De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De heerlijkmaking (7)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heerlijkmaking (7)

10 minuten leestijd

In het vorige artikel merkte ik op, dat er sommigen zijn die in de mening verkeren, dat er na de dood nog een uitgebreide bekeringsmogelijkheid bestaat, die haar beslag krijgt in de zaligheid van de laatste zondaar en de wederherstelling van alle dingen. Er is volgens de voorstanders hiervan dus geen eeuwige straf. Bij de dood van de mens valt niet de beslissing over eeuwig wel òf eeuwig wee. Voor deze gedachte beroept men zich op het feit, dat het woord 'eeuwig' in de Bijbel niet altijd 'eindeloos' betekent òf ook wel dat er in de Schrift gesproken wordt over het feit dat alle mensen zalig worden en dat alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is. Staat er bovendien in 2 Petrus 3 : 9 niet geschreven, dat God wil, dat allen tot bekering komen? Wat hier wordt aangevoerd is intussen de moeite waard om dat met elkaar een ogenblik na te gaan.

Eeuwig
Inderdaad betekent het woord 'eeuwig' in de Sch'rift niet altijd 'eindeloos'. Soms duidt het een heel lang tijdperk aan dat de mens met zijn denken niet kan bevatten, maar waaraan toch een einde komt. Als wij echter in Joh. 3 : 36 lezen dat hij die in de Zoon gelooft het eeuwige leven heeft én wanneer Hebreen 5 : 9 stelt: 'En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden', dan is in die verbanden de betekenis van het woord 'eeuwig' wel 'eindeloos'. Zoals God eeuwig en Christus eeuwig worden genoemd, zo is ook het leven en de zaligheid eeuwig. En als dan de zaligheid vreugde zonder einde is, zou dan de keerzijde, de plaats van het verderf, de rampzaligheid wel een einde kennen? Hiervoor wordt in de Schrift geen enkele aanwijzing gevonden. Bij het heengaan verwerft een kind des Heeren eeuwige zaligheid, maar een goddeloze eeuwige rampzaligheid.

Alle(n)
Ten opzichte van het woord 'alle' en een uitdrukking als 'de gehele wereld' zij slechts deze opmerking gemaakt, dat deze woorden in de Bijbel nooit kunnen betekenen: ieder mens, hoofd voor hoofd, maar òf aanduiden allerlei mensen, òf de nieuwe mensheid in haar oganisch geheel, òf alle bepaalde mensen nl. die in Christus zijn, òf de wereld, zoals zij als Zijn scheppingswerk uit Gods handen is voortgekomen. De woorden 'alle' en 'de gehele wereld' zullen daarom altijd gelezen moeten worden in het verband waarin dat gezegd wordt. De tekst zelf, maar ook het kader waarin deze staat geeft het antwoord op de vraag wat de betekenis van deze woorden is.
Zonder versluierend te spreken zegt b.v. Paulus in 1 Korinthe 16, dat eenieder, die de Heere Jezus niet kent, een vervloeking is. Hieruit blijkt onder meer, dat niet allen zalig worden, maar dat alleen zij de eeuwige zaligheid zullen ingaan die Christus door een oprecht geloof zijn ingelijfd. Anders gezegd: Hem door het geloof kennen. En wil het woord 'vervloeking' niet zeggen, dat er buiten de kennis van Jezus geen eeuwig leven is, doch een eeuwig zoals verdef?
In 2 Petrus 3 : 9 lezen wij: 'De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen'. Wat zou met die 'allen' hier anders zijn bedoeld dan allerlei soorten mensen, klein en groot, jong en oud, een hoge positie in de maatschappij bekledend of een lage plaats daarin innemend? Ja, wie zouden onder dit woord 'allen' anders moeten worden begrepen dan de uitverkorenen? De Heere spreekt Zichzelf toch niet tegen door op de ene plaats de onbekeerden het oordeel aan te zeggen en op een andere plaats zó de boodschap te laten uitgaan alsof er geen oordeel is?
Wanneer ik dit op deze wijze stel als ik hierboven heb gedaan, ontkomen wij natuurlijk niet aan de vraag, hoe het dan zit met Filippenzen 2 : 10 en 11. Daarin staat toch wel heel duidelijk te lezen, dat alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders. Inderdaad staat er dit met ronde woorden geschreven en wij laten dit ook helemaal staan. Wij moeten echter niet vergeten, dat niet alleen de ware christgelovigen dit zullen belijden, maar ook zij die de Zoon ongehoorzaam zijn geweest. Laatstgenoemden zullen deze belijdenis doen niet-tot-zaligheid. Door duivelen en door verlorenen zal in de dag der dagen, maar ook in de eeuwige verlorenheid erkend moeten worden: Hij is het toch! Déze die wij verworpen hebben is toch Jezus de Kurios (de Heere). In die zin zal dus ook door de duivelen en de verlorenen Zijn heerlijke Naam worden uitgeroepen, doch door hen niet in de plaats der eeuwige vreugde, maar in die van de eeuwige smart.
Uit heel de Schrift is derhalve wel op te maken, dat er onderscheid wordt gemaakt tussen hen die de Heere vrezen en hen die dit niet doen. Dat heeft gevolgen voor dit leven, maar niet minder voor het toekomende leven. Het maakt immers nog wel enig verschil of men de heerlijke naam van Jezus zal belijden in de hemel óf in de hel. Voor eeuwig in de gemeenschap met God òf voor altijd buiten Zijn gemeenschap. Kortom: een eeuwig wel òf een eeuwig wee wordt direkt beslist bij het sterven. Over een uitgebreide bekeringsmogelijkheid zoals ik hierboven aanduidde lezen wij in de Bijbel niets!

Gemeenschap tussen hemel en aarde
Er is meer tussen hemel en aarde dan wij wel weten, zo hoor ik iemand zeggen. Ik zal dat niet betwisten. Wel zeg ik met nadruk, dat er van een gemeenschap tussen de strijdende kerk en de triomferende kerk in de Heilige Schrift geen sprake is. Ik schrijf dit eigenlijk met enige opzet. Ik ontving namelijk van een lezeres van ons blad een schrijven waarin zij vertelde, dat zij ooit eens een wonderlijke ontmoeting heeft gehad. Zij had namelijk iemand ontmoet die van haar godzalige moeder uit de hemel een versje had gekregen. Toen zij deze vrouw eens thuis bezocht, hoorde zij haar zelfs tot de hemel zeggen: 'o moedertje, o lief moedertje'. Het was – zo schrijft onze lezeres – alsof er een lijfelijk contact was tussen die vrouw en haar godzalige moeder, tussen de hemel en de aarde. Hiervan lezen wij in heel de Schrift evenwel niets. Ik zou zelfs tegen dit soort hallucinaties ernstig willen waarschuwen. In het geloof is er wel contact met de levende Christus, gewerkt vanuit het Woord door de Geest, maar niet tussen de levenden op aarde en gezaligden in de hemel. Hiermee zeg ik niet dat er niet een verlangen kan zijn om daar te mogen wezen waarheen een geliefde moeder, man of vrouw ons is voorgegaan. Toch moet dat verlangen niet het allesbeheersende zijn. Ons allesbeheersende verlangen moet Christus zijn zoals Paulus dat zegt: Ik wenste wel ontbonden te zijn en altijd met Christus te zijn. Christus, de drieënige God, moet het allesbeheersende zijn in het geloofsleven. En geloof dan maar werkelijk niet, dat een godzalige moeder vanuit de hemel een versje geeft! Wij kunnen ons iets dergelijks wel inbeelden èn misschien zelfs ook graag willen, maar dan halen wij iets naar ons toe dat er niet is. Maar vooral: het is niet op het Woord gegrond. Wij mogen geestelijk zijn, maar voor overgeestelijkheid moeten wij bewaard worden. En ik denk, dat wij voor overgeestelijkheid bewaard blijven als wij ons tot op de naad en de draad houden aan het Woord. Duidelijk houdt de Schrift ons voor, dat de dood een algehele breuk slaat tussen de twee werelden aan gene zijde en aan deze zijde van het graf (Prediker 9 : 5 en 6 en Job 14 : 21). Er is geen overgang mogelijk van de ene wereld in de andere. Ook kan men niet zeggen, dat er een lichamelijke betrekking òf communicatie is tussen de gezaligden en de bewoners hier op aarde.
Zelfs wat dit laatste betreft niet tussen de strijdende en de triomferende kerk. Ook zullen wij in dit geval niet moeten denken aan de gelijkenis van de arme Lazarus. Want in die gelijkenis gaat het om andere dingen. Zeker niet in de eerste plaats om een communictie tussen de hemel en de aarde. Immers die rijke man is na zijn dood in de hel (hàdes) en niet op de aarde.
Maar zo vraag ik: is er dan helemaal geen gemeenschap tussen de strijdende en de triomferende kerk? Die is er zéker! Maar let wel: het is een geestelijke gemeenschap die soms op een bijzondere wijze ervaren kan worden als de strijdende kerk het Heilig Avondmaal viert. Dan ervaart zij als het ware een mystieke band met allen die haar zijn voorgegaan naar het Vaderhuis met zijn vele woningen. Nu weet ik ook wel, dat het woord 'mystiek' een belast woord is. Men kan er inderdaad alle kanten mee uitgaan. Maar een mystieke band juist in dit geval behoeft niet te betekenen dat het 'ziekelijk' is. Er is naar ik meen ook een gezonde Bijbelse mystiek die de grenzen van het Woord niet overschrijdt. Echter als men niet wil spreken over een mystieke band, laat men dan vasthouden aan die geestelijke gemeenschap.
Deze band is er en kan niet verloochend worden, maar hij bestaat in de unie(eenheid) in Jezus Christus, het Hoofd van de gehele kerk d.i. van de triomferende en de strijdende kerk, en zelfs van die kerk die nog in de schoot der toekomst verborgen ligt d.w.z. van allen die nog geboren moeten worden en tot kennis der waarheid zullen komen.
De drieënige God ontvangt aanbidding en lofprijzing van de kerk hierboven en hierbeneden. En dat in Hem, Christus, Die Zijn Kerk in de lofzang is voorgegaan, zelfs toen Hij op weg was naar Gethsémané.
Ik schreef dat deze geestelijke gemeenschap kan worden ondervonden aan het Heilig Avondmaal. Toch moeten wij het niet alleen daartoe beperken. Deze gemeenschap kan ook beoefend worden in onze gedachtenis van de rechtvaardigen, die in Jezus ontslapen zijn. Zelfs in het gedenken van de voorgangers die de Heere als een middel heeft willen gebruiken om ons naar Hem te leiden. Ik kom het in het pastoraat wel tegen, dat mensen, godvrezende mensen met dankbaarheid gedenken aan één of andere predikant die voor hen tot grote zegen gesteld mocht worden. Soms hebben zij zelfs wel een foto van de man in hun bezit. Dat kan natuurlijk iets gevaarlijks in zich hebben doordat wij de man teveel eer geven. Mensverheerlijking dient ons wars te zijn. Maar een foto van één die ons lief is geworden om des Woords wille behoeft echt niet altijd verkeerd te zijn. Het kan voor ons ook een dankbare herinnering zijn aan degene in wie de Heere ons zoveel heeft willen geven. Wij moeten daarom ook niet achter zo'n foto die aan de wand hangt òf op een kast prijkt altijd mensverheerlijking zoeken. Hierin kan zéker iets goeds zitten.
Ook is er een geestelijke gemeenschap met de voorgangers – om die nog eens te noemen – wanneer hun wandel en hun werk wordt nagevolgd. En niet minder, wanneer de strijd wordt voortgezet, die zij hebben gevoerd, waarvan wij hopen die strijd eenmaal te boven te komen. Immers, het diepste verlangen van de strijdende kerk is om toch dáár te zijn wáár de Heere is teneinde Hem volmaakt en volkomen te loven en te prijzen. Niet minder kent de strijdende kerk de hoop om hen weer te zien die in de Heere gestorven zijn. Wel moet ik nagaan of deze hoop legitiem is en òf daarorn op grond van het Woord iets meer gezegd kan worden dan tot nu toe is gedaan. De vraag is: vindt de hoop op het weerzien steun in de Heilige Schrift en zo ja, mag het dan een plaats hebben in het leven van Gods kind hier op aarde?

Herkenning
Zal er een herkenning zijn van elkaar in de eeuwige vreugde? In de geschiedenis van de christelijke kerk is hierop doorgaans een bevestigend antwoord gegeven. Alvorens tot de Schriftgegevens te komen, wil ik in een volgend artikel daarop toch nog iets nader ingaan.
(Wordt vervolgd)

G. S. A. de Knegt, P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De heerlijkmaking (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's