichterbij kom ik maar niet. Want als we voor de eigentijdse vaderen hetzelfde vergrootglas gebruiken als voor de oude of oudste vaderen komen ze er te groot af.
Het dorp en de stad hebben al met al intussen beide een plaats in het Koningkrijk.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's