De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Steeds weer zien wij, dat in de theologische bezinning beslissingen vallen in wat we in de geloofsleer noemen de Godsleer, de bezinning op het spreken over God. Nu zullen we juist hier altijd weer behoedzaamheid moeten tonen gedachtig aan het woord van de Prediker: 'God is in de hemel en gij zijt op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn'. Behoedzaamheid die daarin tot uiting komt, dat we scherp luisteren naar Wat de Heere God aangaande Zichzelf openbaart in Zijn Woord.

Is Gods almacht een geloofsartikel?
Dat is de vraag die aan prof. dr. G. P. v. Itterzon werd voorgelegd in zijn vragenrubriek in het Hervormd Weekblad. In de huidige theologie wordt dit door menigeen ontkend. God zou niet opgewassen zijn tegen het leed en het kwaad.
Hooguit zouden we moeten spreken van weerloze overmacht. Het boekje van Kushner, de joodse auteur, 'Als het kwaad goede mensen treft' heeft op velen een diepe indruk gemaakt. Toch wordt in de twaalf artikelen tweemaal gesproken over de almachtige God. Van Itterzon verzet zich tegen de gedachte van de weerloze God alsmede ook tegen het spreken over de mens als partner van God. Al te zeer doen we dan tekort aan het schriftuurlijk spreken dat weet van Gods macht en dat afstand schept tussen God en mens. Ook Van Itterzon weet dat de vragen met betrekking tot het waarom levensgroot zijn en door ons redelijk denken niet kunnen worden opgelost. We zullen op moeten passen voor caricaturen: Gods almacht is de almacht van zijn reddende liefde.

'Het is fout, als men van Gods almacht een caricatuur maaakt. Alsof ze een soort tovermacht zou zijn van Iemand, die de meest wonderbaarlijke dingen kan doen. Volkomen terecht heeft prof. Van Niftrik opgemerkt: "God doet geen kunstjes en geen mirakelen. Hij doet wonderen van genade alleen." Zulk een toverkracht zou trouwens niet goed uitwerken. Tijdgenoten van Jezus vroegen Hem meer dan eens om een teken, liefst een teken uit de hemel. Maar zelfs toen Hij Lazarus uit de doden had opgewekt, lieten ze zich niet gezeggen, maar verhardden zij hun hart en beraadslaagden zij om Hem te doden en Lazarus daarbij (Joh. 11 : 53; 12 : 10). Want hoewel Hij zoveel tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem (Joh. 12 : 37).
Geen caricatuur. Want de almacht van God is niet een abstracte, angstaanjagende, onberekenbare macht, die ons voor God doet wegschuilen, omdat Hij ons met Zijn ontzagwekkende macht zou bedreigen. Ze is veeleer de almacht van Zijn liefde tot zondaren, keer op keer betoond in Zijn daden van redding en verlossing, van goedertierenheid en recht, van oordeel en genade in het werk der verzoening aan het kruis. Hoe vaak heeft de gemeente gezongen: Hij kan en wil en zal in nood. Zelfs bij het naadren van de dood. Volkomen uitkomst geven? Geloofd zij God met diepst ontzag (Ps. 68).
In een andere, ook overbekende Psalm 89 zingt de dichter: "Van de gunstbewijzen des Heeren wil ik altoos zingen, van geslacht tot geslacht zal ik Uw trouw met mijn mond verkondigen. God is zeer ontzagwekkend in de raad der heiligen, geducht boven allen, die rondom Hem zijn. Heere, God der heerscharen, wie is als Gij grootmachtig, o Heere, en Uw trouw is rondom U. Gij hebt een machtige arm. Uw hand is sterk. Uw rechterhand verheven; gerechtigheid en recht zijn de grondslag van Uw troon, goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht henen.
In onze mensenwereld heeft het woord macht vaak een nare bijsmaak en is er dikwijls sprake van brute macht, tirannie, overweldiging en onderdrukking van onschuldige slachtoffers. Zulke "machthebbers" zijn om hun schandelijke praktijken terecht gevreesd en gehaat. Opstandige bewegingen ontlenen vaak hun recht en kracht aan erbarmelijke wantoestanden, die mensen wel moeten brengen tot wanhoop en verzet.
Gods almacht heeft met zulke goddeloze praktijken niets van doen. Zijn almacht mag niet worden gemeten met de maatstaf van gewetenloze despoten en wrede heersers. Zijn almacht is innig verbonden met al Zijn deugden, met Zijn liefde en genade het meest.
Datzelfde mag gelden van Zijn Zoon, Jezus Christus, die leerde als een machthebbende, die tekenen en wonderen deed. Zijn leven was één lijdensweg, die uitliep op het kruis, voor het gewone oog uiteindelijk een weerloos slachtoffer van meedogenloze vijanden. Als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open (Jes. 53). Maar toen Hij was opgestaan, bleek Hij het heilig Offerlam te wezen, dat de zonde der wereld wegneemt. Of, zoals Openbaring het zegt; Het Lam, dat geslacht is en dat ons kocht met Zijn bloed, is ook de Leeuw uit Juda's stam, de Koning der koningen en de Heere der heren. En na Zijn opstanding sprak Hij tot Zijn discipelen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 : 18).'

Op deze God mag de gelovige bouwen op hoop tegen hoop in het nochtans van het geloof. Zo hebben Job en Asaf, Habakuk en Ethan (Ps. 89) hun sterkte gevonden in de God van Israël. In de nacht van hun leed hebben zij de psalmen van Gods trouw gezongen. Nochtans!

Is Allah dezelfde als de God en Vader van Jezus Christus?
In het blad Credo is naar aanleiding van uitlatingen van ds. R. v. d. Berg, voorzitter van de CGB, een brief opgenomen van ds. J. Slomp aan het adres van Van den Berg en de redactie van Credo. We geven eerst deze brief in extenso weer (geciteerd uit Credo, maart 1988).

'Leusden, 14 januari 1988

Beste Reinier,
Enkele mensen attendeerden me op je uitspraak over Allah en God in het zaterdagnummer van Trouw, 9-1-1988, op de kerkpagina, onder de kop "Evangelie in het geding". Ik had die opmerking zelf natuurlijk ook gelezen en hoefde daarom nauwelijks aangespoord te worden om je hierover te schrijven, te meer daar ik mezelf ook confessioneel gereformeerd zou willen noemen.
Wie echt gereformeerd is/of wil zijn kan niet anders dan confessioneel zijn. Ik heb dan ook geen enkele moeite met het ondertekenen van de drie formulieren. Gereformeerd en confessioneel is voor mij praktisch identiek. Trouwens je kunt weten dat ik met prof. Jacques Rogers uit Amerika een Nederlandse vertaling heb verzorgd van de Presbyteriaanse belijdenis van 1967. Daarin heb ik onder meer geschreven dat volgens mij een kerk zonder confessie een kerk is zonder ruggegraat. In Pakistan heb ik me ook met confessiestudie bezig gehouden.
Des te opmerkelijker vind ik het dat de VCGB blijkens je opmerking in Trouw en de open brief van januari 1988 uit Ermelo die voor me ligt, kernpunten van het gereformeerd belijden formuleert, die voor mij volstrekt nieuw zijn.
In principe is daar niets tegen, want "ecclesia re formata sed semper reformanda". Als er dan zo iets nieuws wordt geformuleerd verwacht de lezer op zijn minst een toelichting of een verklaring dat het betreffende onderwerp nog onder discussie is.
Ik bedoel natuurlijk de zin:
"…dat Allah van de moslims niet dezelfde is als de Vader van Onze Heer Jezus Christus." Waar haalt de VCGB dit vandaan? Van de 3 formulieren van enigheid – en daar denkt VCGB toch in de eerste plaats aan – vermeldt de Nederlandse Geloofsbelijdenis alleen dat joden, moslims en enkele ketters uit de oude kerk de leer van de drieëenheid afwijzen. Maar dit leidt niet tot de conclusie van de VCGB. Een dergelijke conclusie zou trouwens ook niet in de lijn van artikel I "Dat er een enig God is" hebben gelegen. Tegen dat eerste artikel valt geen islamitisch bezwaar in te brengen.
In het verdere stuk, dat jullie in enkele duizenden exemplaren rondstuurden, wordt ook nergens uit gelegd waarom deze privé mening – want ander is het niet – tot de kernpunten van het gereformeerd belijden zou behoren.
Je bent aan je lezers op zijn minst een verklaring schuldig die theologisch verantwoord is. Anders is het een slag in de lucht.
Op verzoek van de redactie van Evangelisch Commentaar schreef ik voor het Paasnummer van 1985 een artikel over "God in Islam en Christendom". Een copie daarvan wordt ingesloten. Niemand heeft daarop gereageerd door te stellen dat mijn visie de kern van het gereformeerde belijden zou aantasten. Integendeel Ik zou willen stellen dat wie zulks beweert in strijd komt met Rom. 3 : 29: "Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. (Dat met heidenen heiden-christenen worden bedoeld wordt lang niet door alle uitleggers ondersteund). Ook zit zo iemand gevaarlijk dicht in de buurt van Mardon die door het bovengenoemde artikel IX van de Nederlandse Confessie als ketter wordt afgewezen. Mardon beweerde dat de God van het Oude Testament een andere was dan die van het Nieuwe.
Moslims (evenals joden en christenen) geloven in God de Schepper, Onderhouder en Voleinder, maar ze geloven volgens jou niet in dezelfde God, omdat ze niet op onze christelijke manier in God de Verlosser geloven. Ik zeg: op onze manier, want moslims kennen wel degelijk een heilsleer, waarin profeten, boeken en engelen een centrale rol spelen. Met jouw nieuwe variant van theologisch Marcionisme wens ik niet mee te gaan, niet alleen omdat ik dit beledigend vind voor moslims en bovendien niet theologisch, maar niet in de laatste plaats, omdat daardoor een onmogelijk obstakel ontstaat voor elk missionair gesprek. Een door ons zelfgemaakt obstakel wel te verstaan. Een obstakel dat men vooral niet moet identificeren met het scandalon de aanstoot waarmee zeker niet alleen moslim lezers van het N.T. te maken zullen krijgen en waarover met name K. Schilder zulke behartenswaardige dingen heeft geschreven.
Ik gebruik het woord "missionair" niet per ongeluk. Ik wil met de moslim – maar niet alleen met hem of haar – best spreken over de kern van het christelijk geloof, de verzoening door het kruis van Christus. Inderdaad een kernpunt van onze belij­denis. Daarover is tussen ons geen meningsverschil. Ondermeer daarom ben ik indertijd zendeling geworden in Pakistan (1964-1977). Je mag ook best van me weten, dat ik juist daarom de Anselmiaanse verzoeningsleer aanhang, omdat bisschop Anselmus van Canterbury al in 1097 zo precies inging op de moslim bezwaren tegen de verzoening door het kruis van Christus.
Ik hoop dat je deze zaak eens goed aan de orde stelt in Credo en niet op de oppervlakkige manier, ­waarop dat in jullie schrijven gebeurt
De zaak is er ernstig genoeg voor
Dan ga ik er nog helemaal niet op in dat deze manier van schrijven er naar tendeert het werk dat ik samen met anderen in opdracht van de synode van de G.K.N. doe in discrediet brengt. Gesuggereerd wordt op z'n minst dat wie er anders over denkt niet goed gereformeerd zou zijn.
Ik stuur een copie van mijn brief naar de redactieleden van Credo.
Met de beste wensen voor 1988 en broederlijke groet,
je w.g. Jan Slomp'

De kwestie is niet nieuw. Ze is ten onzent ook door Verkuyl in alle duidelijkheid gesteld en m.i. op een andere wijze beantwoord dan door Slomp gebeurt. De redactie van Credo is bij monde van dr. R. Fernhout op deze uitdagende brief van Slomp ingegaan.

De belijdenis van Nicea
Fernhout wijst er op dat het Credo en het er­ CGB er niet om begonnen is moslims ook maar op enigerlei wijze te kwesten, integendeel, 'In het geding zijn niet moslims maar christenen die verschil tussen Allah van de Koran en de Vader van Jezus Christus niet van wezenlijk belang vinden'. Dat verschil is, gezien art. 9 van de NGB, 'een kernpunt van gereformeerd belijden. Maar de vraag die Slomp op tafel legt is: Mogen we zeggen dat ondanks verschillen Allah uiteindelijk toch dezelfde God is? ­

'Wanneer we dit aan een moslim vragen lijdt het geen twijfel dat zijn of haar antwoord volmondig "ja" zou zijn. De islam heeft zichzelf nooit als een nieuwe religie met een eigen God beschouwd, maar als de voortzetting van de religie van Mozes (de joden) en die van Jezus (de christenen). Eigenlijk grijpt de islam volgens de Koran terug op de religie van Abraham die noch jood noch christen was, maar aan beide voorafging. Christenen aanvaarden in zoverre deze aanspraak van moslims, dat ­zij in Arabische bijbelvertalingen, voor zover mij bekend, het woord "God" steeds met "Allah" weergeven. Ook de miljoenen koptische christenen in Egypte schromen niet, wanneer ze in plaats van hun eigen kerktaal het Arabisch gebruiken. God "Allah" te noemen. In een koptisch leerboekje kunnen we de volgende uitspraken vinden: "De Vader is Allah", "de Zoon is Allah", "De Heilige Geest is Allah". Nu houdt dit woordgebruik uiteraard niet in ­dat men ook in werkelijkheid Allah van de moslims dezelfde acht als de drieënige God van het christelijke belijden. Men heeft echter, in het door en door moslimse milieu, weinig ­gedaan om de schijn te vermijden.
Men hoeft die schijn ook niet te vermijden. Het verschil tussen de drieënige God en Allah zoals de moslims Hem vereren is zó duidelijk, dat de uit het leerboekje aangehaalde uitspraken moslims als godslasterlijk in de oren zullen klinken. De moslim mag "ja" zeggen, wanneer je vraagt: "Is Allah dezelfde als de Vader van Jezus Christus?", hij zal even hartgrondig "nee" zeggen, wanneer je de vraag iets anders formuleert, namelijk: Is Allah de Vader van Jezus Christus?". Moslims vinden het een ernstige fout van ons christenen, dat wij menen, dat Allah een Zoon kan hebben, laat staan een Zoon die mens geworden is om voor onze zonden te sterven. De Koran zegt hier onder meer het volgende over:

"…de Christenen zeggen: de Masih (Messias) is Allah 's zoon. – Dat is wat zij zeggen met hun monden, in aanpassing aan de woorden van hen, die in vroeger tijd ongelovig waren (de heidenen met hun veelgodendom). Allah moge hen bestrijden! Hoezeer zijn zij in leugen verstrikt?" (K. 9, 30; vert. J. H. Kramers). Nu wordt om de tegenstelling te overbruggen wel eens gezegd, dat uitspraken als deze op een misverstand berusten. De Arabieren uit de tijd van Mohammed zouden zich geen ander soort van zoon dan een lichamelijke zoon kunnen voorstellen. Daarom dachten zij ook, dat de christenen meenden dat Jezus de lichamelijke Zoon van God was. Op grond van dit misverstand zou Mohammed dan tot zulke uitspraken zijn gekomen en daarom hoeven we ze niet al te ernstig op te vatten. Zulk een uitleg klinkt sympathiek, maar gaat naar mijn mening geheel voorbij aan het eenvoudige feit, dat Mohammed naar het geloof van de moslims zelf, in het geheel niet aan het woord is in de Koran. Mohammed is naar moslimse opvatting niets anders geweest dan een boodschapper van Allah, die letterlijk Zijn woorden heeft weergegeven. Het is dus niet Mohammed, die op grond van een misverstand de christenen veroordeelt, maar Allah zelf, die uiteraard voor geen misverstand vatbaar is. Daarom gelooft de moslim het dan ook zoals het er staat, namelijk dat Allah geen Zoon heeft hoe dan ook. Voegt men daarbij dat de Koran, bij alle waardering die deze Schrift voor Jezus Christus als profeet kent, van een verzoening van onze zonden door Hem niets weet, dan moeten we besluiten dat Allah van de Koran toch wel een geheel andere God is dan de vader van Jezus Christus.
Hoe zwaar weegt dit verschil? Ik ben het met ds. Slomp eens dat het bar onverstandig zou zijn een gesprek met moslims te beginnen met de stelling dat hun God niet onze God is. In het gesprek met de samaritaanse vrouw gaat Jezus ons hierin ook niet voor. Hij ontkent niet dat de Samaritanen dezelfde God vereren als de joden. Daarbij blijft het echter niet. Hij verwijst naar Zichzelf als de messias. De laatste beslissing valt niet in de vraag of we dezelfde God hebben, maar hoe we tegenover Jezus Christus staan. "Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet" (1 Joh. 5 : 11).
Hierbij rijst een vraag , niet in de eerste plaats voor moslims die Jezus Christus nooit als Zoon van God hebben leren kennen, maar voor ons christenen aan wie Hij wel als zodanig verkondigd is.
Verstaan wij nog de radicaliteit van wat wij met de zogeheten "geloofsbelijdenis van Nicéa" belijden aangaande Jezus Christus: "…Die om ons mensen en om onze zaligheid is nedergekomen uit de hemel, en vlees is geworden van de Heilige Geest uit de maagd Maria en een mens geworden is; ook voor ons gekruisigd is…"?
Deze vraag heeft ook een zeer persoonlijke kant: Leef ik uit het geloof in deze Jezus Christus die om mij en om mij zaligheid is nedergekomen uit de hemel? Gesteld dat dit het geval is, kan dan de Kerk anders en kunnen, in het algemeen gesproken, de leden van de Kerk anders dan te trachten moslims, maar ook joden en vele anderen te bewegen tot het geloof in deze Jezus Christus? Wanneer dit niet het geval is kan dat naar mijn mening maar twee dingen betekenen: óf we nemen ons eigen belijden niet ernstig, óf we schieten schromelijk tekort in geestelijke bewogenheid voor onze naaste. Daarbij is de vraag of we uiteindelijk toch met dezelfde God te maken hebben niet zo belangrijk, want door het antwoord op die vraag wordt niemand gered. Daarmee ben ik weer terug bij wat ds. Van den Berg schreef. Ik zou zijn uitspraak in een gesprek met moslims nooit gebruiken maar daarvoor is ze, als gezegd, ook niet bedoeld. Is hij echter ten onrechte beducht dat de Zoon van God als Verlosser óók van de moslims in het gesprek met hen nauwelijks meer ter sprake komt, omdat we immers tóch al dezelfde God zouden vereren? Dat overigens het wél ter sprake brengen van Hem op een juiste manier geen eenvoudige zaak is, weet ik uit eigen ervaring al te zeer. Maar laten we uit deze nood geen deugd maken, noch als het om moslims noch als het om anderen gaat. We moeten ons schamen wanneer, ook al wordt ons het woord niet geschonken, het biddende hart ontbreekt, dat die anderen de Vader van Jezus Christus mag leren kennen.'

Het is duidelijk wat Fernhout bedoelt. Ten diepste gaat het in de christelijke belijdenis aangaande God om het wonder van ­Zijn openbaring in Christus, de Zoon van God. Het gaat er om dat wij alleen door het geloof in de Zoon tot kennis van de enig waarachtige God komen. Dat bepaalt de aard van het gesprek. Maar al te vaak beroept men zich om aan te tonen dat het toch om dezelfde God zou gaan op Paulus' uitspraken in Romeinen 1 of Handelingen 17. Maar over het hoofd wordt gezien dat Paulus in Romeinen 1 toch spreekt in de toon van de aanklacht (zodat zij geen verontschuldiging hebben) en dat Handelingen 17 uitloopt op een oproep om zich te bekeren. Merkwaardig acht ik ook Slomps verwijzing naar Rom. 3 : 29: Dat God niet alleen de God der Joden is, maar ook die der heidenen wil toch niet zeggen dat het dus om het even is of wij bijvoorbeeld Baäl of Jahwe vereren. Dezelfde Paulus kan in Efeze 2 toch ook zeggen, dat heidenen zonder God en zonder hoop leefden voordat zij de God van Israël in Christus leerden kennen. Stellig is behoedzaamheid en bescheidenheid vereist in het gesprek met onze moslimse medemensen. En ook mogen we niets afdoen van het feit dat God in Zijn vwjsheid ook met hen die buiten de lichtkring van Zijn Woord leven bemoeienis heeft. En natuurlijk is er het gegeven dat de Moslims een religie hebben die een nachristelijke religie is. Maar om nu te zeggen dat moslims en christenen veel samen belijden, zoals drs. Kraan doet in Vandaar, acht ik overtrokken. Overigens, ook drs. Kraan is van oordeel dat christenen in het gesprek met moslims het getuigenis aangaande het verzoeningswerk van Christus niet achter mogen houden.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's