Globaal bekeken
In dit paasnummer van ons blad staan diverse gedichten van bekende en minder bekende dichters. Op de valreep ontvingen we een gedicht van Henk Rebel te Huizen, in die gemeente meer bekend als 'Haindruk van 't Noordereind'. Hij schreef het op Goede Vrijdagavond van het jaar 1950 nadat in de Oude Kerk van Huizen prof. dr. J. Severijn (toen voorzitter van de Gereformeerde Bond) had gepreekt over Matth. 27 : 39 'En die voorbijgingen…' We nemen het gedicht, dat als titel draagt 'Voorbijgangers' hier op.
Het Pascha was nabij, en velen uit de Joden
hadden zich opgemaakt, om in de Heilige Stad,
het feest der uittocht uit Egypte te gaan vieren,
't welk God aan Isrels' zaad destijds bevolen had.
Dan dacht men aan het Lam, dat in die heilige stonden,
geslacht was, en aan 't bloed, gestreken aan de post,
en, hoe de engel Gods voorbijging aan de huizen,
en God Zijn volk uit zulk een doodsnood had verlost.
En zie ze daar dan gaan, uit alle rang en standen,
het feestgezang klinkt op, bij naad'ren van de poort,
maar plots verstomt hun zang, verbazing doet hen zwijgen,
nu daar, bij Golgotha, hun vreugde wordt verstoord.
Want, op de heuveltop is, aan een kruis gehangen,
een drietal, dat door 't volk beschimpt wordt en bespot,
twee zijn er die voor 't kwaad gerechte straf ontvangen,
maar Eén, de middelste, dat is …de Zoon van God!
En die voorbijgaan, zie, ze toeven wat, en vragen:
wie of die Ene is, die in het midden hangt.
En, waaróm al die haat, die zware straf, dit lijden,
en, wat de reden is, waar Hij dit kruis aan dankt?
En, bij 't vernemen, zie, dan lasteren ze, en schudden
vol afkeer met het hoofd, zij roepen: 'Ha, kom af!'
Ze zijn vol haat vervuld, een redeloze kudde,
en, stemmen willig in met deze wrede straf.
En die voorbijgingen – o, droevige tragedie,
dat sedert Jezus' dood zich jaar op jaar herhaalt;
het Paasfeest wel gevierd, onzalige vertoning,
maar, niet de dag, waarop de losprijs werd betaald.
En die voorbijgingen – het geeft ons veel te denken,
want wie, 't zij jong of oud, voorbijgaan aan het kruis,
die kan het bloed des Lams voorwaar geen vrijspraak schenken,
die is geen plaats bereid in 't Hemels Vaderhuis!
In NRG Handelsblad stond een artikel over joden In Tunesië. Mogelijk al 2500 jaar leven er joden op het 'droomeiland' Djerba. Nu, na de Palestijnse opstand worden ze vaker met stenen bekogeld. Hier volgt een passage uit het artikel.
'Eeuwenlang was de synagoge Al-Ghariba een zeer belangrijk pelgrimsoord, waarheen duizenden joden uit heel Noord-Afrika 33 dagen na het joodse paasfeest per ezel of kameel trokken. Daarom ligt tegenover de synagoge een karavanserai, een traditionele herberg van twee verdiepingen rondom een ruime binnenhof met zuilengalerij, waarop vele deuren van klein slaapvertrekken uitkomen. De bezoekers kunnen er nog steeds terecht en een eenvoudige koshere maaltijd gebruiken. Maar van de grote en zeer uitbundige pelgrimages van weleer is nauwelijks meer iets over. De joden zijn massaal uit Noord-Afrika vertrokken sinds de staten aldaar onafhankelijk werden. In 1973 woonden er in Djerba nog 8.000 joden, zeven jaar later 3.500. Nu is hun aantal tot 750 teruggelopen.
In Al-Hara al-Kabira brengt Avraham ons naar een jeshivah, een joodse religieuze school, waar ook matzes worden gebakken, onder andere voor export naar Frankrijk. De koster loopt in Arabische kleding rond – hij draagt een rood vilten mutsje en een lichtbruine halve overjas. Zijn broek reikt, evenals die van zo veel andere inwoners van Djerba, tot aan de kuiten. Maar er is één verschil: zijn broekspijpen zijn met een zwarte rand afgebiesd – als teken van rouw over de vernietiging van de tempel. Om dezelfde reden hebben alle joden van Djerba zonder uitzondering ergens aan hun huis een stuk dat ongeverfd is of waar een tegel ontbreekt Want hun geluk mag nooit volmaakt zijn zolang de tempel niet herbouwd is.'
Bij Callenbach in Nijkerk verscheen een herdruk van een dichtbundel in royaal formaat, uitgevoerd in matgeel papier, met gedichten van G. Waanders, onder de titel 'Myn belyden' (ƒ 14,90). Gerrit Waanders – aldus een uitvoerige biografie van J. A. Rispens uit 1947, die bij de bundel is gevoegd, leefde van 1884 tot 1936 in het Overijsselse Enter. Zijn vorming ontleende hij aan zelfstudie. En verder was hij vele jaren voorzitter van de Christelijke Jongelings Vereniging Timotheüs. Over Enter, dat hij zo lief had schreef hij het volgende sprokkelgedicht.
Als men in Enter dankdag viert,
Ben 'k soms den dorps weg opgeloopen;
Dan ziet men 't volk te zamen hoopen,
Dan merkt men hoe de drankdag tiert.
Zeg, gaat gij met die r accoord?
Zij voert een duivel in dat woord.
Toen de gedichten van Waanders bij Callenbach voor het eerst werden uitgegeven noemde de bekende C. Rijnsdorp Waanders 'de bezielde retoricus, die stem gaf aan het geloof der eeuwen.' Hier volgt het gedicht Myn belyden, waarmee de bundel afsluit.
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit moeilijk leven
de Heer mij weg en woning had bereid,
en dat mijn naam staat in Zijn boek geschreven
voor hooger heerlijkheid;
zoo ik niet had geloofd, dat Hij mijn tijden regelt,
en zonder Zijnen wil geen haar valt van mijn hoofd,
zoo ik niet altijd weer Zijn liefde vond bezegeld,
zoo ik niet had geloofd, zoo ik niet had geloofd!
– Maar nu moet ook mijn lied uw donker pad verzellen,
verstomden in het leed, verstormden in den strijd:
daar is een bron van kracht met onuitputb're wellen,
daar is nog zaligheid!
Een leven in den dool maakt afgemat en moede;
verlangt gij niet naar rust, verlangt gij niet naar huis?
– Dit is de zeek're weg: een heuvel, een bebloede Christus aan het kruis.
Hier houdt de kennis op en gaat geleerdheid onder;
de wijze loopt voorbij, de denker schudt het hoofd…
– Daar is geen and're weg: Gods liefde werkt het wonder,
– welzalig, die gelooft!
Welzalig, die gelooft. Welzalig reeds het zwakke,
het wank'le kleingeloof, dat Hij te planten kwam,
ook als Zijn wijze raad een storm zendt in de takken
tot sterking van den stam.
Welzalig, die gelooft, die teert op Gods genade
('t Gezaaide tarwegraan komt eerst wel nietig uit,
maar klimt van kracht tot kracht, tot koest're zon zijn zade
doet rijpen in de vreugde van ruischend oogstgeluid).
Tot op dien groeten dag, bij strijd en nederlagen,
of in omgloried licht met opgeheven hoofd:
'Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.'
'Zoo ik niet had geloofd, zoo ik niet had geloofd!'
– Zoo ik niet had geloofd, dat in dit moeilijk leven
de Heer mij weg en woning had bereid,
en dat mijn naam staat in Zijn boek geschreven
voor hooger heerlijkheid;
zoo ik niet had geloofd! – Richt, Heer, naar dat belijden
de neiging van mijn hart, de wending van mijn gang.
Zoo worde eens dat lied uit overoude tijden
mijn zwanenzang!
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's