De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De heerlijkmaking (8)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heerlijkmaking (8)

10 minuten leestijd

In het vorige artikel toonde ik aan dat er van een herkenning tussen de strijdende en de triomferende kerk geen sprake is. De kerk op aarde hééft wel in Christus gemeenschap met de kerk hierboven. Niet meer en niet minder! Een volgende vraag is of er in het Vaderhuis met zijn vele woningen wel sprake zal zijn van herkenning. In de christelijke kerk is hierop altijd een bevestigend antwoord gegeven en vanaf de vroegste eeuwen zelfs een geliefkoosd onderwerp geweest. Hierop wil ik dan ook in het onderstaande ingaan om uiteindelijk toch weer te, luisteren naar wat de Schrift ons hierover te zeggen heeft. Wij willen immers leerjongeren van de Schrift zijn?

Realistische voorstellingen
Behalve Origenes, die het toekomstige leven zuiver als intellectuele aanschouwing van God opvatte, hebben toch de meeste kerkvaders uit de vroegste eeuwen een zeer realistische voorstelling van het heerlijk hemelleven gehad. De gezaghebbende bisschop van Carthago met name Cyprianus (gest. 258) tekent in zijn boek over de sterfelijkheid op een wel zeer zinnelijke manier, hoe zij die elkaar op de aarde beminden in de hemel elkaar zullen weerzien. Hij schrijft onder andere hoe de gezaligden de apostelen, de profeten en de martelaren zullen ontmoeten. Het wordt één groot feest van weerzien. Cyprianus vergelijkt het met een ontmoeting van familieleden en vrienden die wij hier op aarde jarenlang niet hebben gezien. Zoals er dan hier grote vreugde is, zo zal het ook daar (in de hemel) zijn.
De romantiek van de middeleeuwen heeft hier nog een schepje bovenop gedaan. In navolging van Cyprianus en andere kerkvaders heeft Suzo zich uitgeput om de heerlijkheid van het weerzien in woorden en klanken uit te drukken. Suzo ziet de apostelen zitten op verheven gerichtsstoelen. In zijn gedachten ziet hij de martelaren in rozenrode kleding wandelen en jonge maagden in de zuiverheid van de engelen. Op een wel heel mystieke wijze wordt dit door hem verwoord en uitgebeeld. Men krijgt zelfs de indruk dat deze mysticus meer is afgegaan op zijn fantasieën dan dat hij het Woord heeft laten spreken.
Ook een man als Luther is aan dit alles niet helemaal ontkomen. Op een populair realistische wijze stelt hij zich het hemelleven voor. In navolging van hem zijn de Piëtisten nog verder gegaan en hebben zich over het weerzien in de hemel voorstellingen veroorloofd die bepaald niet in de Schrift zijn terug te vinden.
Uit het verleden dat ik hierboven in het kort heb beschreven stammen al die verhalen in het heden, die zich verliezen in allerlei fantasieën en gedachtenspinsels van een zalig weerzien van vader en moeder, van man en vrouw, van zoon en dochter. Ook ligt hier de oorsprong van de vertroosting, dat hij of zij die sterven gaat weer verenigd zal worden met hen die hem of haar zijn voorgegaan. Men vindt het een troost elkaar in het Vaderhuis terug te zien. Nu reeds maak ik in dit verband de aantekening, dat men zó denkend Christus uit het oog verliest. In deze gedachte staat niet meer de Zaligmaker centraal, doch de verloste vrome. En dan zijn wij toch wel heel ver van huis. Want voortbordurend op deze gedachte, kan men dan zelfs zeggen, dat het in de hemel niet meer gaat om God en het Lam, maar dat het gaat om elkaar. Welnu, in de Schrift vinden wij geen enkele aanleiding om iets dergelijks te denken. Integendeel zelfs! De drieënige God alleen zal in het middelpunt staan en alle lof, eer en aanbidding ontvangen. Laten wij dit vasthouden en ons verder niet aan allerlei fantasieën overgeven. In de eeuwige zaligheid zal nooit óf te nimmer de verloste mens centraal staan. Ook niet de mens die voor ons van veel betekenis is geweest op de aarde en die door de Heere voor ons is gebruikt als een middel naar Hem toe. Hoe dankbaar wij een dominee, een vader of moeder, een vriend mogen zijn dat zij ons de weg naar de Heere hebben gewezen, toch zullen die in onze lof en aanbidding in de hemel niet in het middelpunt staan. Wellicht is dit voor ons wel duidelijk, maar of dat voor iedereen het geval is, vraag ik mij in alle gemoede af. Want wat te denken van een lied dat als volgt luidt:
"k Zal daar de vriend mijn dank betalen,
Die mij de heilweg wijzen wou,
En hem zelfs miljoenen malen,
Nog zeegnen voor zijn heilige trouw,
Daar vind ik bij mijn God en Heer
Die trouwste vriend op aarde weer.'
In dit lied wordt de vriend de eer en dank toegebracht, maar niet Jezus Christus die door Zijn verzoenend lijden en sterven de eeuwige zaligheid heeft verworven. Bovendien wordt in dit oude gezangvers vergeten óf over het hoofd gezien, dat de zielen der nu gezaligden zielen zijn, die nog niet met het lichaam zijn verenigd. Nogmaals: in de eeuwige zaligheid gaat het om de drieënige God. Met Augustinus stel ik dat de hemel geen hemel is als de Koning der ere niet alles in allen is en Hij niet centraal staat!

Oude Testament
Wij keren terug naar de Schrift en vragen: wat zegt het Oude Testament over een mogelijk weerzien in het hiernamaals? Wat het Oude Testament betreft kan het antwoord kort en bondig zijn: betrekkelijk weinig. Er zijn slechts een paar teksten waaruit een bepaalde conclusie getrokken kan worden. Maar juist omdat er zo weinig over gezegd wordt, moeten wij daaromtrent dan ook allerlei fantasieën zien te vermijden en ons niet laten meeslepen door allerlei gevoelsvoorstellingen.
Om aan te tonen dat ook het Oude Testament spreekt over een weerzien van elkaar wordt wel verwezen naar het spotlied dat over de koning van Babel wordt gezongen en waarin zijn aankomst in het dodenrijk wordt vermeld (Jesaja 14). Wanneer de koning van Babel daar aankomt, zal de plaats der duisternis in beweging komen en wanneer men de trotse heerser herkent, zal men uitroepen: 'Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads!, hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenket'. Zelfs lezen wij dat de doden hem aan zijii snoevende taal van vroeger zullen herinneren en hem zullen voorhouden dat ook hij in de hel is neergestort. Van al zijn trotse verwachting zal niets overgebleven zijn.
Wanneer men dit leest in Jesaja 14 ontkomt men niet aan de gedachte dat de doden herinnering hebben aan wat er op aarde is gebeurd alsook dat er na de dood een herkennen is van elkaar. Het schijnt alsof de Schrift op deze plaats duidelijk zegt, dat de 'zielen' elkaar kennen en op de hoogte zijn van elkaars heden en verleden. Opzettelijk schreef ik: het schijnt. Want juist met deze pericoop dienen wij voorzichtig te zijn teneinde daaruit te concluderen dat er na de dood van een herkennen sprake is. In zijn verklaring op deze pericoop in Jesaja 14 zegt Ridderbos, dat wij hier te doen hebben met een eigenaardige dichterlijke tekening, waarin rekening moet worden gehouden met het uitgesproken dichterlijk karakter van de profetie. Ook Calvijn heeft hieraan reeds gedacht als hij in zijn commentaar bij dit gedeelte schrijft: 'Wij hebben hier nogmaals een treffend voorbeeld van Jesaja's verbeeldend dichtergenie, dat wel eens moeilijk in zijn stoute sprongen te volgen is. In deze verzen tekent Jesaja ons een denkbeeldige ontmoeting van Belsazar's schim met andere schimmen… Zo levendig is Jesaja's verbeelding, dat hij zelfs aan de doden tronen toekent om op te zitten'.
Van hetzelfde is sprake in Ezechiël 31 : 16 en 17. Ook hier is een dichterlijk genie aan het woord. Hoe ik het keer of wend, doch in het Oude Testament vindt men geen expliciete uitspraken over een herkennen van elkaar na de dood. De teksten die daarop zouden kunnen duiden zijn toch voor een andere uitleg vatbaar zoals ik heb aangetoond.

Nieuwe Testament
Willen wij iets meer kunnen zeggen over een herkennen van elkaar, zo zullen wij bij het Nieuwe Testament te rade moeten gaan. Hierin worden inderdaad een aantal uitspraken gedaan die ons verder in dit verband kunnen helpen. Ik wijs allereerst naar Mattheüs 8 : 11. Naar aanleiding van het grote geloof van de hoofdman te Kapernaum zegt de Heiland: 'Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen'. Uit deze belofte blijkt dat velen straks in de hemel weten dat dit Abraham, en dat déze Izak en géne Jakob is. De patriarchen (de aartsvaders) zullen dus worden gekend. Verder denk ik aan de verheerlijking op de berg. Mozes en Elia, die in heerlijkheid op de berg verschenen zijn en met Jezus samenspreken, worden door Petrus en de twee andere discipelen gekend. Ook Lukas 16 : 9 geeft van herkenning een treffend bewijs. De Heere Jezus zegt in die tekst: 'En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen'. In deze tekst wordt door de Heiland gezegd, dat Zijn discipelen met het hun toevertrouwde geld door betoning van barmhartigheid zich vrienden moeten maken, opdat déze vrienden, die vóór hen de eeuwige rust zullen zijn ingegaan, hen straks met eeuwige blijdschap zullen ontvangen in de eeuwige tenten. Deze ontvangst door de vrienden veronderstelt duidelijk herkenning. Deze herkenning is het gevolg van een openbaring des Heeren aan hen in de hemel. Mijn conclusie op grond hiervan is dat dit wezenlijk uitgebreid kan worden tot alle gelovigen, ook al hebben zij elkaar op deze aarde en in dit leven niet persoonlijk gekend noch met eigen ogen elkaar gezien. Hoe deze herkenning zal zijn is een vraag die ik nog hoop te beantwoorden. In dit stadium is het voor ons het voornaamste om te weten, dat de hoop op een zalig weerzien – mits zuiver naar de Schriften opgevat en dus niet op een mystieke wijze – niet onschriftuurlijk is. Wel stel ik dat de hoop op de volle en volmaakte gemeenschap met het Lam het grootste en het hoogste moet zijn.
Alle hoop op het weerzien van elkaar moet hieraan ondergeschikt zijn en blijven. Het verlangen om bij onze Heere te zijn dient het allesbeheersende en allesbepalende in ons leven hier op aarde te zijn. Maar verder mag gesteld worden, dat de triomferende kerk in blijde herkenning gemeenschap zal hebben met elkaar en dat in deze gemeenschap de zaligheid van de hemel haar gedurig voedsel zal zijn. Op de gemeenschap in Christus komt het bij de herkenning aan.
Het mag dan sober en beknopt zijn, niettegenstaande leert de Schrift ons wel een weerzien en een herkennen van elkaar. Gods kinderen zullen geen vreemd God ontïnoeten, maar zij zullen evenmin voor de andere kinderen des Heeren vreemden zijn. Toch zullen wij van dat weerzien van elkaar en van dat herkennen van elkaar niet aards moeten denken. In de hemel zullen er geen aardse verhoudingen meer zijn, evenmin zal men kunnen spreken van banden des bloeds zoals die op de aarde ons aan elkaar kunnen binden. Een wel heel duidelijk antwoord heeft onze Heere gegeven op de vraag van de Sadduceeën naar de vrouw, die maar liefst zeven mannen heeft gehad. Door alle aardse verhoudingen zet de Heere Jezus een dikke streep.
In de hemel is er echter niet alleen niet meer sprake van banden des bloeds, maar ook de nationale gemeenschap heeft opgehouden te bestaan. Alle onderscheid in ras en volk, in taal en stam is weggevallen. Hierover een volgend keer nog iets meer.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De heerlijkmaking (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's