Calvijn over Gods beloften (13)
Belofte en doop (vervolg)
Een bijzonder grote betekenis krijgt de promissio in Calvijns verdediging van de kinderdoop. Wij zagen daar al iets van in het vorige artikel. In deze aflevering gaan wij daarop nog even door. De argumenten ten gunste van het dopen van kleine kinderen zijn bij de reformator in de loop der jaren nogal gewijzigd.
Met recht is daarop door J. van Genderen gewezen. Het hoofdargument is evenwel door de tijd heen gelijk gebleven. Aldoor heeft hij zich beroepen op de verbondsbeloften, die naar zijn mening in het Oude en Nieuwe Testament gelijk zijn. Omdat God oudtijds bevolen heeft de kinderen te besnijden, daarom behoren wij onze kinderen ten doop te houden. Doop en besnijdenis staan op één lijn, omdat het in beide handelingen gaat om de bevestiging van dezelfde verbondsbeloften.
Weliswaar verschillen besnijdenis en doop van elkaar wat uiterlijke ceremonie betreft, maar dat is volgens Calvijn minder relevant. Het gaat in het sacrament immers vooral om 'de belofte en om de betekende zaak'. En wat dat aangaat is er tussen besnijdenis en doop geen enkel verschil. In beide gaat het om de belofte van 'Gods vaderlijke gunst, van de vergeving der zonden en van het eeuwige leven'. Op deze overeenkomst tussen besnijdenis-promissio en doop-promissio wijst de hervormer reeds in de eerste uitgave van de Institutie (1536). 'Wat de Heere de joden beloofde in de besnijdenis, namelijk dat Hij hun en hun zaad tot een God zou zijn, datzelfde belooft Hij de christenen nu in de doop, niet alleen de volwassenen, maar ook de kleine kinderen'. Vanwege de voortdurende polemiek met de Dopers breidt Calvijn zijn bewijsvoering in latere uitgaven van zijn hoofdwerk steeds verder uit. Al meer argumenten vanuit de Schrift draagt hij aan om de parallellie tussen besnijdenis en doop te onderbouwen. In telkens weer andere bewoordingen houdt hij zijn tegenstanders de vraag voor: Als de verbondsbeloften gelijk gebleven zijn, waarom zouden de kinderen van het Nieuwe Verbond dan niet ook het teken, dat die beloften vergezelt, mogen ontvangen. Zou Gods genade er met de komst van Christus minder op geworden zijn, dat de kinderen er nu niet meer bij mogen horen? Het tegendeel is het geval, want sedert kruis en opstanding is het verbond alleen maar rijker en ruimer geworden. Rijker, want 'God heeft ons in Christus een nog duidelijker waarborg van Zijn goedheid gegeven'. Ruimer, want 'de beloften, die God vroeger aan Zijn volk Israël gegeven heeft, gelden nu de hele wereld'. Kinderen, uit christelijke ouders geboren, mogen gedoopt worden ten teken dat zij erfgenamen zijn van de zegen van God, aan hun geslacht toegezegd, opdat zij later, als zij tot hun verstand gekomen zijn, de waarheid van hun doop gaan beseffen en er de zegen van ondervinden.
Satanische aanval
In de bestrijding van de kinderdoop ziet Calvijn niet minder, dan een aanval van Satan zelf, die er op uit is om Gods belofte krachteloos te maken. 'Hierom, hierom is het Satan ongetwijfeld te doen, wanneer hij de kinderdoop met zoveel geweld aanvalt, namelijk dat deze betuiging van Gods genade uit de weg wordt geruimd en de belofte die zich daardoor voor onze ogen vertoont, langzamerhand verdwijnt tenslotte. Zij, die de kinderdoop aanvechten, doen God de oorlog aan, lezen wij bij Hand. 11 : 17, omdat zij degenen, die Gods belofte in de kerk opneemt uit eigen beweging wreed buiten de kerk sluiten en hen, die God de naam van Zijn kinderen waardig keurt, beroven van het uitwendige symbool.
Belofte of teken
Door de Roomse praktijk van de nooddoop werd Calvijn ook gedwongen zich rekenschap te geven van de vraag of het teken absoluut noodzakelijk was voor de zaligheid. Is het waar dat de uitwendige handeling onmisbaar is, zoals in de Roomse kerk geleerd werd? Moet aan een pasgeboren kind, dat gaat sterven in allerijl nog het sacrament van de doop worden toegediend, desnoods door een arts of een kraamverzorgster? Is de verbondsbelofte zozeer verbonden aan het teken? In dat geval zou er geen behoud mogelijk zijn voor kinderen die de besprenging met het water niet hebben (kunnen) ontvangen. Daarvan wil de hervormer echter niets weten. Hij noemt het toestaan van de 'vroedvrouwendoop' een goddeloze en heiligschennende ontwijding van de doop. Niet alleen omdat daardoor het geordende ambt buitenspel wordt gezet, maar vooral omdat daardoor tekort wordt gedaan aan de kracht en de reikwijdte van de promissio. Een te grote waarde wordt daarmee toegekend aan het teken. Calvijn benadrukt dat de kracht van het verbond niet afhangt van de doop noch van enige andere bijkomende zaak. Ten diepste legt alleen Gods belofte gewicht in de schaal. Later komt het sacrament er bij, 'niet om aan Gods belofte kracht toe te brengen alsof ze op zichzelf zwak was, maar alleen om haar te bevestigen. Daaruit volgt, dat de kinderen der gelovigen niet daarom gedoopt worden, opdat ze pas dan kinderen van God worden, terwijl ze vroeger vreemd waren aan de kerk; veeleer worden ze door een openbaar teken in de kerk opgenomen omdat ze door de weldaad van de belofte reeds tevoren tot het lichaam van Christus behoren'.
Wanneer het teken van de doop achterwege gebleven is, anders dan door zorgeloosheid, minachting of onachtzaamheid hoeven ouders ook nergens bang voor te zijn. De belofte is niet aan het uiterlijke teken gebonden. Wanneer de doop onmisbaar was, zouden wij er slechter aan toe zijn dan het volk Israël. Als de belofte destijds krachtig genoeg was om voor de achtste dag, de dag waarop de besnijdenis plaatsvond, kinderen zalig te doen worden, zou de belofte dan nu ineens zonder teken krachteloos geworden zijn? Dat zou een al te ongerijmde gedachten zijn. Goedbeschouwd zijn de kleine kinderen der gelovigen, naar Calvijns inzicht, zelfs al geborgen onder de vleugels van Gods beloften, nog voordat ze geboren worden. Vanaf het prilste begin zijn ze opgenomen in Zijn verbond, dat zich voortzet in de bedding van de geslachten.
Een pastorale brief
Er bestaat voor Calvijn geen enkele twijfel over de vraag wat er gebeurt met een kindje, dat zonder nalatigheid van de ouders, ongedoopt komt te sterven. Ziende op de onwankelbare verbondsbelofte mogen zulke ouders geloven, dat hun kind voor eeuwig behouden is. Er is een ontroerende brief van Calvijns hand bewaard gebleven, gericht aan een edelman uit de Provence, wiens kind overleed alvorens het ten doop gehouden was. Tijdens de geboorte woonden de vader en moeder in een Roomse streek, waar zij het liever niet wilden laten dopen. De ouders waren voornemens het kind zo spoedig mogelijk in een hervormde gemeente ten doop te houden. Door omstandigheden schijnen zij aan dat voornemen niet tijdig gevolg te hebben kunnen geven. Calvijn troost en bemoedigt hen op bijzonder vertroostende en pastorale wijze: 'Indien iemand aanvoert, dat uw kind nu van de doop, die het teken is der zaligheid, is beroofd, dan antwoord ik, dat het er voor God niet erger aan toe is, dan een kind dat wel gedoopt is. Want hoewel de doop onze aanneming tot kind bezegelt, niettemin staan wij door de vrije genade van God en door Zijn belofte opgetekend op de rol van het boek des levens. Worden onze kinderen niet zalig dan alleen omdat er gezegd is: Ik ben de God van uw zaad? Zonder deze grond zouden zij zelfs niet gedoopt mogen worden. Indien hun zaligheid dus verzekerd is door de belofte, die op zichzelf als fundament sterk genoeg is, dan mag men niet aannemen, dat alle ongedoopte kinderen verloren gaan, want als men zo het zichtbare teken zou willen eren, dan zou men God een groot onrecht aandoen en Hem onteren, daar wij op die manier inbreuk zouden maken op Zijn waarheid, als ware onze zaligheid op Zijn belofte niet hecht genoeg gefundeerd.'
Geen verwaarlozing
Anderzijds wijst de reformator in deze brief er toch ook in alle ernst op, dat men het sacrament van de doop niet mag verontachtzamen. De doop is een te heilige zaak, dan dat men haar opzettelijk achterweg zou mogen laten. De reformator stelde zich, met andere woorden, geheel op het standpunt zoals dat ook in de oude kerk gehuldigd werd: iet het ontbreken, maar het verachten van het sacrament is te veroordelen. In de verklaring van Genesis 17 : 14 schrijft hij over de noodzakelijkheid van besnijdenis: 'Omdat het de mens niet vrijstaat te scheiden, wat God heeft samengevoegd, kan niemand het teken verachten of verwaarlozen, zonder het Woord te verwerpen en zich van de daarin aangeboden zegening te beroven.' Dezelfde regel acht Calvijn tegenwoordig nog van kracht met betrekking tot de doop. 'Al wie de doop veracht en genoeg waant te hebben aan de belofte alleen, versmaadt zoveel hij maar kan Christus' bloed.'
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's