Calvijn over Gods beloften (12)
Belofte en doop
Het zijn met name twee zegeningen, die ons van Godswege bij de doop worden toegezegd: vergeving der zonden enerzijds en vernieuwing van ons leven (wedergeboorte) anderzijds. In zijn dooponderricht brengt Calvijn deze dubbele weldaad herhaaldelijk ter sprake. In de belofte van de zondevergeving zag de reformator Gods ontfermende hand uitgestrekt naar de dopeling. De doop is geen lege en zinloze handeling, maar geeft ons vaste grond, namelijk de pleitgrond van de belofte, onder de voeten. Laat niemand denken dat hij bedrogen wordt, wanneer God ons bij de doop belooft, dat Hij een Vader en Beschermer voor ons wil zijn, want door het water van de doop wordt betuigd dat Hij ons reinigen wil van alle zonden die ons van nature aangeboren zijn. De grote nadruk die Calvijn legt op het belofte-karakter van de vergeving der zonden heeft zijn spits vooral naar de Roomse erfzondeleer. De scholastieke theologie beweerde, dat met de doop een – realistische gedachte – afwassing der zonden zou plaatsvinden, waarbij de mens in de staat der rechtheid hersteld werd, zoals Adam die eenmaal had voor de zondeval. Wie zo denkt, heeft echter nog niet begrepen wat erfzonde is en ook niet wat de genade van de doop is. De afwassing der zonden voltrekt zich niet op magischrealistische wijze, maar op de wijze van de belofte. De gerechtigheid van Christus wordt ons van Godswege toegezegd en toegerekend. Omdat de Heere ons door dit teken belooft, dat volle en volledige vergeving geschied is, zowel van de schuld die ons toegerekend moest worden als van de straf die wegens de schuld betaald zou moeten worden, daarom ontvangen de gelovigen door de doop de zekerheid, dat de verdoemenis van hen weggenomen is (Inst. IV, 15, 10).
Levensvernieuwing
De vernieuwing van ons leven, het tweede aspekt van de doopbelofte, zag Calvijn reeds afgebeeld in het volk Israël onder het oude verbond. Hij herinnert aan de woorden van Paulus, dat Israël in de wolk en in de zee gedoopt is (1 Cor. 10 : 2), waarin de doding van het vlees reeds gesymboliseerd werd. 'Op deze wijze belooft Hij ons ook in de doop en bewijst Hij ons door het geschonken teken, dat wij uit de gevangenschap van Egypte, dat is, uit de dienstbaarheid der zonde door Zijn kracht uitgevoerd en verlost zijn; dat onze Farao, de duivel, verdronken is'.
Ondertussen beseft Calvijn heel goed, dat het in de belofte van de wedergeboorte niet alleen om een gave gaat, maar ook om een opgave. Onze oude aard blijft immers en brengt voortdurend nieuwe vruchten voort, namelijk de werken van het vlees. Dat is net als met een 'brandende oven', die voortdurend vlammen en vonken uitblaast. In deze hevige strijd tegen zonde en duivel komt het er helemaal op aan, dat wij ons aan de doopbelofte blijven vastklemmen. De opgave ontspringt aan de gave. De roeping is gegrond in de belofte. In Inst. IV, 15, 11 schrijft de hervormer: 'De doop belooft ons wel, dat onze Farao verdronken is en de zonde gedood, maar toch niet zo, dat ze er niet meer zijn of ons geen moeite meer aandoen, maar alleen, dat ze ons niet overwinnen. Want zolang wij in deze kerker van ons lichaam opgesloten leven, zullen in ons de overblijfselen van de zonde wonen; maar als wij de belofte, in de doop door God ons gegeven, door het geloof vasthouden, zullen ze niet regeren, noch heerschappij voeren.'
Doopbelofte en geloof
Wat voor de sacramenten in het algemeen geldt, is uiteraard ook van toepassing voor de doop: de doopbelofte kan alleen in het geloof ontvangen worden. Telkenmale onderstreept Calvijn deze onlosmakelijke relatie van doopbelofte en geloof Het geloof is onmisbaar om de weldaden van de doop weterkelijk te ontvangen. Wanneer wij niet geloven, ontgaat ons de zegen van dit sacrament. Alleen als wij de aangeboden beloften niet 'onvruchtbaar maken' door ze te versmaden, worden wij met Christus bekleed en met Zijn Geest begiftigd. Ongeloof is een teken van grove ondankbaarheid. Dan staan wij schuldig tegenover God vanwege het niet omhelzen van de beloften. In zijn commentaar op 1 Cor. 1 : 13 noemt Calvijn de doop daarom 'het handschrift van een wederkerig verbond'. Hij bedoelt daarmee te zeggen: Zoals God ons bij de doop in Zijn huisgezin heeft opgenomen, zo verbinden wij ons geloof en onze trouw aan Hem en willen wij voortaan geen geestelijke Heere hebben dan Hem alleen. In het verbond dat God met ons opricht, belooft Hij van Zijn kant vergeving der zonden en een nieuw leven; wij van onze kant beloven Hem eeuwige gehoorzaamheid. De belofte die van ons bij de doop gevraagd wordt, noemt Calvijn een 'eed van de geestelijke oorlogsvoering', waardoor wij eens en voorgoed in de krijgsdienst van Koning Jezus zijn opgenomen.
Achillespees?
Doopbelofte en geloof zijn niet van elkaar te scheiden. Met deze voorstelling van zaken roept Calvijn echter wel een klemmende vraag op. De Dopers althans meenden hier de achillespees van Calvijns doopleer gevonden te hebben. Hoe kan men immers kinderen dopen, van wie nog geen geloof in de belofte gevraagd kan worden? Calvijn verdedigt zich tegenover deze aantijging door te stellen, dat de kracht van de belofte niet gebonden is aan het moment van de doop, maar ook daarna nog geldt. Het gaat niet om het ogenblik waarin God ons daadwerkelijk doet delen in het beloofde heil, maar om het vertrouwen dat Hij zulks doen kan en wil. Men mag het nut van het sacrament niet beperken tot de tijd en het moment waarop het wordt toegediend. Want hen die in hun prille jeugd gedoopt zijn, doet God in de kinderjaren of bij het begin van de volwassenheid, soms ook pas als zij oud geworden zijn, wederomgeboren worden. Omdat de belofte die in de doop vervat ligt altijd van kracht blijft, strekt het nut van dit sacrament zich uit over het hele leven van een mens. God handhaaft Zijn toezegging, en daarom is het geen enkel bezwaar, dat het geloof van de kinderen niet voorafgaat, maar volgt op de bediening van de doop. Enkele sprekende citaten illustreren Calvijns gedachtengang in dit opzicht. In de laatste uitgave van de Institutie gaat hij een uitvoerig en indringend gesprek aan met de Dopers. 'Nu vragen onze opponenten ons wat voor geloof wij wel hadden, de jaren na onze doop. Dit doen zij om de ongeldigheid van onze doop te bewijzen, omdat deze alleen aan ons geheiligd wordt als het belofte-woord in geloof wordt ontvangen. Op dit probleem antwoorden wij, dat we inderdaad, blind en ongelovig als we waren, lange tijd de belofte die ons in de doop gegeven was niet aangrepen; maar dat toch de belofte zelf, omdat ze van God was, altijd vast, krachtig en waarachtig is gebleven.
Ook al waren alle mensen leugenachtig en trouweloos, God blijft toch betrouwbaar. Wij erkennen dus, dat de doop ons in die tijd niet in het minst baatte, aangezien de belofte die ons in de doop werd aangeboden en zonder welke de doop niets is, veronachtzaamd daar lag. Maar nu, nu wij door Gods genade begonnen zijn ons te bekeren, klagen wij onze blindheid en hardheid des harten aan, daar wij tegenover zo'n grote goedheid van God zolang ondankbaar zijn geweest. Verder geloven wij niet dat de belofte zelf verdwenen is. Veleer overwegen wdj, dat God ons door de doop vergeving der zonden belooft en dat Hij zonder tvrijfel de beloofde vergeving zal schenken aan allen die geloven. Die belofte is ons in de doop aangeboden, laat ons haar daarom in geloof omhelzen. Door ongeloof is zij voor ons wel lange tijd begraven geweest, laat ons haar nu door het geloof aanvaarden'.
Calvijn verwijt de Dopers niet alleen, dat zij de kleine kinderen de verbondsbeloften ontzeggen, zij miskennen ook de roeping die de ouders hebben met betrekking tot de doopbelofte. 'Alsof bij de belofte der zaligheid tot in duizenden geslachten de vaders van de kinderen niet de tussenpersonen zijn, wier opdracht het is de door God ontvangen belofte door overlevering hun bekend te maken.' God wil dat de ouders hun kinderen aangaande de doopbelofte onderwijzen, opdat zij in de weg van de opvoeding die belofte in geloof leren beamen. (wordt vervolgd)
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's