De heerlijkmaking (9)
In de hemel geldt niet meer de band des bloeds. Ook de nationale en internationale gemeenschap zal er niet meer worden aangetroffen. Alle onderscheid in ras en volk, taal en stam zal zijn weggevallen. De gezaligden zullen het Lam volkomen en volmaakt aanbidden. Het zal zijn één schare voor de troon Gods; één kudde onder de enige Herder; één bruid verenigd met de hemelse Bruidegom. Alle kinderen Gods zullen één zijn in Christus Jezus. Aardse verhoudingen zullen er ontbreken. Wij die door genade zalig worden zullen er niet voortleven als man en vrouw, ook niet als ouders en kinderen. Voor deze hoop, dat wij elkaar weer in dezelfde relaties ontmoeten als hier op aarde geeft de Schrift geen enkele aanleiding. Sommigen hebben zich hiervoor wel eens beroepen op de woorden van David die hij sprak bij het sterven van het kind van Bathseba. David zei: 'Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen' (2 Sam. 12 : 23a). David spreekt in dit geval echter niet over een weerzien. Hij wil alleen maar zeggen, dat hij zijn kind niet uit het graf krijgt, doch dat hij zelf het graf, de dood wel in moet.
Wie het boek Openbaring leest zal het opvallen dat juist in dit boek waarin het toch bij uitstek gaat over 'de leer der laatste dingen' met geen woord wordt gesproken over een weerzien. Dat wil weliswaar niet zeggen, dat er geen weerzien òf herkenning zal zijn, maar wel dat ook hierin Christus alles moet zijn en het weerzien in geen geval voorop staat. Christus, Christus alleen staat centraal.
à Brakel
In het bovenstaande en in het vorige artikel heb ik vanuit de Schrift proberen aan te tonen, dat er hoewel sober en beknopt wel van een weerzien òf herkennen wordt gesproken, met name in de Evangeliën. Ook heb ik op grond van Jezus' eigen woorden gesteld, dat er van aardse banden in de heerlijkmaking geen sprake zal zijn. Nu blijft nog de vraag over of à Brakel in zijn 'Redelijke Godsdienst' toch geen andere dingen hieromtrent heeft gezegd dan er in de Schrift staan. In zekere zin zal ik moeten zeggen: ja. In hoofdstuk LX, par. 7 van zijn 'Redelijke Godsdienst' geeft hij op de vraag 'Of men in de hemel elkaar zal kennen' dit antwoord: 'Alhoewel de kennis niet zal zijn als hier en met lichamelijke betrekking en genegenheid vergezelschapt, zo achten wij, dat de leraars de lidmaten, de lidmaten de leraars, de man de vrouw, de vrouw de man, de ouders de kinderen, de kinderen de ouders, de bloedverwanten en hier bekenden elkaar zullen kennen, dat allen, die in de Bijbel geroemd worden, en allen, die in de heerlijkheid uitmunten, van allen gekend zullen worden, en door openbaring Gods, en door de eeuwige omgang met elkaar; daar zal niemand vreemdeling zijn of als zodanig van iemand aangezien worden, want men zal het geheugen niet verloren hebben; onkunde is zwakheid en daar zal geen onvolmaaktheid zijn; de gemeenschap zal daar volmaakt met elkaar zijn, en dies niet blindelings maar met kennis; ik acht dat men de wegen, waarlangs de Heere eenieder heeft geleid, elkaar zal verhalen, en de volmaaktheden van God, die zich in iedere stap opdeden, met elkaar zal roemen en prijzen, zodat men niet zonder op elkaar te letten, ieder voor zichzelf alleen zal bezig zijn in de onmiddellijke beschouwing van God; maar dat men als mensen doch verheerlijkten, met elkaar zal verkeren en met elkaar God verheerlijken. De discipelen kenden Mozes en Elia op de heilige berg, Matth. 17 : 3. De armen kenden hun weldoeners, als zij ze in de eeuwige tabernakelen zullen ontvangen, Luk. 16 : 9. Het missen van de zijnen zal daar geen droefheid baren, omdat alle lichamelijke betrekking en genegenheden daar ophouden, en de rechtvaardigheid van God al zowel de stof van blijdschap en verheerlijking va2 God zal zijn, als zijn goedheid'. Het is een wat lang citaat dat ik van à Brakel hier aanhaal, doch om misverstanden te voorkomen achtte ik het nodig het in z'n geheel aan te halen.
Voortzetting van de oude relaties?
In verschillende opzichten ben ik het met à Brakel van harte eens. Vooral dan wanneer hij de nadruk legt op de verheerlijking van God. Toch blijft de vraag bij het lezen van dit alles overeind staan of hij niet beweert dat de oude relaties in de hemel zullen blijven voortbestaan. Het schijnt immers alsof à Brakel hieraan denkt, wanneer hij schrijft, dat de leraars de lidmaten, de lidmaten de leraars, de man de vrouw, de vrouw de man enz. elkaar zullen kennen. Wij zullen elkaar – en dit volgt mijns inziens uit de woorden van à Brakel – kennen en herkennen in de relaties, waarin wij op aarde tot elkaar hebben gestaan.
Die relaties doen zich in welke vorm dan ook in de hemel nog gelden. In wat hij neerschrijft kan niet bedoeld zijn, dat wij alleen maar de herinnering hebben van wat op aarde geweest is en als herinnering in de hemel nog nawerkt.
Toch kunnen wij ons afvragen of à Brakel zichzelf ook niet enigszins tegenspreekt als hij aan het begin van het aangehaalde citaat duidelijk spreekt over herkenning, doch aan het einde daarvan schrijft dat het missen van de zijnen geen droefheid zal baren, omdat alle lichamelijke betrekking en genegenheden daar ophouden. Hoe à Brakel dit alles heeft gezien is voor mij niet helemaal duidelijk. Wij gaan de veiligste weg, wanneer wij ons houden aan het woord van Jezus dat de relaties van het ondermaanse, ook de familierelaties een einde in de hemel zullen hebben. Wij moeten ons in de verborgen dingen van de Heere onze God maar niet indringen, en niet al te nieuwsgierig zijn, hoe het dan wel zal zijn. Laat het voor ons voldoende zijn, dat het Vaderhuis met zijn vele woningen voor ons door genade opengaat en wij dan verlost zullen zjn van alle zonde en dood en voor eeuwig bij de Heere zullen zijn om tesamen met alle verlosten het lied van Mozes en het Lam te zingen. En voorts… wij moeten niet denken dat de oude relaties waarop à Brakel toch min of meer doelt in het begin van het aangehaalde citaat in de hemel worden voortgezet. Allen zullen één zijn in Christus. In Hem is noch man noch vrouw, noch Jood noch Griek.
Het verlangen naar weerzien
In het pastoraat verneem ik zo nu en dan bij deze òf gene een verlangen om een geliefde dode weer te zien. Men zegt: 'Ik verlang hem òf haar die mij is voorgegaan weer te ontmoeten'. Ik stel de vraag: 'mag er wel een verlangen naar het weerzien van de nu reeds ontslapenen zijn?' Wanneer wij de brieven van de apostel Paulus en het boek Openbaring nauwkeurig lezen, zullen wij van zo'n verlangen niets lezen. Men leest geen woord van een verlangen van de kerk hierbeneden naar de kerk hierboven. Er wordt in dit verband wel eens gewezen op het boek Openbaring waarin te lezen is over de martelaren onder het altaar dat zij tot God roepen. Echter… in dat roepen komt niet hun verlangen uit naar de kerk hierbeneden, maar spreekt het verlangen dat God hun bloed zal wreken, dus gerechtigheid zal doen. Juist omdat de Schrift eigenlijk helemaal niet spreekt over een verlangen naar weerzien, moeten wij hiermee uitermate voorzichtig zijn. Ten diepste spreekt het Woord ons alleen van een verlangen om met Christus te zijn. Ik denk in dit verband aan Paulus, die wenste ontbonden te zijn om altijd met Christus te wezen. Alle hoop op weerzien van anderen moet derhalve wijken voor de hoop op het eeuwig delen in de volmaakte gemeenschap van het Lam. Voor de hoop van herkenning van elkaar moeten wij daarom geen plaats inruimen in de eschatologie (de leer der laatste dingen). Want indien dit wel gebeurt wordt er wagenwijd een deur opengezet voor allerlei fantasieën en speculaties. En hoe men in de kerk zich aan allerlei speculaties en fantasieën heeft overgegeven, heb ik in een vorig artikel aangetoond. Daarom, wij moeten ons maar houden binnen de kaders van de Schrift wat ons daarin is geopenbaard. De openbaring Gods zij ons genoeg! Het zaligst 'weerzien' is het Lam te ontmoeten.
Deze ontmoeting staat in het Vaderhuis centraal. Zij is het voorwerp van het hoogste verlangen van Gods kerk. Wie naar de hemel verlangt om vader, moeder of wie dan ook te zien en dit dan ook nog losmaakt van de gemeenschap in- en met Christus heeft een onschriftuurlijk verlangen. Zonder het Lam Gods is de hemel geen hemel. Van Augustinus zijn ons de gevleugelde woorden bekend, dat hij uit de hemel snel wilde wegvliegen als hij er Christus niet zou ontmoeten. Het was hem in de hemel alleen om Christus te doen, hoewel ik er direkt bij aanteken, dat hij ook heeft gezegd dat hij zich over drie dingen zou verwonderen. In de eerste plaats zou hij zich verwonderen over hen die er niet zullen zijn. Zij die zich voor christen op aarde hadden uitgegeven en het toch niet waren. In de tweede plaats zou hij zich verwonderen over sommigen die er wel zouden zijn, hoewel zij op aarde nooit voor kinderen Gods werden aangezien. Maar het meest zou hij zich verwonderen, dat de Heere hem verwaardigd had een plaats in het Vaderhuis te geven. Laten wij voor ons het maar houden op dit laatste, dat het inderdaad de grootste verwondering voor ons zal zijn, wanneer de Heere ons onder Zijn uitverkorenen een plaats heeft gegeven. Daarbij verbleken alle vragen over een weerzien òf herkennen van elkaar. Dan is er alleen maar plaats voor het loflied: Het is door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen.
De opstanding
Wij geloven in de opstanding van het vlees! Hierover zal ik dan nu nog het een en ander moeten schrijven, temeer omdat ik er nadruk op heb gelegd, dat lichaam en ziel weliswaar te onderscheiden zijn, doch niet te scheiden.
Het zal ons bekend zijn, dat de Sadduceën niet in een opstanding van het vlees geloofden. Niet alleen de zielen waren naar hun mening onsterfelijk, doch ook het lichaam. Van deze opponenten heeft de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling veel last gehad. Dat geldt trouwens evenzeer voor de apostel Paulus. Want als er één de opstanding uit de doden heeft geleerd, is hij het wel geweest. De opstanding van het vlees wordt ons in de Schrift op vele plaatsen geleerd. Dat staat voor ons onomstotelijk vast. Wel is het een vraag geweest en is het wellicht nog een vraag òf de zielen de lichamen zullen ontvangen waarmee zij nu bekleed zijn. Er wordt wel beweerd dat de zielen met een ander en nieuw lichaam toegerust zullen worden. Wie hebben dit in het verleden onder andere beweerd? Wel, de Manicheïsten. Zij beweerden dat vlees dat onrein is niet kan opstaan. Zij vergaten echter dat ook de zielen van nature onrein zijn. Desondanks werden de zielen door hen toch niet uitgesloten van de hoop op het hemelse leven. Het vlees, het lichaam werd echter door de Manicheën van nul en generlei waarde geacht, omdat het door de duivel zou zijn geschapen. Ik ga hierop niet verder in, omdat Gods Woord ons zegt, dat de Heere de mens, lichaam en ziel, heeft geschapen. Bij de Manicheën treft men dus een grote minachting aan voor de schepping van het lichaam door God en wordt aan de duivel iets toegekend wat hij helemaal niet bezit nl. scheppingskracht. Het lichaam is van God en het behoort toe aan God. De Heere heeft Zich de lichamen gewijd tot tempels (1 Kor. 3 : 1); zij zijn ledematen van Christus (1 Kor. 6 : 15). De Heere beveelt, dat alle delen daarvan Hem geheiligd worden. Weliswaar lezen wij van het lichaam dat het de verderfelijkheid zal aan doen, maar daarmee houdt het niet op. Want wij horen Paulus 1 in Korinthe 15 : 52-54 zeggen: 'In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zulle veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid hebben aangedaan, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning',
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's