De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het natuurlijke en het geestelijke

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het natuurlijke en het geestelijke

14 minuten leestijd

Nette zonden
Schreven wij een vorig maal over gevaarlijke klippen voor christenen, het gezegde is daarmee niet uitgeput. Er zijn nog velerlei andere verleidingen voor christenen. Wij bedoelen ditmaal nu eens niet de zogenaamde vette verleidingen, waar de wereldse lust als vanzelf van afdruipt. ledere lezer weet wat wij daarmee bedoelen. Wij denken aan overspel, gierigheid, roddelzucht, mateloze eerzucht, verkwisting, de neiging anderen voortdurend de ogen uit te steken en zovele zonden meer. Dat zijn werkelijk geen poppenzonden, om met Luther te spreken. Deze zonden vertolken bijzonder de boze lust van ons hart, ook dan wanneer de genade in het mensenhart heeft intrede gedaan.
Er zijn evenwel ook andere zonden. Ze komen niet zo openbaar en aanmatigend voor de dag. Je zou ze 'nette' zonden kunnen noemen, omdat ze meestal vergezeld gaan van een ingetogen leven. Een weinig geoefend christen onderkent aanvankelijk niet de kwade wortel van deze zonden, omdat zijn oog gesloten is voor het wezenlijk karakter van deze overtredingen. Het doet soms zo vroom aan, het treedt zo gedisciplineerd voor ons op, maar desalniettemin op de bodem deugt het niet.

Natuurlijk en geestelijk
Wij lichten uit de poel van deze ongerechtigheden voor ditmaal één zulk een zonde uit. Wat zijn er velen die het geestelijke en het natuurlijke van elkander scheiden! Wij krijgen pas zicht op deze overtreding wanneer wij eerst een weinig peinzen over een diep woord, dat wij onlangs als een bladvulling onder aan een bladzijde van een oud boek lazen. Dat woord luidde aldus: wij moeten leren de geestelijke dingen op een natuurlijke wijze te doen en de natuurlijke dingen op geestelijke wijze. De schrijver bedoelde daarmee heel gewone dingen, die helaas zelden begrepen worden. Vertolken wij nu eerst zijn gedachten. Het geestelijke leven moet op eenvoudige, ongekunstelde manier bij ons naar buiten komen. Het spreken over de zondeval, de werken Gods, de verlossing in Christus, de toeëigening van , het werk van Christus, de openbaring van het nieuwe leven, dat alles geschiede uit de echtheid van ons hart en leven, zonder gezwollen en gemaakte stem.
Heel dat geestelijke leven doortrille ons innerlijk bestaan. En, wanneer het daar in oprechtheid is doorleefd en beleden, komt het er uit op de manier van onze persoonlijkheid. Soms in de streektaal, dan gekruid met ons volkseigene leven. Vaak bemerken wij ook hoe de bijbelheiligen ingaan in het vlees en bloed van het eigen leven. Wij hebben een gemeentelid gekend, die op zijn hofstee dikwijls praatte met een profeet als Mozes. Zo kwamen wij eens op bezoek bij hem en hoorden hem in de keuken al praten. Duidelijk verstaanbaar zei hij: 'Mozes, man, wat heb je het met die deugnieten van het volk daar in de woestijn toch moeilijk gehad'. Wij stonden nog achter de deur en hij wist niet dat wij er waren. Op onze lichte verwondering schoot zijn hart open en kwam alles er uit. Ja, dominee, zei hij, dat is daar niet alleen gebeurd. Het gebeurt nog elke dag. Zo beleef ik dat in de Bijbel. Aan deze boerenman was niets gemaakts en onechts. Hij leefde met het eeuwige Woord. Het Woord was als een zaad in zijn ziel geschoten en had zijn gehele leven stralend veranderd. Geen wonder, dat deze man onmiddellijk doorhad al wat aan gezwollenheid en gemaaktheid een groot vertoon liet zien. Echt geestelijk leven der genade, – zo was zijn woord – kiest natuurlijke vormen van spreken en doen. Wég met al dat onnatuurlijke op kerkerf en kansel. 'Vort' met al dat opgedirkte gedoe ook rondom. Hij ergerde zich gruwelijk aan overdreven lange preken, onechte kanseltaal, rhetorische termen. Nog horen wij het hem zeggen: 'Allemaal turfmolm, allemaal turfmolm. Prik je erin, dominee, dan loopt de band leeg. Het zijn opgepompte mirakels'. Natuurlijk, zijn taal was kras, maar zijn woord waar. Als het geestelijk leven waarheid is, neemt het oprechte vormen te baat om zich te openbaren.

Echtheid
Maar ook het omgekeerde is waar. Wij gaan evenzeer de natuurlijke dingen doen op geestelijke wijze. Marrie heette ze en ze woonde onder aan een dijkstoep in een klein huis. Ze had haar ouders aan het eind gebracht en nu genoot ze ouderdomspensioen. Ze was één van die zonnige christinnen, die bijna nog in iedere gemeente wonen. Ze houden van heldere, goed gestreken gordijnen, ze hanteren menig keer stoffer en blik, het pad naar de voordeur is nooit vuil, de bril ligt altijd op tafel met de Schrift, het ruikt er altijd fris, soms spint er een poes, en er is altijd sfeer. Er is geen rijkdom, maar ook geen armoede. Je hebt er altijd een zinvol gesprek. Zo ging het eens een keer over haar lichaamsgebrek: een kreupel been. Met een diep verwerkingsvermogen zei ze tegen ons: ik ben een mens, eigenlijk met één been en dat heeft de Heere zo gedaan. Want ik heb de Heere nodig om boodschappen te doen. Het is voor mij heel wat om tegen de dijkstoep op te wandelen. Daar doe ik altijd een schietgebedje voor. En zo is het met alles. Ook mijn kerkgang, dominee, is een zware gang. Ze wees naar het kreupele been. Nee, ik zweef niet met vleugels over al die moeite heen. Mijn gehele leven op aarde is één worstelen en strijden. Maar – zei ze – en haar ogen lichtten schier bovenaards op: ik heb een sterke Held, die mij als Marrie Eénbeen in de wereld heeft gelaten, maar mij gedragen heeft door Zijn eeuwige kracht. Wij konden met moeite een lach onderdrukken, maar die warme trek van overgave op haar gezicht meldde ons: ze had het natuurlijke op geestelijke wijze verwerkt.

Ongekunsteldheid
Dat nu is de hoofdzaak: ongekunsteldheid in geloofszaken en geloofsmatigheid in de dingen van de dag. Het hemelse leven doordringt het aardse leven en het aardse leven wordt met hemelse geur vervuld. Wij vermoeden, dat zulks nog altijd wel iets bijzonders blijven zal en toch zijn wij van mening, dat de apostel dat bedoelt, wanneer hij zegt: bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Paulus vermaant hier: weest hemelsgezind. De dwaalleraars zochten heil in de uiterlijke vermijding van sommige aardse dingen. Paulus daarentegen eiste een aflegging van de aardse zin zelf, die tot keerzijde een zoeken en bedenken van het hemelse had. Maar dit sloot geen onverschilligheid tegenover de aardse dingen in zich. Dit alleen lag er in opgesloten, dat de behartiging van de aardse belangen niet in een wereldse, maar in een hemelse zin geschieden zou. Paulus zelf geeft hiervan het voorbeeld; hij weet overvloed te hebben, maar zijn overvloed weet hij ook te gebruiken ter ere Gods. Hij gaat niet ledig, maar arbeidt met de handen en kant zich tegen hen, die de arbeid staken, om zich uitsluitend bezig te houden met het heilige. Zijn brieven dienen tot bewijs dat de kleinste aangelegenheden van het aardse leven binnen zijn gezichtskring liggen en door hem niet te gering worden geacht, om ze tot voorwerp van een bijzonder geestelijke behandeling te stellen. Van hem is het woord: al wat lieflijk is, al wat wèl luidt, bedenkt dat. De aarde is voor hem een spiegel van Gods deugden. Wat Paulus wil – liever wat God wil, het is dit, dat de aardse dingen ons niet omstrikken, zodat wij hun slaven zouden zijn, maar dat wij, als kinderen des hemels, het aardse aan de Heere toewijden en er zo een geest inbrengen, die niet van beneden, maar van boven is. Op die geest wachten trouwens alle dingen. Naar wijding zoekt het ganse schepsel. De hemel laat de aarde dan ook niet los; men hoort hierboven het zuchten van alle schepselen en geeft in het Evangelie het antwoord, dat de wijding van alle dingen aankondigt. Welnu, de heiligen hierboven kunnen aan de wijding vooralsnog niet deelnemen. Maar u, wanneer u nog op de aarde gelaten bent, u moet er een aanwijzing in zien, om uw eigen levenskring alvast Gode op te dragen.

Tweespalt
Nu zijn er helaas vele christenen, die het geestelijke en natuurlijke van elkaar scheiden. Eigenlijk leven ze twee levens. Eén leven, dat God tot middelpunt heeft en één, dat de wereld tot centrum bezit. Het godsdienstige leven doordringt daar het natuurlijk niet. Men is tevreden als men in aaardse zaken rechtvaardig en trouw handelt en met enige matigheid geniet. Maar men komt er niet toe om alles, tot eten en drinken toe, ter ere Gods te doen en van heel het leven één godsdienst te maken. Zijn dogmatiek ontleent men aan de Schrift, zijn moraal aan de wereld. Men is eigenlijk een verfijnd deïst geworden. Een deïst nu is een mens, die God buiten het alledaagse leven sluit, als iets dat voor Hem te gering is en ongeschikt om geheiligd te worden. Ge ziet menigkeer in de gemeente dat de godsdienst uitsluitend of voornamelijk als een zaak van het verstand wordt beschouwd. Daarlaat zich spoedig de macht van het zuiver begrip gevoelen. Het is die richting, welke het zuiver geloofsbegrip boven alles waardeert, zelfs ten koste van het geestelijk leven en de persoonlijke opvatting der waarheid met de waarheid zelf verward. Het zou kunnen zijn dat de prediking te veel voedsel gegeven heeft aan de waan, als hadden het heilige en het natuurlijke eigenlijk weinig of niets met elkaar uit te staan. Er werd dan in de prediking teveel gezwegen over de heiliging van het natuurlijke leven.
Men ziet dan soms ook vreemd op, als hoorde men een nieuwe leer, indien de prediking heel het gebied van het leven voor de Heere opeist. Men kan zozeer in het ijveren voor de rechte leer opgaan, dat het rechte leven alle aandacht verliest. Daarvandaan komt die merkwaardige tweespalt in kringen van de gereformeerde gezindte. Een onkreukbare, voorbeeldige leer, maar daarnaast een slordig leven, dat met de grootste gemoedsrust samengaat.
Wordt soms met wijsheid en evenwicht gewezen op de noodzakelijkheid dat toch ook het leven gericht wordt naar Gods heilige wet, terstond is men een wetsdrijver geacht. Het antinomianisme is hier populair. Onder deze naam wordt, in de meest algemene zin, aangeduid de gedachte, dat de wet der zeden door het Evangelie is te niet gedaan en dat de gelovige niet gehouden is tot het doen van goede werken. In beginsel stelt het antinomianisme zich tegenover de heiligmaking. Er kan worden gesteld dat juist de gereformeerde leer op het punt van de heiligmaking veel minder aanhang vindt dan ten aanzien van de rechtvaardigmaking. Wij moeten ons misschien nauwkeuriger uitdrukken. Op het punt van het nauwgezette leven kan er misschien in overigens zeer rechtzinnige kringen veel te veel mee dóór, wat men elders niet zou toelaten.

God het centrum
Toch gaat de Schrift er ons in vóór, dat ook het gewone leven van iedere dag onder de aanspraak Gods ligt. De Schrift vraagt de overheid te eren. Het huwelijk zuiver te houden. In geldzaken eerlijk te zijn. Gehoorzaamheid te betrachten aan vader en moeder. Onze liefde tot allen moet wortelen in het geloof dat de mens van Gods geslacht is. Wij moeten met alle mensen samenstemmen in God. Dat is het ideaal. Maar is het niet merkwaardig, dat het mogelijk is een zeer rechtzinnige preek te horen; alle stukken der leer worden zuiver vertolkt, maar toch staat de prediking soms buiten het leven. Het kan inderdaad gebeuren, dat de kansel medeschuldig is aan de onttrekking van het dagelijks leven aan God. Men legt dan alle nadruk op het leerstuk, maar men vergeet het leven. Het aardse leven zal ons ontheiligen, wanneer wij het niet heiligen. De waarde van alle dingen ligt alleen in de Heere. Hij is het middelpunt van alles. In zichzelf zijn de aardse dingen ijdel en leeg. Dat heeft de apostel zeer goed begrepen wanneer hij aan de Korinthiërs schrijft: hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter ere Gods. Handel in alles, ook in de dingen, die op zichzelf met de vraag naar wat goed of kwaad is niets te maken hebben, zó dat uw God wegens uw doen geprezen wordt. Dat is de enekant van de zaak. De andere zijde geeft ons Paulus te zien in de woorden: weest zonder aanstoot te geven, en de Joden en de Grieken en de gemeente Gods. De christen moet zorg dragen alles te vermijden, wat hen, die buiten zijn, verhinderen zou om binnen te komen en hun die binnen zijn, aanleiding kon geven om te breken met de gemeente. Wij zeiden zoëven: in zichzelf zijn de aardse dingen ijdel en leeg. Wezenlijk voordeel werpen zij alleen maar voor ons af, wanneer wij ze tot eer van God gebruiken. Dat is wezenlijk noodzakelijk. Als wij hiervoor blind zijn en de dingen op zichzelf gaan stellen, beginnen zij in onze schatting waarde naast God te verkrijgen. Wij oordelen dan dat wij God nodig hebben om getroost te sterven, maar de dingen dezer wereld om getroost te leven. Als de aardse dingen ons niet tot God opleiden, trekken zij ons van Hem af. Zij worden ons tot afgoden, die wij naast Hem dienen.

Tegenstand
In een periode, waarin het christendom beslag legt op de geesten van de grote massa is het dan ook niet zo moeilijk om christen te zijn. In een dorp of kleine stad waarin het christelijk leven nog tot de goede toon behoort, zal een jong christen de algemene opinie mee hebben. Hoewel, echt christen zijn komt ook dáár neer op een eenzame positiekeuze. Er is en blijft nog immer zoveel mode-christendom.
Vermoedelijk gaan wij steeds meer andere tijden tegemoet. Wij zien steeds meer een verscherping van de posities. Bij het eerste christendom stond de gemeenschap der belijders tegenover de wereld. Bedriegen wij ons niet, dan komt die situatie meer en meer terug, althans in Europa. Daarom zal de algehele wijding van het aardse leven de jonge christen allicht in moeilijkheden brengen met de van God vervreemde wereld. Als wij de wereld niet liefhebben, zal de wereld ons evenmin liefhebben. Gelukt het haar niet om ons door vriendelijkheid voor zich te winnen, dan zal zij haar haat voor ons niet verbergen. Jonge christenen moeten daarop worden voorbereid. Er is in deze eeuw een opkomend onweer van haat tegen het heilige. Daarom zou het niet vreemd zijn, als de geschiedenis van de kerk der toekomst, evenals die van de kerk achter ons, weer met bloed werd geschreven. Men denke dan aan Jezus' Woord, zo iemand zijn leven niet haat, hij kan mijn discipel niet zijn. Altijd blijft hier beneden de strijd. Het natuurlijke en het geestelijke moeten elkaar wederkerig doordringen, wie daarin vordert, wordt een rijp christen. Gevorderd in zelfkennis, mensenkennis en wereldkennis. Nooit vergeten wij die oude veluwse man. Wij zaten in de voorkamer. De Bijbel lag op tafel. De kat lag op de rieten stoel. Uit de stal klonken geluiden van de koeien. Alles was verder stil rondom. Het gesprek ging over de geschiedenis van het dorp. De oude boerengeslachten. De predikanten, die er geweest waren. Het Woord, dat er was gebracht. En ineens zei hij: Eeuwenlang is het hier al licht. Gods Woord is gebracht. Er is onderwezen, huisbezoek gedaan, de weg gewezen. Wij kunnen echt niet zeggen, dat wij niet weten hoe het moet. O, wat zal het toch zijn, wanneer wij staan voor de troon. Op dringende vragen niet één antwoord te kunnen geven! Eeuwenlang licht, en toen zei hij met een diepe zucht: en toch nog zo donker! Dat is nu de strijd waarover de apostel Johannes spreekt van licht en duisternis. Beter dan ooit de professor op de universiteit de diepte van de kerkgeschiedenis had doorgelicht, had de oude man de diepten en de hoogten van zijn geboortedorp besproken. Wij fietsten die middag over de stille landweg naar huis. Diep in gedachten. De torenklok sloeg juist vijf uur. En ineens dachten wij aan het randschrift op de klok aangebracht: zo menigmaal gij hoort de heldere klokkenslag, gedenkt aandachtelijk aan uwen jongsten dag. O, wat zal het zijn in die dag als alles baden zal in het eeuwige licht, en geen duisternis meer wezen zal. Daar is het natuurlijke en het geestelijke tot volmaakte harmonie gekomen.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het natuurlijke en het geestelijke

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's