Globaal bekeken
Onder de titel Schrijnend stond in Protestants Nederland het volgende voor zichzelf sprekende stukje.
'In het Algemeen Dagblad van 7 maart jl. was te lezen, dat de oudste vrouwelijke kloosterling van Nederland, zuster Flavia van de Franciscanessen, in "haar" klooster te Heythuysen haar 105e verjaardag gevierd heeft.
Ondanks alle voorzorgen werd de feestdrukte deze krasse non toch wat te veel. En de volgende morgen was zij dan ook nog zo vermoeid, dat zij haar overste verlof vroeg om te mogen uitslapen…
Dat verlof zal haar – denken wij – wel verleend zijn. Maar is het niet schrijnend dat zo iets vandaag nog voor kan komen?
En was het eerder niet de paus, opperhoofd van alle kloosterlingen, die het had over rechten en waardigheid van de mens?'
Op 4 maart II. aanvaardde dr. G. J. Schutte (vrijg. geref.) het ambt van bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme vanwege de Stichting Het Vrije Universiteitsfonds bij de Faculteit der Letteren aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, met een rede getiteld 'Het Calvinistisch Nederland'. Voorwaar, een kostelijk geschrift, waarin het beeld van het eikenhouten calvinisme, dat wereldvreemd en weinig vreugde in het leven scheppend zou zijn, wel enigszins wordt gerelativeerd. Hier volgen enkele sprekende passages. Het geschrift is voor de prijs van ƒ 10,– verkrijgbaar bij uitgeverij Bijleveld, Janskerkhof 7 te Utrecht.
•. 'Uiteraard bestaat er volgens velen wel een nauw historisch verband tussen het calvinistisch Nederland en de langdurige prediking van de leer van Calvijn. Deze wordt in de woordenboeken getypeerd als "een sombere, alle vreugd ontwijkende Godsdienst" die mensen kweekt van strenge levenswijs en zeden, met "als uit hout gesneden profiel", "stoere" lieden, "viezevazend tegenover geen enkele gevolgtrekking van zijn dogma". Anton van Duinkerken schetste hun prototype in Gisbertus Voetius:
Een somber man, die geen gelijk kon krijgen,
Ofschoon hij duizend dingen beter wist
dan al zijn vijanden. Een polemist,
die telkens werd verslagen door hun zwijgen.
Een dominee, die in de wisseling
van woorden en spitsvondige gedachten
over genade en recht, zijn laatste krachten
verspilde en zonder roem daaraan verging.
Een Hollander, niet beter, ook niet slechter
dan 't gros, maar met het kenmerk van zijn land
een beetje dieper in zijn ziel gebrand.
– Wie is op heden groter, wie oprechter?
De levensechtheid van het eerste deel van dit portret zullen hooguit enkele orthodoxe gereformeerden Van Duinkerken betwisten, de laatste vier regels daarentegen zeggen slechts weinig Nederlanders hem na. De kenmerken van het calvinistisch Nederland worden immers merendeels als negatief ervaren, als betreurenswaardige en gevaarlijke misvormingen door dominees van het type Voetius eeuwenlang in de ziel van het Nederlandse volk gebrand. Men behoeft daarbij niet aleen te denken aan de gevolgen van het 'Veluwe-geloof' dat Staphorsten zou creëren, depressief maken, suïcidale neigingen versterken en in veler literaire terugblik een wereld vol bizarre figuren oplevert, symbolen en slachtoffers tegelijk van star gehanteerde dogmata, van ongezonde bevindelijkheid en van als principes en beginselen gehanteerde kleinburgerlijke opvattingen van wetticismen (…)'
•. 'Vraagtekens lijken ook gerechtvaardigd bij het beeld van de zeventiende-eeuwse calvinist als een strenge, geen enkel vermaak, plezier of opschik tolererende zedenmeester De normen waren toendertijd inderdaad streng. Maar bestond er daarom een eensluidende en alom aanvaarde regel voor de gereformeerde zede en levenswandel? Was de in geschriften van puriteinse signatuur daarvan gegeven weergave representatief? Gold voor allen, binnen en buiten de kerk, eenzelfde maatstaf? Moet, behalve naar normstellende geschriften, ook niet naar de pastorale praktijk gekeken worden om tot een verantwoorde beeldvorming te komen?
Er is een kloek boek nodig om het program voor de nadere reformatie van het gezin van de Amsterdamse predikant Wittewrongel samen te vatten. Maar de vraag of en hoe dit program in de praktijk van de zielszorg werd toegepast, laat zich nauwelijks beantwoorden. De kerkeraden oefenden opzicht en tucht over de gemeente uit. Maar ging dat in praktijk verder dan repressieve actie tegen gebleken, openlijke zonden van de lidmaten? Hoe handelde men met (oudere) doopleden, met de 'liefhebbers der waarheid', met allen die in confessioneel en kerkelijk niemandsland verkeerden? Bereikte de kerk allen die formeel tot haar invloedssfeer behoorden? Het Nederlandsch Zendeling Genootschap ontdekte rond 1800 dat grote groepen armen feitelijk nooit ter kerke kwamen, geen catechisatie volgden, verstoken waren van de meest elementaire kennis van het christelijk geloof. Was dat echt een recent verschijnsel, gevolg van de verburgerlijking van de kerk en de verslapping van haar calvinistische spankracht?
Men kan zich voorts afvragen of bij het lezen van de zeventiende-eeuwse theologische literatuur niet te eenzijdig is gelet op de wereldmijdende aspecten, de waarschuwingen tegen de verzoekingen van de handel en de verleidingen van de wereld. Maar Udemans' boodschap was niet: Koopman blijf maar liever thuis met een boekje in een hoekje. Want zo goed als een rechtvaardige oorlog was ook eerlijke handel mogelijk. De 'innerweltliche Askese' die hij voorschreef was streng maar ze sloot de overzeese handel zelfs in slaven niet uit. Van de tegenstelling koopman – dominee lijken de zeventiende-eeuwers zich dan ook minder bewust geweest te zijn dan latere generaties. Petrus Plancius was wat men noemt streng gereformeerd maar hij belegde zijn geld in de handel en gaf les in zeevaartkunde aan de schippers die zijn investeringen moesten doen renderen. Een ander voorbeeld levert een schipper-koopman van goeden huize uit Hoorn, David Pietersz de Vries. Uitdagend liet hij, overtuigd Contra-Remonstrant en Prinsgezinde, in augustus 1618 de Prinsevlag van zijn schip waaien. Een Arminiaanse stadgenoot, die alle "Predestinateurs en Calvinisten" het liefst het land zag verlaten en "sprack dat hij mijn Vlagge zelfs wel wilde afhalen" zou hij mei genoegen uit het want geschoten hebben. Maar De Vries die zoals elke Hollander voor Oost- en Westindisch heldendom geen goed woord over had en de Turken met vreugd en verve bevocht, had geen enkel bezwaar tegen slavenhandel, het ontduiken van het monopolie van de Westindische Compagnie of het dienen van de koning van het roomse Frankrijk. Toen hij echter ingezet dreigde te worden tegen het hugenootse La Rochelle, weigerde hij; met schip en bemanning schaarde hij zich juist aan de zijde der Hugenoten, met als gevolg dat hij in feite tegen de pro-Franse politiek van de Republiek inging en ternauwernood ontsnapte aan een Hollands eskader dat tegen het opstandige La Rochelle was uitgezonden. (…)'
•. 'De Contra-Reformatie, verzekert een recente publicatie, wierp een schaduw van somberheid op het dagelijks leven in de Zuidelijke Nederlanden in de eerste drie decennia van de zeventiende eeuw. De bisschoppen spoorden in strenge verordeningen onverminderd aan tot soberheid. Er werd "een onverbiddelijk taboe op lachen in de kerk en daarbuiten" gelegd. Zonder nu à Brakel als een toonbeeld van vrolijkheid daar tegenover te willen stellen moet er toch op gewezen worden dat hij in zijn Redelijke Godtsdienst een hoofdstuk aan de christelijke blijdschap wijdde, culminerend in de zin: "Hebt gij lust aen den hemel, gij moet lust aen vrolijkheid hebben".'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's