Sterven en leven
Fundament
In de eerste brief aan de Korinthiërs, en wel met name in het vijftiende hoofdstuk, heeft Paulus met klem de opstanding van Christus gehandhaafd. De algemene overlevering en prediking houdt vast aan de opstanding van Christus. Hoe kan men dan een lichamelijke opstanding loochenen? Als dat waar was, dan zou ook een levende Christus uitgesloten zijn. Maar dan is ook het hart uit het Evangelie en uit het geloof weggesneden. Het heeft geen inhoud meer, het is er niets meer mee gedaan. Arme predikers, ze worden valse getuigen, ze betichten God van iets, dat Hij niet gedaan kan hebben. Nog eens: het geloof is dan niets waard. Dan is er ook geen rechtvaardiging meer. De zonde blijft toegerekend. Wij moeten dan bij het graf van onze doden wenen als mensen die geen hoop hebben. En wat ons zelf betreft, wij moeten onszelf bewenen, want wat is ellendiger dan alleen voor dit leven te hopen op een Christus, die maar één ding ons waarborgt: in deze wereld zult ge verdrukking hebben?
Uitzicht
Gelukkig is het zo ellendig niet gesteld. Christus is opgewekt. En wel, niet alleen voor zichzelf, maar om als eersteling de baan te openen voor al de zijnen. De ontslapenen zullen volgen. Er is uitzicht, perspectief midden in het donker van dit aardse leven. Wat kan er Paulus toe brengen, duizenden gevaren te trotseren, dag aan dag de dood voor ogen te hebben, dan de overtuiging, dat de dood slechts het voorhangsel is vóór het ware leven? Als de dood het absolute einde van alles is, waarom dan gestreden? Het zou een dwaasheid zijn van hem om zoveel gevaar te lopen. Waarom zijn wij ook alle uur in gevaar? Waarom stellen wij onszelf onophoudelijk aan allerlei gevaren bloot? Wij christenen en vooral wij apostelen? Ieder wist dat het in die tijd gevaarlijk was christen te zijn, en vooral de prediker of apostel. Nu zegt Paulus: welke dwazen zijn wij toch, dat we al deze gevaren lopen zonder enige hoop na de dood, wanneer wij geheel wegsterven en niet weer levend worden? Het christendom zou een dwaze belijdenis zijn, indien het geen hoop na dit leven stelde, vooral in zulke gevaarlijke tijden als van zijn eerste optreden. Toen eiste het van de mensen alle wereldse zegeningen en gemakken er aan te wagen. Alle onheilen van dit leven tegemoet te gaan en dóór te staan zonder enig vooruitzicht van de toekomst. Is deze trek van zijn belijdenis voor een christen niet geschikt om alles te verdragen? Moet hij niet deze trek handhaven, indien hij zijn hoop op de toekomst opgeeft door de opstanding der doden te loochenen? Deze redenering past de apostel op zichzelf toe. Ik betuig – zegt hij – bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heere, bij al de zegeningen van het christendom, bij al de bijzondere steun en hulp van ons heilig geloof, dat ik alle dagen sterf Paulus was voortdurend in gevaar, waarbij vooral het lichaam veel te lijden had. Mogen wij het eens in vogelvlucht nagaan? Hij was in arbeid ovrvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden had hij veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal is hij met roeden gegeseld geweest, eens is hij gestenigd, driemaal leed hij schipbreuk, eenmaal heeft hij zelfs een vol etmaal op open zee doorgebracht. Nog meerdere moeilijkheden weet de apostel toe te voegen. Snelstromende rivieren moesten doorwaad, beruchte hinderlagen van moordenaarsbenden ontweken. Soms was hij nergens veilig, noch in de stad, noch in de woestijn, noch op zee. Inspannend zwoegen, slapeloze nachten, meer dan eens geen geld om te eten en te drinken. Was er wel te eten, dan vastte de apostel menigmaal uit oorzaak van verdriet en zorg. In de winter vaak een tekort aan behoorlijk warme kleding…
Vruchtbaar
Ziedaar, wat een lijst van ontberingen. Ik sterf alle dagen! Dan zou alles voor niets zijn, als er voor het lichaam geen heerlijke toekomst was. Dag aan dag heeft hij de dood voor ogen en rekent hij daarmee. En omdat men dit misschien niet dadelijk wilde geloven, verzekert hij dat bij zijn roem over de gemeente van Korinthe, een roem die hij alleen aan Christus dankt. Daaruit blijkt, dat zijn arbeid toch niet onvruchtbaar was, hoewel met zeer veel gevaren verbonden. Waarom zou hij toch zichzelf zo blootstellen, indien hij geen hoop na dit leven had? Leven in dagelijks uitzicht en verwachten van de dood en toch daarna geen toekomst te zien, dat is erg hard en troosteloos. In dat geval was zijn lot zeer ellendig. Maar Gode zij dank: Paulus weet van de overwinning op de dood in Christus. Het eeuwige leven schittert met zijn zonnestralen dwars door de aardse regenbuien heen. De gedachten, dat wij alle uren in gevaar zijn, doet ons temeer die bewarende goedheid erkennen. Daardoor blijven wij dag aan dag en tot heden toe gespaard. Het doet ons met een dankbaar hart gedurig overleggen, hoe wij de overige tijd van ons leven voorzichtig en voor God welbehagelijk zullen wandelen. Ja, ons hart kent vreugde, dat wij de doodsangst in Jezus, de Vorst des levens, ontkomen zijn. Bij Hem alleen vinden wij ten allen tijde de moed om al de gevaren van het leven te trotseren. Hij leert ons zelfs te lopen met onze voeten op de zee. En al kletteren ook de hagelstenen van het leven op ons neer, wij wandelen getroost voort aan Gods hand. Niets kan ons scheiden van de liefde Gods. Noch gevaar, noch zwaard, dood noch leven, tegenwoordige noch toekomende dingen – het zal ons niet van dat alles doen ontzien. Het komt er op aan God te verheerlijken en de naaste tot een zegen te zijn. Natuurlijk – elk ogenblik kan het laatste wezen, dat weten wij, maar het verhindert ons niet óp deze aarde iets zijn vóór de aarde. Het staat niet in de weg om ons te ijveriger te maken in het bedenken en ten uitvoer te brengen van al wat liefde is en lof heeft.
Arbeid
Goed, wij sterven alle dagen. Het is waar. Maar wij leven in Christus Jezus. Dat betekent geen ijdel berusten in het noodlot, maar een heilige werkzaamheid juist in die Christus. Geen uitstel, geen verzuim, geen verslapping in het goede, geen geest van 'laat maar waaien'. Geen overlaten aan anderen wat door ons gedaan kan worden. Misschien kunnen wij nog maar weinig doen in de uren ons toegemeten, misschien is het het enige dat wij nog kunnen doen. Het zal niet hinderen. Door Christus' opstanding wordt elk levensmoment productief. Het is nu de zaaitijd. Wat wordt daar het leven teder en nauwgezet! Het leven wordt één offer aan Hem, één oefening in heiligmaking. Wij gaan gevoelen hoe nodig het is de tijd uit te kopen om vruchtbaar te zijn, afleiding te vermijden, onderricht te zoeken, ons te sterken tegen de dag des kwaads met een innerlijke sterkte, winst te doen met elke ondervinding, elke beproeving te gebruiken. Gedurig onszelf te beproeven en alle middelen te hanteren om inniger in Zijn gemeenschap te verkeren.
Beeldspraak
Misschien kunnen wij deze gedachte het best toelichten met een beeld. Jaren geleden leefde er in het oosten van het land een ouder echtpaar op een boerderij. Hun enige zoon was naar Canada geëmigreerd. Sindsdien was het vuur van hun idealen geblust. Ze hadden geen lust meer in het werk. De boerderij werd verwaarloosd, de hooiberg zakte in elkaar. Het oprijpad werd zaterdags niet meer geharkt. De ligusterhaag kwijnde. Heel het aanzien van de hofstee ging achteruit. Er was geen toekomst meer. Jaren duurde dat aanéén. En toen kwam er bericht uit Canada. Jan zou thuiskomen. Met vrouw en kinderen. De liefde tot zijn vaderland was sterker dan de hang naar Canada. O, wat bracht dit een gedaanteverwisseling teweeg. De schilder kwam om het huis in de oude kleuren op te schilderen. De tuin werd weer in de oorspronkelijke toestand aangelegd. De timmerman kwam om de hekken te repareren. Het pad werd weer gehakt. Nieuwe gordijnen voor de ramen… De hoop keerde terug!
Overwinning
Dat is het, er kwam perspectief. Zo spreekt Paulus het óók uit. De dood is verslonden tot overwinning. Dood waar is uw prikkel? In Christus mag er geen sprake zijn van levenswalging. Geheel meegesleept door zijn verheven onderwerp spreekt de apostel in een triomflied dood en graf als de laatste en vreselijkste vijanden van Christus. Hel, waar is uw overwinning? – Achter de Vorst des levens aan wandelt de gelovige op aarde. Dat betekent niet, dat hij de ontluistering van het leven niet opmerkt. Dat betekent nog veel minder, dat hij niet gedurig weer vreest en beeft. Het dagelijks leven op deze aarde heeft maar ál te veel te maken met de doodsdreiging. Maar dwars door al die schaduwen en angsten heen, schemert de glans van het feestkleed der onvergankelijkheid. Het is eenmaal uit met de laatste vijand. Daarom kan Paulus de dood met zijn schorpioensangel tarten. Die angel, dat wapen van de dood, in de ruimste zin genomen, is de zonde. Daardoor en daarin laat hij zijn macht gevoelen. En tot de zonde wordt de mens door de wet geprikkeld. Met de terneerwerping van de dood is het laatste verzet tegen God gebroken. Die overwinning is echter alleen aan God zelf te danken. God bewerkt haar door Christus, die triomferend uit de doden is opgestaan. Geen woorden, dat dan ook in Christus levensmoed en kracht zich aanbreken. De wereld heeft geen hoop en moed. Die leeft alleen maar zichzelf uit. Maar wij – indien wij werkelijk één lichaam met Christus zijn, wij moeten voet bij stuk houden en hard arbeiden, vóórdat straks de blijde sabbat komt. Ons zwoegen is niet hopeloos, wij moeten overvloedig zijn in arbeid, omdat wij leven in gemeenschap met de Heere. Wat verleent dat ons gewone bestaan op aarde diepte en kracht! Het is weliswaar niet zo, dat wij ons hier aan illusies blootgeven. Maar ook ons kleinste werk gescheidt niet tevergeefs aan deze kant. Het heeft zijn uitlopers in de eeuwigheid. Wij zaaien hier in hope, het is waar. Maar wij oogsten straks zeker en gewis, al kan het nog eeuwen duren. Denk maar aan de grondsteen van een Middeleeuwse kathedraal en aan haar sluitsteen. Er liggen eeuwen tussen, maar het werk is een eenheid. Ons geloof mag niet in treurnis en kerkhofstemming blijven steken. Wij geloven in de opstanding, in de uiteindelijke zege van het licht op de duisternis, van het leven op de dood.
A. v. Brummelen, Huizen (N.H.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's