Kracht
In de laatste jaren van zijn leven had de dichter Goethe de jonge Johann Peter Eckermann als naaste medewerker. Hij was door Goethe aangetrokken als secretaris – maar steeds meer werd hij de vertrouwensman van de dichter. Bijna dagelijks hadden ze gesprekken – over de meest uiteenlopende onderwerpen. Op 12 maart 1828 geeft de dichter een pessimistische visie op de tijd waarin hij leeft. Hij klaagt over de gekunsteldheid – de gecompliceerdheid van het leven. Verkeerde voeding en levenswijze. Maatschappelijk verkeer zonder eigenlijke liefde en genegenheid. De wereld lijkt wel rijp voor de jongste dag. Het kwaad hoopt zich op van generatie op generatie – klaagt Goethe. ledere generatie erft de zonden van de vorige generatie en geeft die – vermeerderd met de eigen gebreken – door aan de volgende. Eckermann zegt dat hij ook wel eens dergelijke gedachten heeft. Maar als hij een regiment Duitse cavalerie voorbij ziet rijden – dan is dat gauw over. Zoveel schoonheid en kracht! Het is met het voorbestaan van de mensheid nog niet zo heel slecht gesteld als je dat ziet. Zo weet Eckermann de sombere gedachten bij Goethe te verdrijven. De dichter begint over de Schatten van de hertog van Wellington. Dat moeten helden geweest zijn! Eckermann valt hem bij: 'Ik heb ze een jaar voor de slag bij Waterloo in Brussel gezien. Dat waren inderdaad schone lieden! Allen sterk, fris en behendig, als uit de eerste hand van God. Ze droegen allen het hoofd zo vrij en vrolijk en schreden met hun stevige, naakte dijen zo licht voorwaarts, als was er voor hen geen erfzonde en geen gebreken der vaderen' (Eckermann, Gespräche mit Goethe, deel III).
Een merkwaardig gesprek – ook wat stuitend eigenlijk. En toch heb je het gevoel dat er in dat gesprek iets essentieels aan de orde komt. Ik herinner me dat ik voor het eerst bij een beëdiging van officieren was. De aangetreden compagnieën vulden een heel plein. Eén bevel: 'Geef acht!' en tegelijk springt iedereen in de houding. Zo prachtig gelijk alsof er maar één man met de voet stampte. Op dat moment ging er een trilling door me heen – prachtig! Het gaf me een kick – om het nog eens anders uit te drukken. Op hetzelfde moment vond ik het ook wat stuitend dat me dat overgekomen was. IK had niet vermoed dat ik daar vatbaar voor was. Goethe was dichterbij dan ik dacht.
De pessimistische bui van Goethe is herkenbaar genoeg. De samenleving heeft nogal wat van de voorgaande generaties geërfd! Er is een economisch vraagstuk – een bewapeningsvraagstuk – een vreemdelingenvraagstuk – allemaal geërfd van de voorgaande generatie. Geen erfenis waar je vrolijk van geniet. Nee – het zijn 'vraagstukken' die we geërfd hebben – problemen. En daar voel je je gauw machteloos tegenover. Je kunt er wat over klagen – maar wat doe je ertegen? Zulke tijden zijn gevoelig voor de merkwaardige trilling die uitgaat van menselijke schoonheid – de kracht van de lichaamsgestalte. De kick van het: Geef acht! bij de beëdiging slaat dan door de hele maatschappij heen.
Het is niet vreemd dat juist in deze tijd de krachtsport een geweldige bloei doormaakt. De fitness-centra beleven een goede tijd. Krachtsport is een sport van bijzonder karakter. Het wedstrijdelement verdwijnt bij die sport op de achtergrond. Het oefenen met halters, gewichten en andere toestellen doe je alleen. Het gaat daarbij voornamelijk om een gave lichaamsgestalte. Dat geeft kennelijk de kick. Een enkele keer vang je iets van de diepere achtergronden op als je mensen vraagt waarom ze nu net die sport beoefenen. 'Groot willen worden' – dat is een uitdrukking die je telkens hoort. 'Groot' – een grootheid die uitkomt in de gestalte van het lichaam. Het is een ideaalgestalte.
'Ik doe het al jaren' – vertelde iemand me. 'En ik leer het mijn kinderen ook. Die trainen iedere dag een uurtje met mij mee. Ik wil geen timide kindertjes in de maatschappij zetten. Als ik die jochies van de buren zie! Die branden af tot op hun enkels als ze straks in de maatschappij komen'.
Even zie je Goethe op de achtergrond.
Ik vroeg een jongen wat hij in die sport zag. 'Wij hebben thuis niet veel' – zei hij. 'En bij ons in de buurt is bijna iedereen werkloos. En je wordt nog uitgebuit ook. Kijk – je bent eigenlijk niks. Je wilt je ook eens manifesteren.'
Zich manifesteren – zich openbaren… Er ligt een religieuze klank in die woorden. Het fitness-centrum waar ik ben wezen kijken had iets van een religieuze ruimte. Er hing een stilte als in een heiligdom. De baas die me rondleidde praatte op een gedempte toon. Zelf ging ik ook automatisch zachter praten. Aan de wand hingen afbeeldingen van de 'grote jongens'. Voor één van die posters stond een jongen minutenlang in stille bewondering te staren. Als was het een ikoon… Er openbaart zich iets in die gestalte van het lichaam. Er klinkt een toon van vervoering in de woorden van Eckermann als hij zegt dat die marcherende troepen 'als uit de eerste hand van God' waren! Het is iets van een goddelijke glans die zich daar manifesteert.
'Groot zijn' – het ideaal. Het is met het voortbestaan van de mensheid nog niet zo heel slecht gesteld. De krachtsport is maar één van de vormen waarin dit ideaïal zich manifesteert in de samenleving: 'Groot zijn'.
Toch – er zit iets stuitends in dat gesprek van Goethe met de jonge Eckermann. Toen Calvijn zo'n tweeënhalve eeuw eerder zijn Institutie schreef – keek hij gereserveerder tegen de menselijke gestalte aan. Hij geeft toe dat ook 'in de uitwendige mens de heerlijkheid van God straalt' (Boek I, 15, 3). Maar hij heeft zijn reserves. Als de mens het beeld van God genoemd wordt – dan is dat volgens Calvijn iets geestelijks. Als hij dat zegt is dat niet een overdreven verachting voor het lichaam. De kwestie ligt dieper. Hij weigert zich blind te staren op een ideaal: het rnenselijk lichaam als openbaring van het goddelijke. Dat was een ideaal waarbij hij reserves had. Ten diepste gaat het om reserves ten aanzien van het ideaal van de 'Übermensch' – de supermens zoals die tenslotte in Duitsland kwam oprijzen uit de pessimistische stemming van de jaren dertig. De 'Übermensch' is niet een plotselinge verschijning van onze eeuw. De scherpe blik van Calvijn had hem in zijn tijd al gesignaleerd – en hij had zijn reserves. In pessimistische tijden geeft dat ideaal een extra kick. De gereserveerde houding van Calvijn blijft actueel. Het eigenlijke beeld van God is iets geestelijks – eensgezindheid. De gezindheid die in Christus Jezus was 'die zichzelf tot niet gemaakt heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen' (Filipp. 21 : 5-7). Dat is de verborgen gestalte van een gebroken geest. Maar ja – voor die gestalte moet je oog krijgen.
J. van Eck jr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's