Meditatie
Jes. 53 v. 6b 'Doch de Heere heeft onze aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
In het lijden van de Knecht des Heeren schuilt een diep geheim. In de loop der jaren heeft men er vaak deze verklaring aan gegeven, dat Hij als een martelaar aan het kruis gestorven zou zijn. Hij kwam tot de mensen met de eis en de betoning van bijzondere liefde, Hij kwam op voor het recht van de armen en verdrukten in maatschappelijk opzicht. Als zodanig deed Hij een bijzonder beroep op het geweten van de mensen. Maar zo was Hij niet gewild bij de rijken, de machthebbers en godsdienstige leiders van Israël. Dat liep uit op zijn kruisdood.
Naar de Schrift heeft Zijn lijden een veel diepere betekenis. Die blijft voor ons natuurlijk verstand een onbegrepen en onaanvaardbaar geheim, maar is voor het geloof een aanbiddelijk wonder. In onze tekst brengt de profeet dit weer onder woorden: 'De Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen'.
Ongerechtigheid! Zo worden hier onze zonden, in ons hart en in onze handel en wandel aangeduid. In het oorspronkelijke woord, hier door de profeet gebruikt, zit de gedachte van afdwalen van de Heere en de door Hem gewilde wegen, gaan op zelfgekozen wegen. Vlak tevoren gaat het over dwalende schapen, die wegzwerven, ieder op 'eigen weg'. Wij, zo belijdt de profeet, bleven niet bij de Herder. Wij keerden Hem de rug toe en dwalen al verder van Hem weg. En verdwalen voor eeuwig. Het oorspronkelijke woord duidt onze zonde ook aan als schuld, die roept om straf De schapen dwalen af in onbedachtzaamheid en domheid. Bij óns wegdwalen van de Heere spelen eveneens onbedachtzaamheid en geestelijke blindheid een rol, maar ten diepste is dit onze schuld. Tegen beter weten in, met opzet. Zo lag dit onder Israël, zo ligt dit bij ons. En hoe ernstig is het rechtvaardig oordeel dat op ons rust vanwege ons schuldig dwalen en onze ongerechtigheid.
Nu werpt onze tekst weer een bijzonder licht over het lijden van de Knecht des Heeren en over het plaatsverkledende karakter daarvan. De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Wat hier in het oorspronkelijke staat mag ons doen denken aan een onweersbui, die boven iemands hoofd losbarst, of – nog beter – aan een machtige stroom of watervloed, die komt aanstormen en alles op haar weg meesleurt.
Onze ongerechtigheid en het oordeel daarover, zijn als zo'n stroom. Wij zelf joegen ze hoog op en nu komt het op ons af stormen om tegen ons en over ons heen te slaan en ons reddeloos mee te sleuren. Waarheen? Toch naar de afgrond van de eeuwige dood!
Echter nu is dit weer het geheim van het lijden van de Knecht des Heeren, dat onze God in Zijn genade die stroom heeft omgelegd en deed aanstormen op die Knecht, al die golven zijn over Diens hoofd heengegaan! En Hij is daaronder heergezonken in voor ons onfeilbare diepten.
In de tekst staat het er niet voor niets: de Heere deed dit! Hij openbaarde hierin Zijn geheel enige liefde tot glorie van Zijn Naam, tot redding van zondaren, die anders meegesleurd zouden worden door die stroom. Deze liefde ging haar geheel enige weg, waarop ook aan Zijn heilig recht werd voldaan, en alzo de straf op onze ongerechtigheid Christus trof als de plaatsbekledende Borg. Zelf wilde Hij op die plaats gaan staan, eveneens uit liefde voor de eer van Zijn Vader en voor het behoud van hen in wier plaats Hij wilde gaan staan. Zo kwam, de 'stroom' op Hem afstormen en werd de vloek op Hem samengetrokken. Wat werd de hemel zwart boven Zijn kruis, toen Hij zelfs door de Vader verlaten werd!
Hij wist, dat geen mensenhanden, maar de heilige handen van Zijn Vader Hem dit aandeden. En hoe gewillig was Hij daaronder hoewel niet zonder felle bestrijding, opdat Zijn lijdensarbeid volkomen zou zijn. In dit alles was Hij niet slechts een voorbeeld van zachtmoedigheid en lijdzaamheid, van iemand, die als martelaar viel voor zijn miskende liefde en idealen. Het was alles veel meer, iets geheel enigs. Het volbrengen van dat heilig moeten van onze Borg, waarmee de Vader vrede had en waarin de rechtvaardiging en het behoud van schuldige zondaars gelegen zijn!
Dit wordt ons in de tekst in Gods Naam gepredikt, opdat wij zouden erkennen, dat ook ons hart en leven vol van ongerechtigheid is en wij de vergeving daarvoor en de verlossing daarvan voor alle dingen zouden zoeken, tot eer Gods en tot ons behoud.
De zonde maakt ons echter ook blind en ongelovig. Daarom kunnen wij als dwalende schapen zijn, maar wij onderkennen het erge daarvan niet, terwijl wij toch elk ogenblik door die machtige stroom kunnen meegesleurd worden. Wie heeft toch onze prediking geloofd?
Blinde, ongelovige mensen wil de Heere nog ziende, gelovend maken, door Zijn Woord en Geest! Dan wordt wat in de tekst van óns gezegd wordt door ons persoonlijk erkende en doorleefde werkelijkheid. Dan kunnen wij zo'n last krijgen van en verdriet over onze ongerechtigheid tegenover de Heere. En dit niet eens, doch nog zo vaak opnieuw. En dit niet zonder reden. Wij erkennen, dat het recht is, dat de stroom op ons aanstormt en dat het van onze kant onverdiend en onmogelijk is, dat dit niet zou gebeuren!
De Heere doet echter geen half werk. Zo zegt Hij zelf in onze tekst het nu ook, als een o zo waar en betrouwbaar evangelie, dat Hij onze ongerechtigheid op zijn Knecht liet aanlopen, de stroom afwendde op zijn Christus!
Opdat wij – en wat wil Hijzelf vooral dat ons leren door Zijn Woord en Geest – op die Knecht zouden zien! En tegen alles in, in een waarachtig geloof ons vertrouwen zouden stellen op het evangelie van onze tekst en zo op die Christus zelf en op het wonder geheim van Zijn lijden! Zo vinden wij in wat de Vader deed en in wat de Zoon onderging en volbracht de rust en vrede voor ons hart! Het w^onder blijft groot!
Vaak ontbreekt ons weer, om wat wij nog vinden bij onszelf, de vrijmoedigheid en vastheid van dit vertrouwen. Dit geloofsvertrouwen moet steeds weer gezocht en geschonken worden en alzo werkzaam zijn!
Zo zeggen wij het in aanbidding de profeet na: 'de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen! Nu vloeit een andere 'stroom' naar ons toe. Een stroom van zegeningen uit dezelfde handen des Heeren. De kwijtschelding van onze schuld, de vrijspraak van het oordeel, de verzoening met Hem, en de aanneming tot Zijn kinderen. Hét leven door voorspoed en tegenspoed, zelfs door de dood heen, tot in haar volmaaktheid, onder Zijn Vaderlijke ontferming! En dit behoort er zeker bij als de proef op de som, ook dit wordt realiteit in ons leven: ongerechtigen leren vragen naar wat récht is in Gods ogen, in ons hart en in onze handel en wandel. 'Een stroom van ongerechtigheden had d' overhand op mij, maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Gij!
J. v. d. Velden, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's