Hoe ver mag de kerk gaan?
Een belijdende kerk met belijdende leden
Een kerk, die erover beslissen moet met hoeveel stemmen tégen een besluit genomen mag worden inzake een boodschap over bepaalde (samenlevings)vragen, heeft in feite die boodschap al krachteloos gemaakt. Dat was mijn eerste reactie bij het lezen van die merkwaardige besluitvorming op de synode van de Gereformeerde Kerken, waar voorgesteld is dat een boodschap niet doorgaat wanneer meer dan vier personen tegen stemmen. Ook is aan de orde geweest dat er een meerderheid van tweederde op de synode gevonden moest worden, wilde een boodschap doorgaan. Het aantal tegenstemmers was kennelijk een kwestie van de beste bieder.
Nu moet het woord boodschap hier wel nader geconcretiseerd worden. De besluitvorming op de gereformeerde synode moet worden gezien tegen de achtergrond van de grote aantallen bezwaarschriften, die bij de synode zijn ingediend naar aanleiding van concrete uitspraken die in het verleden zijn gedaan, met name over de kwestie van de kruisraketten. Maar afgezien van de vraag om welke themata het gaat, een kerk maakt zich in haar spreken dunkt me absoluut ongeloofwaardig wanneer ze bij voorbaat in de besluitvorming inbouwt hoeveel leden van de synode tegen mogen zijn. Aan zulke leden kent men bij voorbaat meer gezag toe dan aan de meerderheid die vóór wil zijn. Die tegenstemmende leden krijgen een soort vetorecht. Ze kunnen de hele besluitvorming lamleggen. Aan hén is per uiterste consequentie de waarheid. Alsof in de kerk de waarheid bij stemmental wordt beslist. Wanneer een kerk spreekt zou ze eenparig moeten spreken; zou ze zó moeten kunnen spreken dat ze, hoewel met vrees en beven maar toch met ambtelijke volmacht zou kunnen zeggen: zo spreekt de Heere.
Intussen is de praktijk dat ook in de kerk vreemde insluipsels kunnen voorkomen, dat ook in synoden stemmen kunnen opklinken, die de waarheid in leugen veranderen. Dat kan zelfs voor een meerderheid van synodeleden gelden. Hebben we derhalve te maken met een verdeelde kerk – met een veredeld woord aangeduid als 'plurale kerk' – dan zegt het getalsmatige niets omtrent het Schriftmatige. De meerderheid kan zelfs ongelijk hebben.
Als dan nu de synode van de Gereformeerde Kerken beslist om vier leden de mogelijkheid te geven een besluit tegen te houden komt alle spreken uit het verleden, waarin met meerderheid van stemmen (maar met meer dan vier stemmen tegen) besloten werd, op losse schroeven te staan. Wat is dat spreken waard geweest? En als het dan gaat om een spreken naar overheid en volksvertegenwoordiging toe, wat is zulk spreken dan waard als men zeggen moet: we hebben het gehááld want er waren op de synode vier of minder dan vier tegenstemmers.
Er komt intussen in dit alles wel één groot probleem bij. Want er is niet alleen sprake van verdeeldheid binnen de kerken maar er is ook sprake van verdeeldheid van kerken en tussen de kerken. Wanneer de overheid een boodschap van de kerk ontvangt moet ze zich eerst afvragen van welke kerk. De ene kerk kan met een boodschap komen en er staan om zo te zeggen tegelijk 'minstens vier' kerken gereed om een tegenboodschap te brengen.
De verdeeldheid van de kerk en de verdeeldheid binnen de kerken betekenen – en nu gebruik ik nogmaals een woord van prof. dr. A. A. van Ruler als het om deze zaken ging – dat het christendom 'een zouteloos zaakje' geworden is. We moeten het verdofte goud maar niet bedekken met een surrogaatlakje, waarvan de naam is pluraliteit.
Scriptie Reindert Brouwer
Intussen is er bij de betreffende problematiek van de Gereformeerde Kerken toch wel één aspect dat serieus aandacht verdient. Wanneer een synode spreekt en zich met een boodschap richt tot volk en overheid mag men ervan uitgaan of mag men er op z'n minst op hopen, dat de leden der kerk zich in de boodschap herkennen. Er mag zeker ook wel sprake zijn van ambtelijk leiding geven, maar wanneer de kerk voor haar eigen leden niet meer herkenbaar spreekt ligt er wel een probleem. Dat probleem nu wordt onder woorden gebracht in een lezenswaardige scriptie voor het doctoraal examen in de Godgeleerdheid aan de Rijkuniversiteit te Utrecht van de hand van Reindert Brouwer. De scriptie – die tegen betaling bij de auteur in beperkte mate verkrijgbaar is – draagt als titel 'Tussen mondialisering en polarisatie'. De scriptie geeft concreet een 'analyse van de vervreemding bij een aantal synodeleden van het door de beleidsbepalers voorgestelde beleid, naar aanleiding van een beschouwing van het Zuid Afrika beleid van de Nederlandse Hervormde Kerk van 1945 tot 1987'.
Op zich al is het waardevol om in dit bijna 200 pagina's tellende document het Zuid Afrika beleid van de Hervormde Kerk op een rij te zien, met stem en tegenstem, motivatie en tegenmotivatie.
Welnu, al in het begift van dit geschrift worden dr. K. H. E. Gravemeyer, in de jaren van de Tweede Wereldoorlog en de jaren daarna secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk, en dr. J. J. Buskes, doorbraakman van het eerste uur, tegenover elkaar gesteld met betrekking tot de beoordeling van de situatie in Zuid-Afrika in de jaren 1945 tot 1962. Gravemeyer, die diverse malen in Zuid-Afrika was en om zo te zeggen pleitte vóór en hoopte óp geleidelijke veranderingen aldaar, en Buskes die van meet af de apartheid hekelde, dachten verschillend als het ging om het concrete spreken van de kerk (Buskes was socialist en Gravemeyer niet). Toch zegt de schrijver van de scriptie terecht: 'allereerst moet benadrukt worden welk een vooraanstaande plaats Gravemeyer innam in de NHK na de oorlog. Onder zijn begeesterende leiding bleek de NHK tijdens de oorlogsjaren weer een sprekende kerk te kunnen zijn'. Met andere woorden Gravemeyer zélf was een krachtig pleitbezorger voor een sprekende kerk, voor een kerk die zich met boodschappen richtte tot volk en overheid. Maar in bepaalde concrete kwesties was er toch sprake van diepgaand verschil in visie op de te volgen koers en op wat derhalve de kerk te zeggen zou hebben.
In de scriptie wordt duidelijk gemaakt dat in de naoorlogse jaren tot 1960 het beleid van de Nederlandse Hervormde Kerk ten aanzien van Zuid-Afrika sterk bepaald is geweest door de gezaghebbende stem van dr. Gravemeyer. In de zeventiger jaren daarentegen is de stellingname van de Nederlandse Hervormde Kerk in hoge mate bepaald geweest door de stem van de toenmalige secetaris generaal dr. A. H. van den Heuvel, gevormd in en door de Wereldraad van Kerken en zo in zijn functie stem gevend aan het beleid van de Wereldraad ten aanzien van Zuid-Afrika. Volgens godsdienstsocioloog G. Dekker (in de scriptie geciteerd) nam het spreken van de kerken na de Tweede Wereldoorlog toe in deskundigheid en professionaliteit maar:
'dit heeft… tot gevolg dat de leden van die kerken in toenemende mate van de kerkelijke leiding en de kerkelijke organen, alsmede van het spreken van die organen vervreemden. Het ontbreekt de leden immers aan die specifieke deskundigheid, waardoor zij een groeiende kloof tussen die organen en henzelf ervaren, terwijl die kloof niet overbrugd wordt door een wijze van spreken die zij als legitiem kunnen ervaren. Daarbij komt nog dat een bureaucratische organisatie op zichzelf al een vervreemding met zich mee brengt.'
Het is dan ook de conclusie van drs. Brouwers dat een aantal synodeleden, die een belangrijk deel van de kerk vertegenwoordigen, vervreemd zijn van het beleid, dat door de beleidsbepalers wordt voorgestaan. Zo treden communicatiestoornissen, vervreemding en polarisatie op.
De conclusie, die hier getrokken wordt is in de praktijk van het kerkelijk leven helaas maar al te zeer te constateren. De afstand tussen synode en kerk is vaak heel groot vanwege het stempel dat 'beleidsmakers', die op één zaak gefixeerd zijn en soms politiek vooringenomen zijn, zetten. Het spreken der kerk wordt niet altijd als spreken van de kérk ervaren.
Het gaat om het hoe en wanneer
Uit dit alles blijkt evenwel duidelijk dat het niet zozeer gaat om de vraag óf de kerk spreken moet maar om de vraag wannéér en hóé. Ik ga nu voorbij aan het onderscheid, dat met name in de Gereformeerde Kerken sinds jaar en dag gemaakt is tussen de kerk als organisme en de kerk als instituut. Het spreken en handelen in de samenleving werd dan aan de organisaties overgelaten. Op zich is het dan niet zo verwonderlijk dat wanneer de kerk dan gaat spreken opeens het kerkvolk te hoop loopt. Het spreken der kerk van de laatste decennia kwam echter vaak niet boven een louter politiek spreken, een stellingname in politieke kwesties uit, terwijl anderzijds de profetie ontbrak. Wanneer een kerk profetisch spreekt zal ze de geest des tijds onderkennen, de machten van de tijd ontmaskeren vanuit de bevrijdende woorden van het Evangelie. Dan zal als het ware, zonder dat het met zoveel woorden wordt gezegd, blijken en doorwerken hoe in de samenleving moet worden gekozen tegen de machten en de ideologieën in.
Wanneer een kerk echter alleen maar politiek spreekt en zich bij voorbaat stelt aan de ene kant in de politieke arena, waarin verschillende kampen zijn, roept ze slechts politieke discussies wakker, ook onder de leden der kerk. Dan gaat het erom dat ook de kerk meedoet aan het behalen van de meerderheid der kiezers. Maar het behoeft dan nog helemaal niet te gaan om het 'zo spreekt de Heere'.
De beleidsvoering van de beleidsmakers is zelfs vaak 'links' getoonzet, socialistisch ingekleurd en voorgeprogrammeerd. Men verwacht het heil voor mens en wereld als de maatschappij maar socialistisch is ingericht. Welnu dan roept een kerk, wanneer ze spreekt zoals de beleidsmakers willen, slechts hartstochten wakker in plaats dat ze bekering oproept. Daarvan hebben we dan in de Gereformeerde Kerken de voorbeelden gezien. En ziedaar wat de remedie is: een stemdrempel inbouwen. Alsof het spreken dáármee profetisch wordt.
Sceptisch
Na dit alles lijkt het erop dat er slechts één conclusie overblijft, namelijk dat er redenen te over zijn voor de kerk om af te zien van spreken ten aanzien van verschijnselen, die mens en wereld beroeren. De verdeeldheid in en tussen de kerken vormt een verhindering. De wijze waarop de kerk in concrete zaken gesproken hééft is voor de kerk zelf, in de relatie tussen de ambtelijke vergaderingen en de gemeente, geen winst geweest. Toch moeten we het als een verarming duiden wanneer we – en ik spreek nu met betrekking tot de Hervormde Kerk – niet meer toekomen aan kerkelijk spreken naar volk en overheid toe, aan herderlijke schrijvens over onderwerpen, die met het hart van de verkondiging te maken hebben.
De apostelen hebben tot voor koningen en overheid betuigd en getuigd dat Jezus Heere is. Zou zo vandaag de Koningsheerschappij van Christus niet worden uitgezegd dwars tegen de machten van de eigen tijd in! Maar er zou alleen dán sprake zijn van een krachtig spreken van de kerk wanneer het eenparig geschiedde en dan niet eenparig door één kerk maar door dé kerken. Wat zou het geweldig zijn wanneer een eenparig getuigenis van één kerk door andere kerken zou worden overgenomen en dan zo dat de gemeente ervan zou ophoren. Als er zo nog eens zou kunnen zijn een bevrijdend woord in deze tijd van Godsverduistering en geloofscrisis. Om zo eenparig te zeggen dat God bekering en het léven wil en niet de dood en dat dit leven zich veelzijdig manifesteert, geestelijk en lichamelijk, individueel en maatschappelijk.
In de dertiger jaren zijn er in kerkelijk Nederland profeten geweest, die visionair waarschuwden tegen de machten, die over Europa kwamen. K. Schilder was er een voorbeeld van. En in de Tweede Wereldoorlog is er wel sprake geweest van gezamenlijke kanselboodschappen van de kerken. Zijn er vandaag ook de zieners, die schouwen mogen welke machten zich nu aandienen in onze wereld? Die niet blijven steken in politieke tegenstellingen rondom Zuid Afrika en de kernwapens maar door de verschijnselen heen signalen van de eindtijd zien en zo de kerk van binnenuit dringen tot een getuigenis? Dan zal het niet alleen gaan om politiek onrecht her en der in de wereld maar dan zal het gaan om de totale wetteloosheid die baanbreekt en die tot gevolg heeft dat de mens God niet meer dient en de naaste naar het leven of naar diens bezit staat.
De kerk geve haar apostolaire roeping niet prijs maar plaatste zich dan ook echt in de lijn der apostelen, die wisten en beleden dat Jezus Kurios was en die hun getuigenis soms met de dood moesten bekopen. Zo was het apostolische getuigenis van de kerk naar volk en overheid toe ook vaak het diepst en meest hachelijk als de nood het hoogst was.
Een belijdende kerk zal dan ook herkend worden door haar belijdende leden. Zij die vandaag belijdenis des geloofs afleggen zullen hopenlijk als het er op aankomt mogen bemerken opgenomen te zijn in een Christus-belijdende gemeenschap, plaatselijk en landelijk; een gemeenschap die Christus als Koning over het hele leven belijdt.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's