De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het heil en de ware kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil en de ware kerk

Ingezonden

8 minuten leestijd

Enkele opmerkingen naar aanleiding van een artikel met bovengenoemde titel in de Waarheidsvriend van 4 februari jl.
Br. v. d. Graaf schrijft in dit artikel over het niet (meer) funktioneren van de artikelen 28 en 29 van de NGB en het niet meer te vinden zijn van de ware kerk. Hij vergelijkt dan de kerkelijke praktijk van nu met die van de dagen van Augustinus, Calvijn en De Bres. Toen kon men nog spreken van een kerk waarbuiten geen heil is, nu staan ontkerstening en versplintering een dergelijk spreken in de weg. Br. v. d. Graaf wenste wel dat deze belijdenis Bijbels funktioneerde en dat de kerk was wat ze moet zijn, een heilige vergadering van ware Christgelovigen, een gemeenschap waarbinnen het heil ten volle gepredikt, beleefd en gevierd wordt. Nu houdt deze belijdenis meer een veroordeling in van de kerk zelf dan van degenen die haar niet kunnen vinden.
Nu wil ik zeker niet afdingen op de zorg die uit dit artikel spreekt over de kerk nu en de zoekenden, maar ik vraag mij wel af of br. v. d. Graaf wel recht doet aan de NGB. Rekent hij er wel mee dat ook de artikelen 28 en 29 geloofsbelijdenis zijn, m.a.w. let hij niet teveel op wat voor ogen is? Een ware kerk is nog wel wat anders als een volkomen kerk! Dat was ten tijde van Augustinus, Calvijn en De Bres bepaald niet anders. Te zeggen dat in hun dagen deze belijdenis meer vanzelf sprak, is wel een wat te eenvoudige voorstelling van zaken.
Augustinus had in N. Afrika te maken met de machtige afgescheiden kerk der Donatisten, die ijverden voor een zuivere kerk. Ze veroordeelden de kerk van Augustinus om haar dooppraktijk, m.n. om de mate waarin zij rijp en groen toeliet tot de kerk. In zijn kerk had Augustinus te kampen met Manicheen en Pelagianen. De Donatisten trokken in hun ijver letterijk te velde. Naar buiten lokte de wereld en waren de heiden-Godsdiensten lang niet dood. En ondanks het gegeven dat er veel wolven waren in de kerk en veel schapen er buiten, bleef Augustinus zijn kerk zien als ware kerk.
Ten tijde van Calvijn was het gereformeerde leven nog ziet zo geordend als het ons mag toeschijnen. Uit de kerk van Rome maakten zich velen om allerlei redenen los. Bijzonder sterk maken de radikale doperse stromingen, in veel gelijkend op de Donatisten. Tegenover hen hield Calvijn staande dat de kerk er niet is voor een geestelijke elite, maar voor heel het volk. Zuiverheid in de leer is dan voorwaarde om van dit volk een heilige gemeenschap te maken. De heiligheid van de kerk is een voortdurend heiliging door Woord en Geest. In de strijd om deze dingen werd Calvijn uit zijn eigen kerk verbannen.
Tijdens het leven van de Bres was Nederland allerminst een gekerstende en gereformeerde natie. De Bres schreef zijn belijdenis rond 1550, toen er van een geordend kerkelijk leven in de Nederlanden nog absoluut geen sprake was. De kerk beleefde daar in Rijsel en Doornik een eerste opbloei onder zeer moeilijke omstandigheden, ze noemden zich niet voor niets kruisgemeenten! De Bres is als martelaar gestorven in 1567 nog voor het zgn. konvent van Wezel plaatsvond, waar de eerste stappen werden gezet naar een geordend kerkelijk leven. Zo was er in vroeger jaren en ook nu geloofsmoed nodig om de eigen kerk te blijven zien als gemeente van Christus. Ze is gemeente van Christus en waar of ze is het geen beiden! Dat deed Augustinus vasthouden aan zijn kerk en dat bewoog ook Calvijn en De Bres in hun dgen, toen de kerk in mensen ogen als tot niet geworden was. Zo met ook nu vastgehouden worden aan de belijdenis m.b.t. de kerk en gaat het er om in de kerk waar de Heere ons riep Zijn gave te erkennen en te bewaren. In die erkenning gaat het eerst om een zekere om een zekere objectiviteit; wat zegt de kerk over haar zelf in haar kerkorde en waar is ze op aanspreekbaar. Onze kerk spreekt uit dat ze openbaring is van de ene algemene Christelijke kerk en dat ze haar geloof belijdt in gemeenschap met de vaderen. Daarmee plaatst onze kerk zich in de lengte (historie) en de breedte (verspreiding) van Christus' wereldkerk, die niet aan één plaats gebonden, er is tot het einde der wereld.
Aan Zijn kerk heeft Christus de door Zijn dood en opstanding verworven gaven geschonken om uitdeler daarvan te zijn. Bij die gaven schonk Hij de ambten voor de dienst der verzoening. Door hun dienst wordt deze verzoening publiek en in het bijzonder betuigd (Calvijn) en worden de sacramenten aan de gemeenten bediend. Met het verdwijnen van een ware gemeente verdwijnen ook de ambten uit het zicht. Zij worden immers vanwege de gemeente en mitsdien van God tot hun dienst geroepen. Omdat haar de bediening der verzoening is toevertrouwd is de kerk Moeder des geloofs en is buiten haar geen heil. Deze belijdenis is al zeer oud en ze wordt toegeschreven aan Cyprianus. Augustinus, Calvijn en De Bres spreken hem daarin na. Ze hangt samen met het grote geheimenis dat de Heere de dienst van mensen verkiest om uitdelers te zijn van Zijn heil. Christus en Zijn kerk zijn één en de bediening des Woords gebeurt krachtens Zijn volmacht.
Nu moet dat alles ook funktioneren. De kerk moet tonen wat ze is door het Woord en de sacramenten zuiver te bedienen. Gebeurt dat niet dan wordt de kerk onherkenbaar, zonder nu direkt ook vals te worden. Dat kan intussen wel, bij blijvende verharding, als het Licht konsekwent van de kandelaar geweerd wordt. Eenmaal wordt dit zichtbaar in de afvallige kerk van beest en valse profeet. Levend in de eindtijd hebben we ten opzichte hiervan de roeping waakzaam te zijn. Juist daarom mag niet gezegd worden dat de belijdenis in deze artikelen niet fungeert. Ze doet dat wel terdege, tot onze waarschuwing! Bij het hanteren van deze artikelen gelden twee gevaren, nl. we ijveren zodanig voor een zuivere kerk dat we de aanwezige kerk van Christus onderwaarderen en aan haar voorbijgaan, of we ontkennen de mogelijkheid van een ware kerk Gods op deze aarde. In beide gevallen wschieten we aan de waarheid voorbij.
Als we zo blijven bij de belijdenis dat onze kerk ware kerk is, wat moet ik dan met de andere kerken? De belijdenis betreffende onze kerk houdt niet gelijktijdig een veroordeling in van de andere kerken in ons land. We leven in een gebroken wereld waarin de kerk jammer genoeg nog moet delen. We mogen echter in die gebrokenheid niet berusten of die gebrokenheid wat veraangenamen door van een eenheid over kerkmuren heen te spreken.
Onze eerste verantwoordelijkheid ligt echter in onze eigen kerk, daar worden we in eerste instantie tot dienst geroepen, hetzij als ambtsdrager, hetzij als gemeentelid. Dat geldt ook daar waar vrijzinnigheid of midden-orthodoxie de dienst uitmaakt. Wij zijn niet in eerste instantie tot veroordeling geroepen maar tot dienst. Het oordeel over gemeenten en wat zuivere prediking is ligt niet het eerst bij ons, maar bij de vergaderingen die daartoe geroepen zijn. Als het enigzins kan moeten we ons van de plaatselijke gemeente niet vervreemden en zoveel mogelijk met haar meeleven. Ook als de plaatselijke gemeente ons roept tot het ambt, mogen we ons daaraan niet onttrekken. Zeker zullen we dat niet moeten doen als anderen ons het adres van de kerk vragen, ook dan geldt 'Kom, ga met ons en doe als wij'. Aan de andere kant geldt natuurlijk ook dat wij verantwoordelijkheid dragen voor onszelf en ons gezin, het zal dan zaak zijn in overleg met de plaatselijke gemeente een aanvaardbare oplossing te zoeken. Het leven in de verstrooiing kan zijn gevaren hebben, het kan ook zijn dat de dingen die we zo gemakkelijk in onze geboorteplaats aanvaarden, door het gemis nu voor ons gaan leven. We mogen dan deze dingen indragen in onze nieuwe omgeving en daarin gezegend worden. Vaak blijkt men geen notie te hebben wat gereformeerd zijn betekent. Vaak treft men onder die omstandigheden ook onverwachte zegeningen en het is de kunst deze te tellen.
Het leven in de Gereformeerde bolwerken is vaak zo geïsoleerd en het is voor de kerkmens daar zo eenvoudig om Hervormd te zijn. De kontakten met andere gemeenten in de regio in kring of classis zijn dan een zaak van predikanten en ambtsdragers, het gewone gemeentelid bekommert zich nauwelijks om de anderen in de kerk. Het is dan zo gemakkelijk uit zijn ivoren toren te oordelen en te zeggen wat wel of niet kan. Hoe gemakkelijk is het dan om lid te zijn van de GB en zo te denken van eigen verantwoordelijkheid af te zijn. Levend in de verstrooiing leert men prioriteiten stellen, worden veel dingen waar men vroeger problemen van maakte anders ingewogen.

K. de Jong, Almelo

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het heil en de ware kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's