Walter Marshall: een reformatorisch puritein (3)
In zijn boek over de Puriteinse vroomheid heeft Gordon Stevens Wakefield melding gemaakt van een oude Schot die liggend op zijn sterfbed een exemplaar van Marshalls boek over de Heiligmaking kuste en getuigde van hetgeen dit boek in zijn leven had mogen betekenen (Puritan Devotion, Londen 1957, 5). Het was met name dat gedeelte in Marshalls boek waarin hij uiteenzet dat wij niet alleen alle uiterlijke gaven maar ook alle innerlijke hoedanigheden van een nieuw leven, heiligheid en gerechtigheid alleen in de gemeenschap (fellowship) met Christus verkrijgen, dat deze Schot in het bijzonder tot zegen was geworden.
En inderdaad. Marshall heeft consequent heel het christenleven vastgelegd in Christus, in de gemeenschap met Hem, welke een geloofsgemeenschap is. Maar vóór wij hier breder aandacht aan gaan schenken willen wij eerst nagaan, hoe het dan volgens Marshall tot deze gemeenschap met Christus komen kan. Langs welke wég, zo vragen wij, wordt iemand een waar christen?
Geen methodisme
Een eerste antwoord op deze vraag moet zijn dat door Marshall alle methodisme is afgewezen. Niet voor niets was hij een tegenstander van Wesley. Maar ook het 'methodisme' dat men bij tal van andere puriteinen tegenkomt, is door hem sterk gerelativeerd. Marshall heeft geweigerd de Heilige Geest in zijn werk van het toebrengen van zondaren tot Christus te binden aan één bepaalde methode. Perkins kende een hele 'trappenleer', hij somde wel tien trappen op waarlangs men als even zovele treden de ladder tot Christus beklimmen kan, maar daar zal men bij Marshall niets van terugvinden. Marshall stelt vast dat vele gelovigen al vanaf hun kinderjaren God dienen en vrezen. In het op één na laatste hoofdstuk van zijn boek (Direction XIII) behandelt hij het 'zelfonderzoek', en dan dringt hij er bij zijn lezers op aan, de uitslag van dat onderzoek toch niet te laten afhangen van de vraag: Wannéér ben ik tot het geloof gekomen, wannéér ben ik bekeerd? Marshall ontkent niet dat er zijn die dat precies weten, die dus duidelijk een bepaalde tijd in hun leven kunnen aanwijzen als de tijd waarin zij voor het eerst God gingen zoeken en tot bekering kwamen. Maar Marshall houdt dat gereserveerd voor zulken die 'tevoren in grove onkunde of in openbare vijandschap tegen het ware geloof en alle heiligheid geleefd hebben', zij zijn het die kunnen getuigen van een 'eerste bekering', en zij zijn het dus ook die met vertroosting daarop kunnen terugzien! Anders is het echter met hen die als een Johannes de Doper de genade Gods reeds ontvingen in de moederschoot, of evenals Timotheus vanaf jongsaf de Heilige Schrift hebben gekend, die hen wijs maakte tot zaligheid. Marshall zegt dat het zo niet maar met slechts énkelen is, maar met 'velen'. Daarom zegt hij, dat véle oprechte gelovigen geheel onkundig zijn van de tijd van hun eerste bekering.
Geleidelijk
Vervolgens kent Marshall ook zulke christenen bij wie het alles gegaan is in de weg der geleidelijkheid. Eerst waren zij onwetend en onheilig, toen kwamen zij in hun leven tot een zekere uiterlijke verbetering ofwel hervorming, zij gingen ernst maken met Gods wet en de dienst des Heeren. Ongemerkt voltrok zich in hen een grote, innerlijke verandering. Langs onmerkbare trappen, zegt Marshall, werden zij na verloop van tijd dichter gebracht bij het Koninkrijk der hemelen. Het ogenblik waarop zij voor het eerst met de 'Geest des geloofs' begiftigd werden, kunnen zij niet aanwijzen; en toch is dat gebeurd.
Bevindingen
Intussen wil dit niet zeggen dat ieder die zich als een 'gelovige' of 'bekeerde' aandiende, nu ook door Marshall daarvoor gehouden werd. In hetzelfde voorlaatste hoofdstuk van zijn boek zegt hij: Sommigen zijn er die hun arme zielen misleiden; zij beelden zich in dat zij precies de tijd van hun bekering kunnen aangeven, en zij vertellen grote verhalen over het werk van God in hun ziel, en zij maken veel ophef over hun bevindingen; maar met al die bevindingen kunnen zij toch niet bewijzen dat zij ook maar de minste mate van het zaligmakende geloof hebben. Wat hun ontbreekt is volgens Marshall een ware geloofsoefening. Zij bedriegen zich voor de eeuwigheid met hun bevindingen zonder geloof, zonder een hartelijk vertrouwen op de Heere Jezus Christus tot zaligheid. Neen, met 'bevindingen' als zodanig hebben wij nog niet het bewijs geleverd tot de kinderen Gods te behoren, er zal gevraagd moeten worden naar de aard van deze bevindingen. De ware bevindingen zijn gelóófsoefeningen!
Stokbewaarder
Er is nóg een mogelijkheid als het gaat over de wegen die leiden tot de gemeenschap met Christus. Meer dan eens brengt Marshall in zijn boek de stokbewaarder te Filippi ter sprake. De man was een heiden, hij was radeloos, hij stond op het punt zelfmoord te plegen. En wat zegt dan Paulus tegen deze stokbewaarder? Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis (Hand. 16 : 31). Dus: iets dan het geloof wordt deze man door Paulus voorgehouden. Alleen maar dat éne; zonder enige voorwaarde vooraf. Al was hij een (onbekeerde) heiden, al was hij, in principe, een zelfmoordenaar, nochtans wordt hem rechtstreeks, zonder omwegen, het geloof in Christus voorgehouden als de weg tot de zaligheid. En nog in diezelfde nacht, zegt Marshall, tóónde deze man zijn geloof en werd hij gedoopt, en trouwens ook al de zijnen. Er ligt dus nauwelijks enige tijd, tussen Paulus' oproep tot het geloof én het daadwerkelijk beoefenen daarvan door de stokbewaarder. Marshall ziet daarin een aanwijzing. Zoals Paulus deed, zo zullen alle dienaren des Woords mogen doen. Zij mogen ieder voorhouden de oproep tot het geloof in Christus. Hun prediking mag een onvoorwaardelijke zijn.
Berouw
Maar moet er dan niet eerst berouw zijn vóór men mag komen tot het geloof? Op een antwoord op deze vraag heeft Marshall zich natuurlijk diep bezonnen. Het is de vraag die altijd weer terugkeert wanneer gesproken wordt over het al of niet voorwaardelijk karakter van de Evangelieprediking. Toch weigert Marshall om ook maar één stap te zetten op de weg naar het voorwaardelijke, omdat voor hem heel de Evangelieprediking als zodanig daarmee gemoeid is. Hij heeft wet en Evangelie nadrukkelijk willen onderscheiden. Hij heeft niet willen ontkennen dat niemand Jezus Christus tot zaligheid aanneemt dan wie Hem nodig heeft, maar tegelijk gehandhaafd dat dat niet betekent dat het berouw als daaraan voorafgaand geëist moet worden. Petrus preekte de ongelovige Joden dat God zijn Kind Jezus tot hen gezonden had om ze te zegenen, en dat gold een ieder, want Petrus zegt; dat Hij 'een iegelijk' van u afkere van uwe boosheden (Hand. 3 : 26). Voorwaarden worden hier niet gesteld, alleen maar de oproep: keer u af van uw boosheden en ge zult een door Christus gezegende zijn. Nog een aantal andere teksten wordt door Marshall aangevoerd, als Hand. 13 : 26, 32, 38. Hij wijst vervolgens ook op hetgeen door Paulus geschreven is aan de Thessalonicenzen, namelijk dat zij, die heidenen waren, 'met blijdschap' het Woord Gods hadden aangenomen en zo voorbeelden waren geworden voor al de gelovigen in Macedonië (1 Thes. 1 : 6v); van enige voorafgaande diepe verschrikking lezen wij hier niet.
Als de apostelen ergens kwamen, zegt Marshall, begonnen zij terstond met de verkondiging van de blijde boodschap van het behoud door Jezus Christus, voor een ieder die dat behoud ontvangen wilde als een vrije gift van God door het geloof. Zo er enige methode is waar te nemen in het werk Gods, dan is het deze dat God begint door het Evangelie de harten te winnen, te troosten en te sterken in alle goed woord en werk.
Nogmaals: hoe zit het dan met het berouw? Marshall is resoluut, hij zegt: Geloof moet gaan vóór berouw! Al wat niet t uit het geloof is, is zonde voor God (Hebr. 1 : 6), en dat geldt ook van het berouw. Wij moeten allereerst tot Christus komen door het geloof. Het geloof, zegt Marshall, is 'de eerste genade die ons geschonken wordt'. Als ge werkelijk gelooft, zijt ge wedergeboren. Alleen die Christus ontvangen door het geloof zijn kinderen Gods.
Natuurlijk wil dat allerminst zeggen dat het berouw niet nodig is. Het gaat er Marshall slechts om het op de rechte plaats te zetten. Hij zegt: beide, geloof en berouw zijn absoluut noodzakelijk. Maar Marshall heeft aan de éénheid van beide willen vasthouden. Als hij zegt dat het berouw komt na het geloof, dan wil Marshall niet zeggen dat daar enige tijd, lang of kort, tussenzit, maar dan omschrijft hij het geloof als 'oorzaak' en het berouw als 'gevolg', een terminologie die men meermalen in zijn boek tegenkomt.
Marshalls grote doel was de weg naar Christus, de weg des geloofs, voor iedereen vrij te houden. Hij zag goed in dat men anders in het wetticisme verstrikt raakt en het Evangelie verwettelijkt wordt. Hij zegt: Christus wil dat de snoodste zondaren, zonder enig uitstel, tot Hem komen om behoud.
Bruiloftskleed
In verband met het gaan tot het Avondmaal, waar in die tijd velen onder de Puriteinen niet toe komen konden, mede door de nadruk die gelegd werd op de 'vereisten' en het steeds weer herhalen dat de man zonder bruiloftskleed werd buitengeworpen, stelt Marshall de vraag: en wat is dan dat bruiloftskleed?
Verrassend is zijn antwoord: Dat bruiloftskleed is Christus Zelf. Het geloof koopt Christus, die in het Evangelie geheel om niet wordt aangeboden. Naar zijn aard is het geloof een hongeren en dorsten en een aannemen van Christus in het vertrouwen dat Hij naar Zijn belofte de onze wil zijn. Zo bezit het geloof Christus, en Marshall vraagt dan: Is er een beter bruiloftskleed te begeren?
Men gaat vaak uit van een verkeerde vooronderstelling zegt Marshall. Men meent dat men toch niet zó vuil als men is voor God kan verschijnen. En Satan steunt de mensen in deze waan. Het gevolg is dat vele zwakke zielen het geloof uitstellen; ook niet aan het Avondmaal durven gaan, soms jarenlang. En de predikanten spreken over 'voorbereidingen' die nodig zijn. Zij stellen niet de vrije genade voorop en het geloof in Christus. De arme zielen blijven bevangen in de 'wet', zij komen er niet uit. Zij vorderen geen stap op de weg des heils.
Neen, Marshall heeft waarlijk niet álle voorbereiding op het vieren van het heilig Avondmaal terzijde geschoven. Maar ook die heeft hij gezet binnen het kader van het geloof. Zelfonderzoek is nodig, maar dan wel een gelóvig zelfonderzoek. Zou ik, aldus Marshall, bij het zelfonderzoek tot de slotsom moeten komen dat ik nog alle geloof mis, dan nóg is niet alles verloren, want dan word ik nu ertoe genodigd en mag ik weten dat de Heere mij ook nu nog genadig wil zijn.
Uitverkiezing
Maar is er dan niet een uitverkiezing? Het is begrijpelijk dat Marshall meer dan eens ook op die vraag is ingegaan. Hij wist wel dat er waren in de gemeente die vreesden, of althans beweerden te vrezen dat zij niet tot de uitverkorenen behoorden en daarom zich verre hielden van de beloften van het Evangelie. Geen moment heeft Marshall, die een presbyteriaan en een goede calvinist was, er ook maar aan gedacht om de leer van de dubbele predestinatie in twijfel te trekken. Hij heeft haar onverkort gehandhaafd. Er zijn er inderdaad die van eeuwigheid door God verkoren zijn tot de zaligheid en er zijn er ook die van eeuwigheid door God verworpen zijn. Maar: wat verborgen is moeten wij verborgen laten.
Wilt ge weten, zegt Marshall, of het Gods welbehagen is dat ge gelooft, wacht dan niet, maar kom tot Christus! Pas wanneer ge metterdaad gelooft zult ge ook weten door God verkoren te zijn. Er is niet een aan het geloof voorafgaande kennis van onze eeuwige verkiezing mogelijk. Ik kan niet weten of ik verkoren ben dan alleen wanneer ik in het geloof op Christus vertrouw.
En daarom: niet wachten. Er is een diepgaand verschil, zegt Marshall, tussen het bijbelse wachten op de Heere en het 'wachten' dat sommigen er op nahouden, waarin alle vastigheid en zekerheid ontbreekt. Hij zegt: Sommigen wachten zeer dwaas erop dat zij eerst verschrikt zullen worden door de wet, Gods toorn zullen gevoelen en tot wanhoop zullen komen, zij noemen dat de weeën der wedergeboorte. Maar moeten wij dáár op wachten? O nee, want zij zijn eerder de 'voorboden' van de eeuwige dood, de verschrikkingen van de hel. Eerder moet men er naar streven deze verschrikkingen te voorkómen. Velen worden tot Christus gebracht zonder deze verschrikkingen, doordat – en nu volgt een heel belangrijke zin – doordat God hun de kennis van het heil in Christus meedeelt tegelijk (together) met de kennis van hun zonden. Wéér kunnen we zeggen: Marshall houdt voor ieder zondaar de weg naar Christus open! Onze opdracht is niet te wachten'; áls er sprake moet zijn van wachten dan van een gelóvig wachten, zoals de Schrift ons leert. Niets mag een zondaar weerhouden van Christus. Ook niet de idee: zou ik wel uitverkoren zijn? En evenmin het wachten op 'wedergeboorte' of op 'berouw' of op 'kennis van de zonden' of op 'wanhoop'. In het geloven zélf geeft de Heere ons dat alles, en dan zo, dat het niet meer een wettisch karakter draagt, maar een evangelisch karakter. Het woordje 'together' zegt bij Marshall veel. Hij had een open oog gekregen voor de grote geestelijke onheilen veroorzaakt door een voorwaardelijke, verwettelijkte prediking. Daarmee is noch de wet noch het Evangelie geëerd. En de zielen lopen gevaar. Marshall schreef onder de druk van het gewicht der eeuwigheid.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's