Klippen voor christenen
Jonge aanplant
Wij liepen die mooie lentemiddag door de jonge aanplant van de buitenplaats. Zo-even hadden wij het oude geboomte bekeken. Prachtige eiken trokken ons oog aan. Sommige bomen waren al tientallen jaren oud. Enkele beuken bekoorden de schoonheidszin door hun mooie vormen. Maar nu waren wij bij het jonge goed. Zo noemde de boswachter dat. Op een zeker moment vroeg iemand uit ons gezelschap: waarom zet u die jonge aanplant hier zo in de ruimte? Krijgt die niet veel te veel te lijden van de wind en de regen?
Welneen, zei de boswachter, die jonge boompjes, -die u daar ziet, moeten juist door de wind hun wortels dieper in de aarde graven en dat jonge goed zou door het te poten onder die oude bomen van de regendrup te veel lijden. Open in de zon en open in de wind, dat vormt het beste voor de toekomst.
Lichtzinnigheid
Dat kostelijke verhaal deed ons verder denken. Jong goed moet zelf worden gevormd. Wat is dat waar, ook in het begin van het leven der genade. De eerste beginselen hebben onze ziel gekerfd. Wij leerden onszelf kennen in schuld en verlorenheid. Wij vluchtten tot Christus om vergeving. Het eeuwige leven zet onze ziel onder het licht van Christus. Wat is alles nog teer en groen, maar bovenal zwak! Nu juicht het nieuwe leven in ons en wij denken werkelijk dat heel de gemeente hetzelfde beginsel deelt. Maar daarin worden wij diep teleurgesteld. Vooral zien wij hoog op tegen allen, die voor godvrezenden doorgaan. Wij speuren naar de plaats waar zij wonen, wij willen een gesprek met hen, wij doen hun leven na. Maar aldra worden wij wreed ontnuchterd. Op een bepaalde dag ontmoeten wij zulk een belijder, die in wezen lichtzinnig is.
Deze zegt ons, dat wij met onze jonge ernst tot somberheid vervallen. Hij geeft onmiskenbaar aanduidingen dat hij ons tot overdrijving geneigd acht. Ja, zelfs zegt deze en gene ons, dat wij toch ook wel een weinig van het leven genieten mogen. Wij zijn werkelijk niet geschapen om monnik en non te zijn. Je moet niet alleen bidden en peinzen. Je moet ook eens uitgaan. Wees ook eens blijmoedig van geest. Je moet niet zo kleinzielig aan allerlei gewetensbezwaren vastkleven. Zet je over al die pietepeuterigheden heen. Acht vooral de genietingen van het leven niet gering. Ja, opeens ontmoet u zulk één, naar uw mening erkend, Christen en u proeft enige onreine beginselen in of aan hem. Het brengt u een schok.
Geen belangstelling
Dieper nog snijdt het u in de ziel wanneer u bij zulk een christen niet de minste belangstelling in uw geestelijk leven ontmoet. Bijna niemand vraagt mij naar mijn ziel en bekommert zich om mijn zaligheid, zo moet u zeggen. Het schijnt u toe, als leefden allen puur voor zichzelf. Weet u wat er dan gebeurt? Wij gaan de levenswandel van die algemeen erkende christenen vergelijken in de stilte met de mensen, die volop in de wereld leven en wat wordt nu de uitkomst? Wij zien, dat ze per slot van rekening evenzeer uit zijn op voordeel, evenzeer door voorliefde en afkeer beheerst, even lichtgeraakt of eerzuchtig en in tegenspoed even mismoedig zijn als de mensen van de wereld. De jonge christen zocht bij hen het ideaal, het bovennatuurlijke, het vóór alles leven tot Gods eer, de liefde tot de vijand, het bovenal zoeken van de eeuwige dingen, en wat vindt hij er? Het menselijk gewone, dat men overal in de wereld vindt. Maar het goddelijk wonder is nergens. Dan loert het gevaar op ons, om het christelijk leven wat minder nauwgezet op te vatten en te proberen hoe ver men met de wereld mee kan doen, zonder op te houden een christen te zijn.
Loutering
Zijn wij zover gekomen, dan komt Satan met de vraag in onze ziel: is het christendom van de Schrift soms ook een onbereikbaar ideaal? Streef ik soms een hersenschim na? Heb ik mij niet alles ingebeeld? Het kost veel moeite eer men geleerd heeft om de godsdienst niet naar zijn belijders te beoordelen. Komt de verzoeking tot dàt punt, dan werpt ze winst af. Dan leert men de les, dat het geen lichte zaak is christen te zijn. Als wij deze verzoeking doorstaan en naar de volmaaktheid blijven jagen, tonen wij een waarachtig christen te zijn. Want dan zijn we gekomen tot de erkentenis, dat wij God niet om de wille van de mensen dienen, evenmin vragen naar de Geest van de mensen, maar om de wille van Hemzelf en door de kracht van Zijn Geest Hem zoeken.
Onderscheid Ieren
Daarnaast moeten wij u opmerkzaam maken op een klip van geheel andere aard. Er zijn christenen, gerijpt in de omgang met God. Zulke mensen zijn de eersten om af te dalen tot de jonge mensen, pas in de strijd gekomen. Dikwijls heeft het ons ontroerd hoeveel tere zielzorg zulke oude christenen konden oefenen aan jonge christenen. Weet u, wat ze altijd zeggen? Wij bemerken wel dat je moedeloos wordt, wanneer je jezelf met ons in stilte vergelijkt. Maar acht de dag van de kleine dingen niet gering, wij hebben in de loop der jaren ook veel moeten leren, en nog veel meer moeten afleren. Christen zijn betekent gedurig in de leerschool verkeren. Intussen, geheel anders staat de zaak, wanneer wij als jong christen de levensbeschrijvingen van grote vromen lezen. Deze hebben helaas het gebrek, dat zij uitsluitend de lichtkant van de persoon laten zien. Het schijnt soms wel, dat zij de schaduw ook tot licht omtoveren. Dat doet de Schrift helemaal niet. Die toont ons de heiligen zoals zij werkelijk zijn. Het gaat de Schrift niet om de eer van de heiligen maar om de eer van God. Daarom ontmoedigt ons de Schrift nooit in de levenstekening van de heiligen. De boeken, over grote vromen geschreven, dragen dat gevaar wèl in zich. Zij brengen de jonge mens in gevaar om te vragen of hij wel een mens is, omdat hij geen man is. Vooral als. de beschreven hoofdpersoon buitengewone ervaringen heeft gehad, gaat de lezer zich allicht verontrusten. Ik heb zulke dingen niet gehad, althans niet op zulke manier, is het bij mij wel echt? Met name, wanneer de dweepzucht naar voren komt in zulke boeken, treedt dit gevaar op. En wanneer treedt dweepzucht aan?
Wanneer u in dergelijke boeken een ijver bemerkt, die zich om de natuurlijke en zedelijke orde niet bekommert, maar er zich overheen zet. Deze ijver is niet uit de Geest, maar uit het vlees. Voorvallende ontmoetingen, hemelse stemmen, bovennatuurlijke inspraak in het hart, dat alles overvalt het tere jonge hart en men peinst: kan het bij mij wel ooit iets wezen, ik heb zulke belevingen nimmer meegemaakt. Het komt meer voor, dan men meent. Dientengevolge kan men jonge mensen er niet genoeg aan herinneren, dat zij nooit een ander voorbeeld en maatstaf moeten nemen voor hun christelijk leven dan de Bijbel.
Geen nieuweling
Er is nog een verzoeking om voor te waken. En dat is de neiging om pas bekeerde christenen zo gauw mogelijk dienst te laten doen voor het Koninkrijk Gods. Reeds de Heilige Schrift waarschuwt daarvoor uitdrukkelijk, maar het schijnt wel of dit weinig doordringt. In de eerste brief aan Timotheüs, het derde hoofdstuk, wordt met betrekking tot het ambt van ouderling vermaand, daarvoor geen nieuweling toe te laten. Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle. Vooral zij niet, die eerst sedert korte tijd tot het christelijk geloof zijn bekeerd. Er was aanleiding tot dit verbod. Onderde velen, vooral uit hen, die zich uit de synagoge tot de gemeente voegden, waren mannen van ontwikkeling, wie het niet aan de wetenschap en gave ontbrak, die tot leren en prediken nodig zijn. Zij schenen hierom de tot het ambt van opziener aangewezen personen te zijn. Allicht toch wordt de pas bekeerde overschat.
Zo licht ziet men gevoelige genade, bij pas bekeerden veelzins rijkelijk aanwezig, voor gewortelde genade aan. Men vergeet dan dat bloesem nog geen vrucht is. De lente is mooier dan de herfst. Maar wie zag ooit in de lente bos en veld de vruchten van de herfst dragen? Eerst wanneer de pracht van de lente voorbij is, golft het graan op het veld en laat de boom zijn vrucht vallen. Stelt men de bekeerling te vroeg in het ambt, dan brengt men hem in gevaar om zichzelf evenzo te overschatten even als men zelf dit hem doet. Daarom is het in het belang van de betrokken broeder zelf, om hem voor een tijd verre van het ambt te houden. Men ziet hieruit dat men bij het kiezen van opzieners zowel met het geestelijk belang van de broeder, als met dat van de gemeente rekening houden moet.
Opgeblazenheid
Men moet niemand in verzoeking tot opgeblazenheid brengen. Werd iemand, die nog pas in de gemeente is opgenomen, nu reeds het voorwerp van de aandacht van allen en misschien wel boven anderen, die in leeftijd en genade zijn meerderen waren, gesteld, dan had men grote verantwoording op zich geladen. De pas bekeerde zou kunnen vervallen tot eigenliefde en zelfbehagen. Nog even verder en men zou hem kunnen leiden tot heerszucht. Dat is een zonde, die op de akker van de gemeente evengoed al welig tiert en daar schade veroorzaakt. Wat zou men bovendien aan zulk een opziener hebben? De apostel maakt de opmerking, dat die ambtsdrager in dat geval het ergste zou overkomen. Hij zou in het oordeel des duivels vallen.
En nu daargelaten of die jonge man er gaven voor heeft, wat in de meeste gevallen betwijfeld mag worden, het is de vraag of 'het deelnemen aan allerlei christelijke werkzaamheden het belang van zijn geestelijk leven bevordert. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. In de jeugd behoort het fundament van het gebouw te worden gelegd. Daarom is het de jonge christen aangeraden om zich minder met anderen en meer met zichzelf bezig te houden. Onderzoek van de Heilige Schrift zij hem bovenal aanbevolen, gedurige afzondering voor gebed en overpeinzing. Meer passief wat op te nemen dan zich overal mee te bemoeien. Het gevaar van onze tijd is niet denkbeeldig, dat te onervarenen te veel geroep van zich geven in plaats van zich eerst grondig te vormen.
Rijpen laten
Geen nieuweling, het geldt de ambtsdrager, het geldt ook degenen die overkomen uit een ander kerkgenootschap. Er heerst somtijds onder ons de mening, dat alléén diegenen, die uit een ander kerkgenootschap tot ons overkomen eerst het ware verlossende woord tot ons zullen spreken of de ware Gideons-heldendaad zullen doen.
Dat betekent geenszins, dat wij waardevolle talenten zullen ontkennen of willen wegschuiven. Wij menen wel, dat het. een goede zaak is enig onrijp ooft een tijdlang in de kelder te laten liggen. Het heeft dan geruime tijd ontvangen om tot rijpheid te komen. Een te vroeg aan de arbeid gezet kind is onweerlegbaar later geestelijk en lichamelijk minder bekwaam dan het kind dat zijn tijd van rijpen voor de arbeid moest afwachten en intussen degelijk werd voorbereid. Zo ook hier. Als de jonge mens goed wordt geoefend, maar zorgt, dat hij zijn krachten niet verbruikt, zal hij straks als een bekwaam werker tot zijn arbeid kunnen ingaan. Wie de natuurlijke orde vergeet, bemint altijd de dweepzucht.
Woordenstrijd
Een zeer gevaarlijke klip tenslotte. Het is de strijdzucht. Wij leven in een tijd vol van allerlei twistvragen. Niemand, die het leven van zijn eeuw enigermale naleeft, kan zich geheel buiten de geschillen houden. Er zijn wezenlijke tijdsproblemen. Maar er zijn ook spitsvondigheden, ijdele probleemstellingen, dwaze de zaligheid niet rakende dingen. Voor de jonge christen kan dit een verzoeking worden. Er zijn vragen over de kerkregering. Er zijn kwesties van schoolgeleerdheid, die zijn hart dermate kunnen innemen, dat er geen ruimte overblijft voor de oefening tot godzaligheid. Bovendien is er nog een aangelegenheid. Er bestaat een conferentie- en vergaderzucht, een praatzucht, die oeverloos is. In onze dagen beleven wij een verheviging van de gedachte, dat er veel belangrijker dingen aan de orde zijn dan in stilheid rijpen tot volle volwassenheid. U kunt ze overal ontmoeten de wereldvernieuwers, die dag in dag uit met elkaar zitten te praten over gigantische wereldproblemen, over politiek, over kerkstructuren en over wat niet al. Ze zitten op alle conferenties. Ze hebben overal een woord voor. Ze dragen in de krant oplossingen aan. Maar ze onderzoeken de bronnen niet. Het zij nu wel opgemerkt er komt voor ieder een tijd, waarin men met bovengenoemde vragen zich bemoeien moet, maar die tijd valt niet met de lente van het leven samen. Een jong christen is een jonge plant. Die moet eerst diepe wortelen schieten.
Wijsheid
Een oud en wijs geestelijke heeft eens geschreven: probeer een stil en ongestoord gemoed te bewaren. Alleen in de kalmte van een godsdienstige stemming, in de vrede van de verzoening met God, in de rust van ongestoorde overpeinzingen gebeurt het, dat het ware licht in de ziel schijnt en wordt de zachte stem van de Geest des vredes gehoord. Velen hebben dit verwaarloosd en hebben zich begeven in de diepte der twistvragen, toen ze nog pas even belang in de godsdienst begonnen te stellen. Terwijl ze de waarheid beoogden, hebben ze de liefde verloren. In plaats van nederige, vreedzame christenen te worden, werden ze trotse onruststokers en rusteloze twistzoekers. In de aanvang van hun godsdienstige loopbaan verloor zich de boeteling in de ijveraar. Het gevolg was een aanhangen van een godsdienst van allerlei meningen in plaats van een godsdienst van godvruchtige gezindheden. Dat loopt, zonder verhindering, eenmaal uit in een wereld van kennis zonder heiligheid, waar de duivelen geloven en toch sidderen. Zulks is niet denkbeeldig. Met lege beuzelpraat en spitvondig geredeneer komt men tot woordenstrijd. Deze is tot geen ding nut dan tot verkering der toehoorders. Men zoekt de roem der scherpzinnigheid en der redeneerkunst. Men gaat over de manier van uitdrukking twisten. Dit nut tot niets, zegt Paulus. Ja, bleef het nu daarbij, maar het doet kwaad, want het verwekt allerlei verkeerdheid. Het wekt partijschap bij de toehoorders, dooft bij hen de zin voor het eenvoudige, leidt hen van het wezenlijke af en kweekt een generatie van geesteloze christenen.
Vraag
Zou het niet de hoogste tijd zijn de bede van het Onze Vader meer plaats te geven: leid ons niet in verzoeking? Wanneer wij zelfs op de bodem van de gemeente niet kunnen gaan zonder gevaar te lopen in allerlei strikken te vallen, dan is deze bede meer dan enig ding noodzakelijk. Of zou het ook kunnen zijn, dat wij elkaar wel wijzen op de grote verstoorders van de gemeente van Christus, maar te weinig elkaar onderrichten aangaande de kleine vossen die de wijngaard verderven?
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's