Uit de pers
Petrus Dathenus
Op 17 april 1588 overleed In Elbing, een stad in het huidige Polen, Petrus Dathenus, of beter bekend als Datheen, de man van de bekende psalmberijming, maar vooral de man die door zijn leidinggevende talenten voor de opbouwvan de kerk in Nederland zoveel betekend heeft. Ook zijn invloed op de politiek was niet gering. In De Wekker van 18 maart wijst prof. dr. W. van 't Spijker op de betekenis van Datheen. We citeren uit zijn artikel:
'Hij behoorde tot degenen die aan de wieg stonden van de synodale organisatie. Hij bekleedde telkens op de eerste synodes een leidinggevende functie. Hij koos positie tegen de halven van zijn dagen, de rekkelijken, die tegen overheidsinvloed niet opzagen en die over predikanten en ouderlingen laatdunkend konden spreken. Datheen werd de man, die het kerkelijke standpunt in het vizier hield en die zich niet liet afleiden van datgene wat naar zijn overtuiging behoorde tot de vrijheid van de kerk. Zo leverde hij niet alleen het materiaal dat een kerkdienst gestalte kon geven, maar zo zorgde hij niet minder voor een kerkelijke structuur, die in staat zou blijken om aan een kerk onder het vuur een werkelijke overlevingskans te bieden.'
In de omstandigheden van die tijd, waarin het kerkelijke leven en het politieke bestel zo nauw met elkaar verweven waren, had Datheen ook nauw contact met Prins Willem van Oranje. Datheen werd zijn vertrouweling. Toch trad er verkoeling op.
'Datheen moet de Prins gekend hebben. Hij moet ook zijn diepste motieven hebben gepeild, die drongen tot dat "retarderen", dat altijd maar weer aarzelen en terugtreden, dat uiterst moeilijk tot een beslissing komen, dat aan zovele overtuigde Calvinisten grote moeite bezorgde om hem volledig te vertrouwen. Waren het twee werelden? De wereld van de politiek en die van de godsdienst of kerk? Waren het twee levensbeschouwingen die botsten? Waren het slechts twee karakters die niet met elkander in harmonie waren te brengen.
Wie zal de veelheid van factoren kunnen beschrijven, die geleid hebben tot het conflict, waarin van beide kanten zulke harde woorden werden gesproken? De Prins zocht naar een politieke oplossing, waarbij grote winst scheen behaald te kunnen worden, zodat twee religies samen de vrijheid tegenover Spanje zouden winnen. Datheen was overtuigd dat een politieke oplossing nooit mocht gaan ten koste van de gereformeerde religie. Toen in Gent een gereformeerde republiek werd uitgeroepen (1578) kwamen de zaken op scherp te staan. De Prins greep in. Datheen moest verdwijnen, maar keerde terug zodra het getij gunstig scheen. Opnieuw stonden twee mannen scherp tegenover elkaar.
Het was niet onduidelijk dat de gereformeerde synodes het belang inzagen van een verzoening tussen Datheen en de Prins. Maar deze kwam niet tot stand. In 1584 werd de Prins vermoord. Datheen werd in Utrecht gevangen gehouden en verhoord. Men liet hem gaan. Maar zijn tijd scheen voorbij. En in Elbing overleed Datheen, ver van zijn werkterrein, maar verzoend met de kerk in Nederland. Vierhonderd jaar kerkgeschiedenis hebben veel doen veranderen. Maar wat het wezen van sommige brandende kwesties betreft staan vandaag de zaken nog even gelijk er voor als toen. Religie en politiek: twee werelden? Of onafscheidelijk en blijvend verbonden?
Tolerantie is in een samenleving noodzakelijk: dat leerde Willem van Oranje. Krachtig getuigenis en als het kan: wezenlijke macht is voor een gereformeerd belijder geen schande: dat leerde Datheen.
Wij eren in de eerste de Vader des vaderlands. Wij gedenken in Datheen een mens met tekorten en gebreken, "maar anderzijds een instrument in Gods hand, om Zijn kerk hier op aarde in een tijd van vervolging en strijd, te leiden en op te bouwen" (Th. Ruys jr., Petrus Dathenus, blz. 286).'
Herdenking van het verleden, met name ook van hen die baanbrekend werk gedaan hebben, geeft vaak een scherp zicht op eigentijdse problemen die hun wortels in het verleden hebben. Terecht wijst Van 't Spijker er op dat de kwestie van religie en politiek nog altijd een brandende kwestie is. Of men kan zeggen, dat de zaken er vandaag nog even gelijk voor staan als toen? Het is de vraag in welke zin de Apeldoornse hoogleraar dit bedoelt. Uit zijn artikel wordt dit verder niet duidelijk. Toch meen ik dat ten gevolge van de secularisatie de verhouding fundamenteel anders geworden is dan in Datheens dagen. Het conflict dat Van 't Spijker beschrijft veronderstelt een nauw contact tussen kerk en politiek. Is het vandaag de dag niet zo dat het inderdaad iwee werelden zijn, waarbij de invloed van het kerkelijk spreken op het politiek gebeuren zeer klein is. Wat uiteraard niet betekent dat een kerk in de marge van de samenleving ook tegenover overheid en volk geen rekenschap zou moeten geven van haar geloof en haar hoop.
Over kerkorde en synodepost
In Woord en Dienst van 19 maart haakt dr. K. Blei in op de verwijten van dr. A. v. d. Lingen aan het adres van de centrale kerkeraad van Den Haag en aan het adres van de synode. Van der Lingen deed dit in een interview in Trouw naar aanleiding van zijn 'overstap' naar de burgerlijke gemeente Den Haag.
Men kan op voorhand de vraag stellen of het wijs is na een dergelijke beslissing, die natuurlijk niet zo maar plaats gevonden heeft, maar waar kennelijk toch een heel verhaal van teleurstellingen en wellicht ook ergernis achter schuilt, meteen in een interview in een landelijk dagblad je kritiek te spuien. Heet van de naald gezegd, komen de dingen er dan toch vaak 'gekleurder' uit te zien, dan wanneer men wat afstand genomen heeft en het dan wellicht wat objectiever kan bekijken. Ongewild en onbedoeld loop je het risico, dat de bekritiseerden het woord 'frustratie' laten vallen en daar mee de kritiek onschadelijk pogen te maken. Blei doet dat niet, maar is niettemin zeer beslist in zijn weerlegging van Van der Lingen's verwijten.
'Dr. A. van der Lingen, tot voor kort hervormd predikant in Den Haag, is nu, in dezelfde Haagse wijk, projectleider stadsvernieuwing. Van kerkelijk ambtsdrager is hij gemeenteambtenaar geworden. Bij die overstap heeft hij, in een interview in Trouw, kritiek gespuid. Aan het adres van de centrale kerkeraad van Den Haag, en aan het adres van de synode, in Leidschendam. De centrale kerkeraad, aldus is zijn verwijt, kijkt alleen naar de financiën, niet naar de mensen. Als een predikantsplaats uit geldgebrek niet meer kan worden vervuld, worden wijkgemeenten eenvoudigweg samengevoegd. Schaalvergroting die de mensen hun betrokkenheid op de kerk in de eigen omgeving ten enenmale doet verliezen. En wat de synode betreft: die overlaadt de kerkeraden met missiven. Over belangrijke onderwerpen, stellig. Maar ze houdt tegelijk kerkordebepalingen in stand, waardoor mensen in doodgewone stadswijken geestelijk verkommeren.
Kritiek als deze wordt wel meer gehoord. Daarom een paar opmerkingen als reactie. Allereerst: inderdaad, kerkordelijk kan een gemeente slechts bestaan wanneer er een predikantsplaats is gevestigd. Niet omdat financiën belangrijker zouden zijn dan mensen. Maar omdat voor elke gemeente fundamenteel is, dat in haar midden Woord en Sacramenten worden bediend.
Maar dat betekent niet dat de ene, kerkordelijk gevormde/bestaande, wijkgemeente niet zou kunnen worden opgedeeld in buurten of secties, waarin commissies, bijvoorbeeld voor pastoraal werk, onder verantwoordelijkheid aan de wijkkerkeraad actief kunnen zijn. Creatieve predikanten en wijkkerkeraden hebben binnen het raam van de kerkorde veel speelruimte. De kerkorde in gebreke stellen is wel modieus en populair, maar daarom nog niet terecht. Ik beweer niet dat de kerkorde volmaakt zou zijn. Niet voor niets worden regelmatig wijzigingsvoorstellen in de synode besproken en aan de classicale vergaderingen en kerkeraden ter beoordeling voorgelegd. Maar ja, Van der Lingen had voor 'synodemissiven' weinig waardering. Heeft hij ze misschien toch wat te snel in de prullemand gegooid? Sinds enige jaren heeft een speciale commissie, het zogenaamde Grote-Steden-Beraad, zich op de grote stads-situatie bezonnen. De commissie heeft nu voorstellen ingediend onder andere betreffende de vraag hoe de kerkorde ten dienste van deze situatie zou kunnen worden gewijzigd of aangevuld. Die voorstellen zullen binnenkort in de synode aan de orde komen. Weliswaar pas voor een eerste, informatieve bespreking, maar toch. Uit die bespreking zullen straks vast wel weer nieuwe 'synode-missiven' voortkomen…
Over die vloed van 'missiven' nog een enkele opmerking. Die allemaal te behandelen zou de kerkeraad in plaats van één wel drie avonden per maand kosten, zegt Van der Lingen. Voor de tribune mooi gezegd. Maar ik denk dat Van der Lingen overdrijft. Met een beetje vergadertechniek kom je al gauw een heel eind. Een moderamen, een predikant, kan, met wat beleid en inzicht, uit de post, ook uit de synodepost, toch wel het belangrijkste op overzichtelijke manier aan de orde stellen? Je moet je er dan wel wat in verdiepen. Maar de kerk is toch ook wijder dan de eigen wijkgemeente?'
Dat de bediening van Woord en Sacrament fundamenteel is voor de plaatselijke gemeente en dat we in dat licht de predikantsplaatsen in een gemeente moeten bezien, is juist. Of daarmee altijd de samenvoeging gerechtvaardigd is, is vers twee. Biedt de kerkorde van 1951 met zijn sterke nadruk op de geografische wijkgemeente voldoende ruimte voor de noodsituaties in de grote steden waar wij in deze jaren mee in aanraking komen? Het is typerend dat ik tegelijk met dit artikel ook een artikel van ds. R. van Essen uit Amsterdam onder ogen kreeg (in Idea, 1/88) over het reilen en zeilen van de wijkgemeente in Amsterdam. Men kan Van Essen bepaald niet beschuldigen van gebrek aan liefde voor de kerk. Maar ook hij is toch van oordeel dat de kerkordelijke regels niet meer aansluiten bij de werkelijkheid. Alleen, Van Essen zoekt de remedie vooral in een beleid dat er op gericht is de gaven te ontdekken en te ontplooien, en ernst te maken met de belijdenis van het priesterschap der gelovigen. Mijns inziens biedt de kerkorde daar in menig opzicht mogelijkheden voor, al zullen met name de grootstedelijke situaties wel aanpassingen vergen. Ik ben dan ook erg benieuwd naar de aangekondigde voorstellen van het Grote Steden Beraad.
Blei is kennelijk niet onder de indruk van de kritiek op de synodepost. Van der Lingen overdrijft zijns inziens. Met beleid kan er veel. Dat is stellig waar. En toch vraag ik me af of Blei voldoende oog heeft voor de geuite kritiek. Het is niet alleen een kwestie van beleid en vergadertechniek. Heeft Blei er voldoende erg in, dat met name in de geseculariseerde situatie kerkeraden al vaak zo hun handen vol hebben aan de eigen problematiek, dat de synodepost nu net de druppel is die de emmer doet overlopen? Wanneer er zoals onlangs in een doctoraal-scriptie is aangetoond er al een grote afstand bestaat tussen synode-leden en de beleidsmakers in Den Haag en de stukken niet echt 'landen' op de tafels van de synode-leden, zal het, dan in de relatie synode-grondvlak niet nog meer het geval zijn? Liggen voorts de prioriteiten gelijk? Een plaatselijke gemeente kan soms met zo geheel andere dingen bezig zijn dan de landelijke top. Dat gezegd hebbende geef ik Blei wel toe, dat inderdaad een moderamen van een kerkeraad hier als een goede 'sluis' kan fungeren, mits bij goede voorbereiding en bereidheid om dingen aan de orde te stellen. Maar bereidheid is meer dan een zaak van techniek. Bereidheid ontstaat als men zich ook herkent in de problematiek die op tafel gelegd wordt.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's