De heerlijkmaking (10, slot)
Het feest van Pasen hebben wij weer herdacht. Feest voor de Heere Jezus Die dood is geweest en weer levend is geworden! Feest voor Hem Die is opgestaan! Vreugde ook voor de Vader die Zijn Zoon heeft opgewekt, omdat aan Zijn gerechtigheid volkomen door Zijn Zoon is voldaan. Het feest van Pasen houdt ook in dat de dood het principieel heeft verloren en de kracht daarvan is gebroken. Immers het graf in de hof van Jozef van Arimathéa is op de Paasmorgen geopend en dat is de profetische garantie – zoals J. H. Velema zegt – dat alle graven zullen worden geopend. Het leven heeft toch zin en geeft uiteindelijk de toon aan.
Hetzelfde lichaam
Ik herinner mij nog goed dat A. A. van Ruler eind zestiger jaren vanwege een hartinfarct in het ziekenhuis was opgenomen. Toen hij weer enigszins herstelde en zijn colleges hervatte, handelde één van zijn eerste colleges over de opstanding der doden. Wie Van Ruler heeft gekend zal weten dat hij niet alleen een spiritueel doch ook een origineel man was. Op een wel heel oorspronkelijke manier zei hij toen tijdens dat college: 'De opstanding der doden zal geweldig zijn, want dan zal A. A. van Ruler mogen opstaan. Geen ander dan u hier voor u ziet zitten. Alleen zal dat lastige hart het weer prima doen'. Een dergelijke gedachte – weliswaar anders geformuleerd – treffen wij aan in Zondag 22 als wij er lezen 'dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden'. Heel nadrukkelijk wordt in deze zondagsafdeling gesproken over 'dit is mijn vlees'. Hierdoor wordt te kennen gegeven dat hetzelfde zal opstaan. Gods kinderen ontvangen geen andere lichamen. Ik bedoel: zij ontvangen geen hemels lichaam gelijk aan de engelen. Hetzelfde lichaam ontvangen zij terug. In dit verband denk ik ook een ogenblik aan de Heere Jezus Christus. De Zaligmaker was na Zijn opstanding lichamelijk dezelfde als voor Zijn opstanding. Zelfs de wonden van het kruis waren nog te zien zoals ons blijkt uit Zijn ontmoeting na Pasen met Thomas.
Het zal dus eenmaal hetzelfde lichaam zijn. Dat is wel iets om ons over te verbazen. Want van het vlees is bepaald niet zoveel goeds te zeggen. Het lichaam is door de zonde onttakeld en onteerd. Door de dood wordt het zelfs helemaal onteerd. Er blijft in het graf werkelijk niet zoveel van ons mensen over. En toch gaat evenals de ziel het lichaam de eeuwige heerlijkheid tegemoet. Wanneer de laatste bazuin zal klinken, zullen alle doden worden opgewekt!
Een wonder
De opstanding van de doden op de dag van de wederkomst van de Heere Jezus is een wonder. Zeg maar gerust: een groot wonder. Met ons verstand is dit nooit of te nimmer te verstaan. Wie dit wonder verstandelijk wil benaderen, zal altijd in ongeloofzijn schouders ophalen zoals in het verleden en in het heden ook wel is gebeurd. Wellicht hebben wij wel eens gehoord van Newton, een beroemd natuurkundige. Zijn wetenschap werd evenwel gekenmerkt door een tere godsvrucht.
Door genade mocht hij zich een kind des Heeren weten. Toen hij met zijn studenten eens langs een kerkhof liep, maakte één van zijn leerlingen de opmerking dat men toch wel heel dwaas moest zijn om te geloven, dat het stof van de lichamen van de doden die daar begraven lagen weer tot leven gebracht zou kunnen worden. Die student geloofde daarvan geen snars. Op zijn opmerking ging Newton op dat moment niet in. Een paar dagen daarna liet hij in het leslokaal één van zijn studenten wat ijzervijlsel halen en vermengde dat voor de ogen van allen die aanwezig waren met stof en zand. Van dat ijzervijlsel was toen niets meer te zien. Hij vroeg toen, hoe het mogelijk is uit dat mengsel het ijzervijlsel weer te voorschijn te brengen. Niemand gaf antwoord. Newton pakte vervolgens een magneet en hield deze boven dat mengsel. Direkt kwam er beweging in die massa. De magneet trok het vijlsel aan. De studenten waren met stomheid geslagen. Hiervan maakte Newton gebruik door te zeggen dat God Die aan zo'n dode magneet de kracht kan geven zeer zeker ook in staat is een nieuw leven te geven aan wat dood stof is geworden. Voor de almachtige God is niets te wonderlijk!
De doden zullen opgewekt worden! Zij mogen dan begraven zijn en tot stof zijn vergaan. Zij mogen dan verbrand zijn en tot as zijn geworden. Zij mogen dan verminkt zijn of door de wilde dieren uit elkaar zijn gereten. Allen zullen echter opgewekt worden door een wonder Gods. Dat is een mysterie, een groot geheimenis, doch het Woord zegt het ons en daarvoor willen wij buigen en het eerbiedig geloven. Juist is het als iemand zegt dat de Schrift weliswaar zeer sober spreekt over de hoedanigheid van het opstandingslichaam. Wij weten hierover niet zoveel. Laat het ons voldoende zijn, dat het dezelfde lichamen zijn die opstaan. Er is hierin een zekere continuïteit. Het zijn dezelfde lichamen, maar toch anders, verheerlijkt, zoals de vrucht anders is dan de graankorrel. Het zijn dezelfde lichamen, doch zonder enig gebrek en zonder zonden. Kortom: zij zullen aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zijn. Zonder ons verder over te geven aan allerlei fantasieën willen wij het hierbij laten en niet verder indringen in dingen die ons niet of nog niet geopenbaard zijn.
De dàn nog levenden
Bij de wederkomst van de Heere Jezus zullen er natuurlijk nog mensen zijn die leven. Die zullen dus niet behoeven op te staan. Toch zal ook hun lichaam dezelfde verandering ondergaan. Voorzover zij kinderen Gods zijn, worden zij 'in een punt des tijds' veranderd, verheerlijkt en Christus gelijkvormig. 'In een punt des tijds', letterlijk staat er in de Schrift 'in een atoom' d.i. in een ondeelbaar ogenblik. Het zal geen langzaam proces zijn, doch een gebeuren van één enkel moment. Geen vrucht dus van een geleidelijke ontwikkeling of resultaat van menselijke inspanning of prestatie, maar het zal zijn het gevolg van een machtig en onnavolgbaar ingrijpen van God.
Voor de ongelovigen die dan nog leven zal er ook verandering zijn en de lichamen van hen die zonder het geloof in Christus gestorven zijn zullen eveneens opstaan. Maar zij ontvangen een lichaam tot eeuwig afgrijzen. Hun verdoemenis zal naar lichaam en ziel – zoals de Schrift zegt – rechtvaardig zijn.
Wanneer?
Het moment waarop de doden zullen opstaan en met hun ziel verenigd zullen worden is ons niet bekend. Alleen de Vader weet van dat ogenblik. De eerste christenen hebben rekening gehouden met een heel spoedige komst van de Heiland. Een enigszins overspannen toekomstverwachting kan sommigen van hen zelfs niet ontzegd worden. Hiertegen heeft de apostel Paulus zelfs moeten waarschuwen. Afgezien nu van hun overspannen toekomstverwachting moet wel gezegd worden dat hun verlangen naar dé dag des Heeren groot is geweest. Dit verlangen leefde ook bij een man als Da Costa. ledere morgen keek hij eerst door het raam naar buiten of hij aan de hemel een aantal wolken zag. Als de hemel strak en blauw was, slaakte hij een zucht en zei: 'Vandaag komt mijn Heere en Heiland nog niet, want ik zie geen wolken. Wellicht komt Hij morgen; ik hoop het tenminste zeer'. Ik denk dat uit deze woorden van Da Costa voor ons nog wel het één en ander valt te leren. In de goede zin van het woord zou ik Da Costa willen noemen: een Maranatha-christen. Zijn wij dat ook? Zien wij nog wel uit naar de wederkomst van Christus om 'in een punt des tijds' ook naar het lichaam veranderd te worden. Of hebben wij – zoals Calvijn dit uitdrukt – zo'n beestachtige liefde tot deze wereld en onszelf, dat wij helemaal niet aan de wederkomst van de Zaligmaker denken en dus daarnaar volstrekt geen verlangen hebben? Ik denk misschien helemaal verkeerd, maar ik denk wel eens dat wij salon-christenen zijn en rijk en verrijkt zijn in en met onszelf. Alsmede ook dat wij gelijken op een hoogleraar bij wie K. Barth eens logeerde. Laatstgenoemde zou in ons land een lezing houden over de wederkomst van Christus. Die hoogleraar bij wie Barth enige dagen zdu verblijven, liet aan hem zijn mooie villa zien. Dat huis zag er niet alleen van buiten heel mooi uit, maar was van binnen zeer luxueus ingericht. Een geweldig kapitaal was er besteed om allerlei antieke stukken een plaats te kunnen geven. Het is te verstaan dat de man uit Zwitserland hiervan onder de indruk kwam. Toen hij dat alles eens rustig bekeken had, maakte hij de rake opmerking: 'beste collega, ik denk dat in dit huis met zoveel pracht en praal niet veel plaats zal zijn voor de verwachting van de wederkomst van Christus'. Hoe men verder ook over Barth en zijn theologie mag denken en ik denk persoonlijk dat zijn theologie bepaald niet gereformeerd is, toch denk ik dat wij zijn rake opmerking over de wederkomstverwachting kunnen aantrekken. In hart en huis, in leer en leven, in handel en wandel moet daarvoor plaats zijn. Is er daarvoor plaats, omdat de Heere Zelf daarvoor plaats heeft gemaakt?
Jezus komt! Wanneer – zoal ik schreef – is niet bekend. Maar Hij komt. Dat heeft Hij beloofd en Zijn belofte is vast en zeker. Daaraan valt niet te tornen. Alles wat uit de mond van de Heiland is uitgegaan, blijft vast en ongebroken.
Jezus komt! Dat heeft Hij zelf gezegd, maar het is ook een belofte van Zijn Vader. En de beloften van Zijn Vader zijn in Hem ja en amen.
Jezus komt! En Zijn komst is het die het heil van heel Zijn Kerk volmaakt. Zijn komst zal niet meer zolang op zich laten wachten.
Door middel van de tekenen der tijden vernemen wij Zijn naderende voetstappen op de wolken des hemels. Nu is het nog dat wij met Luther zeggen: 'Nu draagt de aarde haar arbeidsgewaad, dan trekt ze ook haar Paas- en Pinksterrok aan'. Wat zal dat heerlijk zijn om dan de drieënige God naar lichaam en ziel volmaakt eeuwig te loven en prijzen.
Kohlbrugge
Ik wil deze reeks artikelen afsluiten met een woord van Kohlbrugge. Hij schrijft o.a. in het verband waarmee wij ons hebben beziggehouden: 'De Heere geve u een diep gevoeld heimwee naar het heerlijk vaderland, waar de bergen der specerijen zijn, en waar wij eten van de boom des levens en drinken uit de kristallijnen stroom, voortkomende uit de troon van God en het Lam. Daarboven in de hemel is Jezus! En geen zonde, geen dood, geen tranen zijn daarboven. In de hemel is Jezus, boven in de derde hemel, in het Paradijs met allen die het moordenaarsgeloof bewaard hebben. Onze geliefden, die in de Heere zijn ontslapen, zijn daar om Hem heen, zingen en spelen, juichen en zijn vrolijk in Zijn tegenwoordigheid, slaan de harpen aan en wachten op ons, die nog voleindigd moeten worden. Maranatha! Indien iemand de Heere Jezus niet liefheeft, die zij een vervloeking! Maranatha!' Van Kohlbrugge zijn ook de gevleugelde woorden: welkom eeuwigheid. God geve dat hiervan in ons alleleven het één en ander wordt gevonden en ondervonden.
Tot slot een lied wat Kohlbrugge opgaf na een preek over: 'Voorwaar zeg Ik u: heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn:
'O Heer, wat vreugd is mij bereid,
Dat Gij, mijn hoogste Zaligheid,
Geen oorsprong kent, noch palen,
'k Zal jub'len Uwen Naam ten prijs,
Eens voert Gij m'in Uw Paradijs,
'k Zal juichend zegepralen!
Amen,
Amen,
Kom, gij schone,
Vreugdekrone;
Met verlangen
Wacht ik, om u ras 't ontvangen.'
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's