De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prediking van bekering nodig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prediking van bekering nodig

13 minuten leestijd

Geschiedenis
Toen in de eerste eeuwen keizer Constantijn de christelijke kerk officiële vrijheid tot uitoefening van haar godsdienst verleende, betekende dat een zware verzoeking voor de kerk zelf. Tijdenlang had de staat de kerk vervolgd ten dode toe, nu kwam er wel een zeer grote vrijheid. De nieuwe verhouding tussen kerk en staat betekende voor de kerstening van het openbaar leven slechts weinig, maar des te groter schade had de kerk zelf, die maar al te gretig het oppertoezicht van de keizer in haar eigen zaken erkende in ruil voor gunst en aanzien. Vroeger was het christen-worden een daad van moed, nu werd het voor velen een zaak van berekening. De weg naar eer en hoge ambten ging niet meer langs het keizer-altaar maar langs het doopvont. De kerk wilde en kon de stroom van nieuwe leden niet weigeren, maar ze kon hen ook niet op slag bekeren. Integendeel: wanneer de wereld kerks wordt, wordt de kerk werelds. De grote menigte heette christelijk, maar was het niet; slechts in een kern, nu eens meer, dan minder groot, was het christelijk geloof aanwezig. Deze toestand duurt voort tot op heden.

Onheil
Als de gemeente zich uitbreidt, wordt uitzondering wat regel behoorde te wezen. Het ging de kerk aan de rivier gelijk, die wel aan breedte won, maar in de diepte verloor. De meeste leden van de kerk dienen God niet van hun kinderjaren af aan; integendeel, er openbaart zich vrij algemeen een onwil om God te dienen. Maar wij moeten er wel op letten, dat deze onwil om God te dienen zich niet bij allen bekendmaakt op dezelfde manier. Op het terrein van de genade heerst verscheidenheid, welnu, dat is ook het geval op het gebied van de zonde. Deze verscheidenheid kunnen wij herleiden tot de uiteenlopende naturen van de mensen, maar ook tot de verschillende mate, waarin zij gemeenschap hebben aan de algemene werkingen van de Heilige Geest.
Laten wij eens een algemene indeling maken om het voorstellingsvermogen te hulp te komen. Uiteraard onderscheiden wij niet in detail, maar alleen in enkele hoofdlijnen. Welnu, dat zijn er onder de kerkleden vooreerst geestelijk gevoellozen. Op het stuk van de dienst des Heeren zijn zij bepaald lusteloos. Alle zin voor het ware en heilige ontbreekt hun. Zij gevoelen de waarde er niet van. De hemel lokt hen niet aan, de hel verschrikt hen niet. Gedachteloos zitten ze onder de prediking van Gods Woord neer. Zij vervelen zich duidelijk in de kerk. Ze mogen het Woord niet, de prediking interesseert hen niet. Werden zij niet gedwongen naar de kerk te gaan, zij kwamen er nooit. Hoe verlangen zij naar de dag, waarop zij van deze dwang verlost zullen zijn! Alleen in de aardse dingen stellen zij belang, omdat zij uit de aarde aards zijn. Zij heffen hun ogen evenmin naar de hemel als het dier. Deze mensen zijn aan de harde weg gelijk, waar het zaad wel óp, maar niet ín valt. Geen lust aan 's Heeren wegen –dat is de grondstemming van hun hart. Het gebeurt in streng orthodoxe, kerkse gemeenten wel eens, dat de nieuwe wijken worden bewoond door jonge dorpelingen uit de oude geslachten. Het ontsteld dan wel eens, dat vrij gelijktijdig met de verhuizing naar de nieuwe wijk ook massaal het kerkelijke meeleven eindigt. Velen is dit reeds opgevallen. Het komt ons voor dat wij hier er een bewijs van zien, dat de onderlaag van die gemeenten toch niet zo degelijk was als menigeen vermoedde. De collectieve band der dorpsbewoners bijvoorbeeld behield bij de kerk, maar toen die wegviel, was het met het meeleven gedaan.

Meegaandheid
Het tegenovergestelde vindt men bij vele andere kerkleden. Zij zijn meegaand van aard, ontvankelijk voor indrukken. Ras bewogen. Een ernstige preek brengt de tranen tevoorschijn. Dan nemen zij zich voor om meer ernst met de dienst van God te maken. Maar de indrukken zijn niet blijvend. Andere indrukken nemen weldra hun plaats in en tot de uitvoering van die goede voornemens komt het helemaal niet. De lust wint het van de plicht. Tegen geen enkele verzoeking zijn ze bestand. Soms kunnen zij de stem van hun geweten niet tot zwijgen brengen. Dan proberen zij een verzoening te vinden tussen godsdienst en werelddienst. Zij nemen dan de uiterlijke plichten van de godsdienst waar, maar blijven in het geheim hun afgoden dienen. Soms echter laat God hen los. Dan vervallen zij tot openbare zonden. Zij gaan hierin wel verder dan de kinderen van deze wereld. Want het is hier ook waar: hoe sterker de dam is, die doorgebroken moet worden, met des te groter geweld stroomt het water door zijn scheur. Wij menen wel eens opgemerkt te hebben, dat deze kategorie van personen vaak bijzonder onder de ban leven van geldzonden, terwijl ook overtredingen van sexuele aard bij hen worden gevonden. Gedurende een groot deel van hun leven wankelen en kwakkelen ze heen en weer. Geven vaak zeer grote bedragen aan kerk en eredienst, maar ook ziet ge voor uw ogen tekenen van gierigheid en verkwisting. Het zijn natuurlijk zeer algemene opmerkingen die wij hier maken. Maar wanneer het hart geen vaste grond gevonden heeft in Christus, zoekt het elders houvast. Welnu, dan is met name het geld een toevlucht. Ook hoort daarbij het jagen naar een weelderig leven. Opvallende ernst voor rechtzinnigheid gaat hier menigmaal gepaard met een liberaal denken op de ondergrond. Blijft het heen en weer zwenken voortduren, dan eindigt het vaak in wereldzin en wereldlust. De innerlijke zuigkracht van geheime afgoden verhinderen een krachtige doorbraak van geloof en bekering.

Ernstige naturen
Er komen echter ook nog andere gevallen voor. Onder de kerkleden komen ook mensen voor van dieper en ernstiger natuur. Zij leven onder de indruk van de absolute noodzaak van bekering. Maar daarbij blijft het dan ook. Er overheerst bij hen een schadelijk misverstand. Van kindsbeen af hebben zij gehoord, dat een mens bekeerd moet worden, wil hij in de hemel komen. Omtrent die bekering zelf leven ze bij een eigenaardige voorstelling. Dat zij ook zelf zich bekeren moeten, bedenken zij niet. Trouwens, het blijkt menigmaal dat dit hun nooit is gezegd. Zij zijn opgegroeid met de gedachte dat de bekering hetzelfde is als de wedergeboorte, gezien als inplanting van het genadeleven. En zie, omdat het nu vermetel zou zijn om te zeggen: wederbaar uzelf, kan men.op dit standpunt ook niet zeggen: bekeer uzelf. Het is waar, dat de Schrift tot regel heeft om ons rechtstreeks tot bekering aan te sporen. Maar in dit opzicht liet men zich met door de Schrift onderwijzen. De ervaring leert, dat wij soms op bepaalde punten geheel langs het geopenbaarde Woord heenleven, hoezeer wij ook overigens er naar staan haar met alle ernst in praktijk te brengen. De vermaning tot bekering – néén, dat zou de indruk kunnen geven als verwachtte men enig vermogen ten goede in de mens. daarom deed men er maar het zwijgen toe de mens tot bekering aan te sporen. Het kweekte maar werkheilige mensen – zo zei eens in alle ernst iemand tot ons. De dominee moest maar niet teveel aandringen op de hoorders. Het kwam zonder hem ook wel in orde. Laten wij maar nederig hopen op vrije genade. Dat was de onderliggende gedachte. Geen wonder, dat menigeen in alle rust der ziel achter zijn onmacht zich ging verschuilen. Er kwam een soort noodlotshouding. Men gevoelde zich meer beklagenswaardig dan schuldig. Zo bleef men lijdelijk wachten, getroost door de hoop, dat men nog eens bekeerd worden zou. Een mens kon er zelf toch niets aan doen. Ja, nog sterker uitgedrukt: men zou er ook niet graag iets aan doen. Tevergeefs toch heeft men niet gehoord, dat alles wat een natuurlijk mens doet, verwerpelijk en schadelijk is. Men komt er bedrogen mee uit. Het veiligst is het om passief op genade te wachten. Dit levensbeeld kenmerkt tot op de huidige dag vele gemeenten uit onze gezindte, maar het is ook een kenmerk op godsdienstig gebied van geheel ons volk. Wordt men eenmaal bekeerd straks, zo kan men er te zekerder van zijn, dat men werkelijk bekeerd is.

Listig
Daarbij doet zich ook een listig element voor. Augustinus erkent, dat hij wel bad om bekering, maar nü nog niet. Dat verraadt, dat men eigenlijk een vreemde voorstelling van bekering heeft. Men ziet er eigenlijk tegenop. Er heerst de gedachte, dat na de bekering een vreugdeloos leven aanbreekt, een leven met louter zuchten en strijd. Er zweeft daarbij nog een ander gerucht door de gemeente. Bekering gaat voor velen gepaard met de gedachte van aan wanhoop grenzende angsten, die tijdens de bekering optreden. Waarom zou er dan bij ons de wens zijn zo vroeg mogelijk bekeerd te worden? Welneen, er leeft een stil verlangen maar zo laat mogelijk de bekering mee te maken.
Daartegenover hebben wij te maken met krachtiger naturen, die in plaats van passief af te wachten wat God doen zal, zelf aan het werk gaan. Zij vermijden de weg van verzoeking, nemen de middelen van genade waar. Ook is er bij hen het voortdurend gebed, dat het God behagen zal hen te bekeren. Maar hun verwachting wordt niet vervuld. Zij hebben gebeden om vergeving van zonden en om een nieuw hart, maar het antwoord bleef ten enenmale uit. Ze hadden zo gedacht, dat er wel een stem van boven kwam, een openbaring van bijzondere genade. Er zou, zo meenden ze, toch wel iets van binnen gaan gebeuren. Maar alles bleef bij het oude. Daarom gaven ze op de duur het bidden maar op. Toen kwamen ze in gevaar om ongelovig te worden. Dat gevaar heeft vooral zijn actualiteit in onze dagen. De geest van het ongeloof was vroeger vooral heersende in toonaangevende kringen. Dat is nú niet anders geworden, maar het ongeloof heerst nu óók in eenvoudige kringen van het volk en van de gemeente. Daarbij komt, dat het ongeloof een heimelijke bondgenoot heeft in de vleselijke aard van ons mensen. Wat de slang eenmaal aan de vrouw vroeg: is het wel waar, dat vraagt thans menigeen aan zichzelf.

Niet uitverkoren
Daar komt nog een gevaar bij. Velen, die zeer rechtzinnig zijn opgevoed, gaan tot zichzelf zeggen: als ik niet uitverkoren ben, helpt al mijn bidden toch volstrekt niets. Stel ik, dat ik wel uitverkoren ben, dan is mijn gebed volkomen overbodig. Het is in deze verzoekingen nog een zegen, als men aan de waarheid van de Schrift vasthouden blijft. Het ongeloof ligt ook dan aan de deur. Het gebeurt namelijk nogal eens, dat men wegglijdt met: de Bijbel is Gods Woord niet. Er is helemaal geen Woord van God. Er is géén God. Steeds verder valt men weg. We geven gehoor aan een dringende stem. Deze gedachte begint wortel te schieten. Dan versterft het gebed. De hemel wordt voor ons besef van koper; er is alleen maar de aarde. Arm aan antwoord als het graf onder mijn voeten, is de hemel boven mijn hoofd. Zo kan een groot aantal klagen. Let wel, het is nog gelukkig, wanneer u nog klaagt en niet in het ongeloof als het onvermijdelijke berust. Nog erger was het als men daar behagen in gaat scheppen, er roem op begint te dragen. Zonder tranen neemt men dan afscheid van een geloof, dat de mens niet loslaten kan zonder in de grootste grauwheid weg te zinken. Het behoeft echt geen nadruk, dat degenen wier beeld wij hier schetsen, het Woord moesten horen: bekeert u! Hier toch is bekering absoluut nodig. Het gaat niet aan alle kerkleden der gemeente als echt wedergeborenen aan te spreken. Je moet helaas ernstig rekening houden met velen, die hoewel op leeftijd gekomen, de vrucht der wedergeboorte niet voortbrengen. Wie anders zou doen en zou denken dat alle gemeenteleden echte gelovigen waren, zou de grootste zelfmisleiding in de hand werken.
Maar – men behoeft daarom hen, die nog geen vrucht der genade voortbrengen, nog niet op de lijst van onwedergeborenen te zetten. Laat toch het verborgene over aan God. Een andere zaak is evenwel, dat men de mensen wel moet zeggen, dat er geen reden bestaat om aan hun nieuwe leven te geloven zolang ze zich niet bekeren. Ziedaar dan, de verloren schapen tot wie de herder met alle ernst de oproep tot terugkeer mag laten horen. Wanhoop niet aan hun bekering. Eerst dán zou er reden zijn om de hoop op te geven, wanneer men het heilige haatte en lasterde omdat het heilig is. Zolang zij in deze poel niet weggezonken zijn, is er gelegenheid hen de reddende hand te reiken.

Wedergeboorte en bekering
Het zou niet te verwonderen zijn, als deze of gene aan het peinzen zou raken over het juiste onderscheid tussen en wedergeboorte en bekering. Daarom een enkel woord hierover. Wedergeboorte heeft éénmaal plaats in het leven van de mens, die een kind Gods wordt. Eénmaal zeker, ofschoon dan ook het juiste tijdstip, in de meeste gevallen, aan de waarneming ontsnapt. Bekering daarentegen is op de levensweg de doorgaande beantwoording aan de genadearbeid Gods. Zij begeleidt daarvan én de aanvang en de dóórbreking en de voortzetting. Bekering is de eerste eis, die tot de zondaar komt, en – bekering blijft van hem gevorderd, totdat er geen zonde meer zal zijn, waarvan men zich heeft af te keren. De juist onderscheiding tussen bekering en wedergeboorte is voor het christelijk leven niet zonder betekenis. Bij verwarring van beiden gaat men op bekering toepassen, wat alleen van wedergeboorte geldt. Zo gaat dan de mens wanen, reeds het onverliesbaar leven deelachtig te zijn, bij wie het nog niet verder kwam dan tot bekering, in de zin van acht geven op de voorlopige genade-arbeid. Daarnaast is een andere fout denkbaar. Men gaat uit van de onbedrieglijke waarheid, dat wedergeboorte eens voor altijd plaats heeft en nu gaat men uitsluitend terugzien op de tijd, die men de tijd van zijn toebrenging noemt, vergetende dat een dagelijks voortgezette arbeid der bekering de enig deugdelijke proef van de echtheid van die toebrenging is. Wedergeboorte is verborgen, is een werk van God in het diepste van het hart. Gestadige bekering daarentegen bewijst het eenmaal wedergeboren zijn, totdat, in het Vaderhuis Gods geen bekering meer nodig is. Daar toont het leven, dat bij de wedergeboorte ontstond, zich in zijn volle heerlijkheid. Voorzichtig aangeduid zou men het zo kunnen formuleren: Wedergeboorte is de genade van de levensvemieuwing, van Gods zijde gegeven, een gave van Hem. Zijn levensbeginsel. Bekering is de menselijke reactie op dat goddelijk werk. De wedergeboorte of vernieuwing van het hart openbaart zich in de bekering. Ook de wonderbaarlijke daad Gods van de levensvernieuwing maakt ons niet passief en lijdelijk. Altijd moeten wij op die daad antwoorden. Geen wonder derhalve, dat wie over bekering spreekt, daarmee telkens bedoelt de menselijke activiteit, die antwoord is op de goddelijke levensvonk der wedergeboorte.

Tweeëenheid
Wedergeboorte en bekering – een onlosmakelijke tweeëenheid. Het ontstaan van een klein kind in de moederschoot is een goddelijk geheim. Door de geboorte komt die baby op de wereld. En nu is de vertolking van dat leven gelegen in het schreien, drinken en bewegen van dat kindje. Leven wekt leven. Willen wij nu die mens aanspreken, dan moeten wij ons niet richten tot zijn goddelijke levensfactor, maar tot zijn menselijk levenselement. Je kunt tot een boer niet zeggen: máák een goede oogst. Dat is Gods geheim. Maar je kunt wel zeggen: bewerk de akkergrond met alle ijver, dat is zijn taak. En verwacht op uw arbeid Gods zegen!

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Prediking van bekering nodig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's