De oproep tot bekering
Indruk
Wie voortdurend de Heilige Schrift onderzoekt, zal het ons toestemmen, wanneer wij beweren, dat iedere prediker tot bekering behoort te roepen. De bekering toch is een centraal gegeven in Gods Woord. Een Schriftgetrouwe prediking neemt deze lijn uiteraard over en vertolkt dit element voor de gemeente. Nu weet iedere hoorder wel, dat de oproep der bekering helaas ook kan ontaarden tot een spotbeeld. Zo herinneren wij ons wel meer dan eens een kerkdienst te hebben meegemaakt, waar op bekering werd aangedrongen op imponerende wijze. Diep daalde de prediker af in de poel van zonden, ernstig werd gewezen op het eeuwig oordeel, het werd de kerkgangers dringend op het hart gebonden zich tot God te wenden, aangezien de deur der genade op een kier stond. Door het kerkgebouw sloop die avond een onheilspellende stilte heen. De spanning was gewoonweg voelbaar. Het moet dan ook worden gezegd, dat de voorganger beschikte over een meeslepende mimiek en stem. De voordracht alleen al noopte tot een ommekeer van hart. Diep onder de indruk verlieten wij het kerkgebouw. Evenwel – een volgende maal, toen wij dezelfde prediker hoorden, kwam het vrijwel op hetzelfde neer. De deur stond toen niet meer op een kier, maar de deur was een spleet geworden. Hoewel wij van de ernst van de prediker overtuigd zijn gebleven de jaren door hebben wij toch de indruk bewaard van een onvoltooid geheel. Bij dieper nadenken werd het ons hoe langer hoe duidelijker, dat hier iets fout liep, wat het dan ook was.
Onderscheid
Hoe de bekering dan wel gebracht dient te worden? Dat is, dunkt ons, de overweging waard. Wij menen, dat de prediker vóór alles zijn gehoor moet onderscheiden. Dat doet het methodisme niet. Deze beweging, oorspronkelijk uit Engeland afkomstig, heeft als doel zielen te winnen. Daartoe dringt men aan op plotselinge bekering en in verband daarmee moet de prediking zo schokkend mogelijk zijn, daar de bekering zelf een schok is. Het dreigen met de toekomende toorn, met het oordeel, met de verschrikkingen der hel wordt hiertoe een welbeproefd middel geacht. Veelal schrijft men de bekering vóór naar een vast patroon, waarvan niet afgeweken mag worden. Het methodisme ziet in de mens, die tot bekering wordt geroepen alleen maar de van God vervreemde zondaar, maar heeft geen oog voor de beschikking van God, waarbij velen van deze zondaren alvast tot God in een bijzondere verhouding zijn gesteld. Zij heten toch kinderen des verbonds. Het methodisme grondt de eis der bekering uitsluitend op het scheppingsrecht, allerminst op het verbondsrecht van God. Tot alle mensen zegt dit methodisme dan ook puur hetzelfde. In zijn opvatting van de bekering is voor het denkbeeld wederkeer geen plaats. Het ziet in de bekering alleen een heenwending tot God. Wie evenwel de Schrift nadert hoort andere klanken. De Heilige Schrift maakt onderscheid tussen ongeheiligden en geheiligden. De ongeheiligden kunnen wij gelijk stellen met de heidenen. Tot hen komt de roep: wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde! Daar is dus van een heenwending sprake. Tot de geheiligden spreken wij van bekering op de manier van wederkeer. Dan horen wij het smekend vermaan: keert weder gij afkerige kinderen.
Doop
Op dit punt moet de prediker rekenen met zijn gehoor. Wij spreken anders tot de huisgenoot, die wij terugroepen, dan tot de vreemdeling, die wij in ons huis uitnodigen. Wanneer de prediker voor de gemeente van Christus optreedt is hij de herder, op wie de taak rust om het afgedwaalde terug te roepen. Daarom dient aangrijpend tot de afgeweken kinderen van het verbond te worden gezegd: keert weder! Dat mag telkens wel in zijn prediking voorkomen. Het spreekt geheel vanzelf, dat de grenzen hier niet altijd met zekerheid zijn aan te wijzen. Er is zulk een verschil tussen de verloren zoon van de belijdende gemeente en de mens, die buiten het verbond staat. Velen zijn tussen deze polen in niet gemakkelijk thuis te brengen. Denkt u alleen maar eens aan hen, die wel het teken en zegel van de doop ontvingen, maar weinig of niets meer weten van dit sacrament. Zij hebben ook geen opvoeding gehad, die hen dit sacrament verduidelijkte en persoonlijk aandrong. Toch doet men wel, hen hun doop te herinneren, te verklaren en op te wekken zich overeenkomstig hun doop te gedragen. Het is ook voor hen bedoeld in Christus' gemeenschap de zonde af te sterven en voor God te gaan leven. Aan die opdracht heeft men al de handen vol. Wijdheen bezien velen zichzelf toch in het bestek der gemeente als neutrale mensen. Hoewel gedoopt en hoewel belijdende leden vaak – kunnen wij niet menigmaal konstateren in het gemeenteleven, dat het hun niets doet? Het komt ook vaak voor, dat slechts een minimale kennis aanwezig is. Te vrezen is dat hier van een gewoonte-christendom sprake is. Een slijtage-proces in het gemeenteleven van ontstellende omvang. Er zijn zeker bijbelse voorbeelden bij te zoeken. Ook Israël verliet soms massaal de Heere onder goddeloze koningen. Er waren met name onder het Oude Testament donkere tijden, waarin de eerste beginselen van de vreze des Heeren ver te zoeken waren. Door alle eeuwen heen heeft een formeel christendom bestaan. En vooral in gemeenten waar de christelijke toon het leven heeft gestempeld is de uiterlijkheid een direkte bedreiging gebleven. Het volkskerk-model draagt dit risiko levend in zich.
Achtergrond
Toch verzake men de roeping niet. Als wij de verloren zonen van het huis tot bekering roepen, moeten wij hun duidelijk maken, dat deze roeping zelf er zonder meer op berekend is, hun hart te vertederen. De prediking van de bekering immers heeft als achtergrond het Evangelie. Zij is een teken dat God geen lust heeft aan de dood, maar wel aan het leven van de zondaar. Want wanneer God niet genegen was om de afgewekene in genade aan te nemen, zou Hij hem niet later uitnodigen om tot Hem terug te keren. Een ondergeschikte, die wederrechtelijk onze dienst verlaat, zendt men geen boodschap na om hem tot zijn dienst terug te roepen, ten minste niet, wanneer men hem tot zijn dienst voor altijd niet wil laten terugkeren. Men wil hem niet meer terugzien. Daarom laat God ook geen bekering prediken aan de duivelen. Hij wil van hen niet zijn gediend.
Neen, op het gebied van het zuivere recht kan trouwens van roeping tot bekering geen sprake zijn. Is een wet duidelijk overtreden, dan zegt de rechter niet: bekeert u, maar: ontvangt uw vonnis. De wet kent geen vergeving; daarom weet zij ook van geen bekering. Als de wet overtreden is, zo eist zij dat haar vloek wordt gedragen. Ja, in zekere zin belet de wet alle bekering. De wet zegt immers tot ons, dat het tevergeefs is door onze tranen en weeklachten enige genade te zoeken bij Hem, die een verterend vuur is. Wanneer de prediker van het Evangelie de wet gebruikt om ons tot Christus te drijven, gebruikt hij de wet tegen haar eigen aard in.
Troost
Het bevel van bekering behoort dus niet tot de dienst van de wet, maar tot de dienst van het Evangelie. De achtergrond van de roep tot bekering en ommekeer is de genadige God. Wat ligt daar een geweldige troost in! De oproep tot bekering kan alleen bestaan in de wetenschap van een barmhartige God. Dát vormt al direkt een tegenwicht tegen de mistroostigheid, waartoe de gedachte aan de bekering ons zou kunnen brengen. Vele mensen hebben de roep der bekering vereenzelvigd met de donderslag van de wet. Daarin hebben zij fundamenteel gedwaald. En wie zou ze nog durven tellen, die velen, die eenvoudig door gebrek aan heldere onderscheiden kennis van het Woord in menigvuldige angsten leven? Angsten, die per slot van rekening door onderwijzing uit het Woord zouden kunnen verdwijnen. Trouwens, wie is er niet, die in enig gebied of terrein van zijn leven aan hardnekkige misvattingen omtrent het Woord Gods onderworpen blijft jarenlang? Ook die prediker, die wij jarenlang geleden beluisterden en die zulk een geweldige indrukte maakte in dat kerkgebouw, vertolkte eigenlijk de bekering als een eis der wet, want ten diepste ontbrak het nodigend element aan zijn Woord. Dat beseften wij toen niet, gelijk wij ook nu nog menen, dat die prediker evenmin het juiste onderscheid vatte. Aan zijn ernst hebben wij nooit getwijfeld, maar hoeveel onderwijs is nodig vóór en aleer wij enigermate de zin van het Evangelie dóórhebben.
Steun
Wanneer de bekering bij het Evangelie behoort, dan mogen wij weten dat de bekering zo bitter en zwaar niet is als sommigen menen. De wet is zuur en bitter, maar het Evangelie is een verkwikkende olie. Van het Evangelie is de bekering een deel. Ja, wanneer de zwaarte van de bekering ons mismoedig maakt, dan mogen wij bedenken dat de geboden van het Evangelie een bijzondere genade hebben. Immers, de dingen, die in het Evangelie geboden worden, worden in beloften voorgelegd.
Het is hier de aangewezen plaats om een enkel woord te zeggen, dat kan dienen tot verhoogde waardering van de dienst des Woords. Daardoor toch roept God, als met zijn eigen stem, onafgebroken de mensen tot bekering. Deze dienst des Woords nu is geen geringe steun voor het geloof, dat God ons in genade zal aannemen, wanneer wij op Zijn roepstem tot Hem komen. Het moet ons bekend zijn hoe sterk ons wantrouwen is in de welmenendheid van zijn bedoelingen met ons. Hoe gauw wij denken dat onze zonde te groot is om vergeven te worden. In dat punt is niets meer geschikt om ons van Gods welgezindheid jegens allen, die zich tot Hem van genade wenden, te overtuigen dan de wetenschap – uit het gehoor van het Woord verkregen – dat Hij ons langs de weg van bekering tot Zich roept. Zal God ooit iemand afwijzen, die Hij tot Zich riep? De predikers nu zijn de instrumenten, die God hanteert om de mensen te roepen. Zij moeten de roepstem van de Heere aan ons doorgeven. Zij zijn gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade, wij bidden van Christuswege: laat u met God verzoenen!
Verachting van het Woord
Nu zijn er helaas velen, die de openbare dienst van het Woord verachten. Zij vinden het maar een menselijke dienst, een al te menselijke dienst met dienovereenkomstige gebreken. Het is beter, oordeelt men, zich daarvan verre te houden. Volgens dit oordeel zou Christus niet door het ambt tot bekering roepen. Het gaat veeleer om een broederlijk vermaan. Maar welk een onderscheid of wij ons tegenover een roepende God dan wel tegenover een aanradende mens gezet gevoelen. Daarnaast zijn er ook zeer velen, die wel het ambt erkennen, maar niet geloven dat God Zijn drager gezonden heeft om de mensen rechtstreeks tot bekering te roepen. Dezulken denken, wanneer een predikant ons tot bekering roept, dan gaat hij veel te ver. Hij vermoedt nog enige goede krachten in de mens! De predikant deed er veel beter aan zich enkel maar te beperken om de mensen te zeggen wat bekering is, haar noodzaak aan de orde te stellen, de onbekeerde het oordeel aan te kondigen en verder… de arme zondaar maar te laten liggen. Het enige wat zulk een prediker zou passen is te zeggen: och, mocht de Heere u bekeren! Wie deze mening aanhangt, wil het in de naam van godzaligheid en rechtzinnigheid God nog verbeteren. Deze mensen willen supra-orthodox zijn. Hier wordt rechtzinnigheid in uiterste zin gevonden. God toch roept regelrecht tot bekering op, maar zij maken van Zijn bevel een vrome wens. Maar – dat is niet anders dan Gode de eer te ontnemen. De Heere zegt: bekeert u, want waarom zoudt gij sterven? Op dit punt is de Heere de mens, die niet naar Hem vraagt, vóór! Het is geen boodschap van God vertolken, wanneer men zich vergenoegt met te prediken dat de mens bekeerd moet worden, de kentekenen van bekering aan te wijzen en de onbekeerden de hel aan te kondigen. Zulk een boodschap geeft ons God niet mee. Jona voldeed aan de eis van zijn roeping door in Ninivé niets dan het oordeel te brengen. Maar een prediker, die aan de verkondiging van het oordeel niet onmiddellijk het bevel der bekering verbindt, behandelt de mensen, zoals in de dagen van het Oude Verbond de heidenen moesten behandeld worden. Daarbij worde aangetekend in hoeverre ook zelfs onder het Oude Verbond nog niet de belofte doorbrak van de betekenis van het Evangelie. Want waarom gingen de mensen in Ninivé dan nog in zak en as; was dat niet in hope op een betere lotsbeschikking? En wist Jona daar ook niet het een en ander van?
Opdracht
De prediker van het Evangelie moet zich dus houden aan zijn opdracht. Hij mag niet meer zeggen dan zijn lastbrief luidt, maar ook niet minder. Er is zelfs een stille zonde mogelijk een weinig van de boodschap terug te houden om de roem van rechtzinnigheid bij de mensen te verkrijgen. Wij moeten ons bekeren, het is waar. Maar evenzeer mogen wij zeggen: wij mogen ons bekeren. De bekering is evenzeer een voorrecht als een plicht. De bezwaarde harten van de oprechten ontvangen een grote steun, wanneer zij de bekering op juiste manier in de prediking horen. Zij horen er de stem in van de Goede Herder. Zo wordt de openbare eredienst met recht een genademiddel. Door de dienst der prediking heen horen wij immers de stem van de nodigende Christus. Er was eens in de kerkgeschiedenis het probleem van de scholastiek. Dat speelde zo ongeveer in de dertiende eeuw. Men wilde de waarheid van het Evangelie bevestigen door zijn redelijkheid aan te tonen. De openbaring moest weerklank vinden in het meest menselijke wat de mens heeft: zijn verstandelijk inzicht. Zo moet het uiterlijk aanvaarde ook innerlijk begrepen worden. Men begon te denken, dat men de openbaring in haar geheel redelijk zou .kunnen doorlichten. Wij aanvaarden volkomen dat wij mensen een denkopdracht hebben. Wij moeten de Openbaring Gods in menselijke woorden vertolken. Maar wie nu het Woord Gods wil persen in een redelijk kloppend systeem, verliest het Wonder van Gods ontferming. Het komt ons vóór, dat dit probleem op de achtergrond aanwezig is daar waar men probeert het stuk der bekering te vertolken. Men wil aan Gods souvereiniteit genoeg doen en is dodelijk bevreesd de mens enig goed toe te schrijven. Streng doorgedacht komt men daar tot de bekering, voorgesteld als een vrome wens.
Hoofdlijnen van de Schrift
Alle leven sijpelt daar uit de verkondiging weg. Het is daarom beter de oproep der bekering zuiver te houden. Die bekering heeft als achtergrond het Evangelie van vrije genade en als voorgrond de prediking van het Woord Gods, dat ons ontdekt en verootmoedigt. Geheel doorgronden zullen wij het geheimenis nooit en te nimmer. Laat het ons genoeg zijn de hoofdlijnen van de Schrift naar wijze maat in de prediking weer te geven. Wie in deze getrouw bevonden wordt, zal loon op zijn arbeid zijn weggelegd. Wie ook maar enigszins van nabij bekend is met de arbeid van de dienaren des Woords, zal beseffen dat hier een geweldige denktaak op dit punt ligt. Wij voor ons moeten vaak denken aan het woord van Paulus: benaarstig u om uzelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der Waarheid recht snijdt. Wie zou voor deze opdracht niet beven?
A. v. Brummelen, Huizen N.H.
[Tekst foto: Hugenoten onder het Woord.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's