Uit de pers
De herdenking van de stichting van de staat israël, nu 40 jaar geleden, geeft meerdere scribenten aanleiding op dit gebeuren in te gaan, mede in het licht van de aktuele situatie waarin de staat Israël verkeert. Over deze herdenking valt immers de schaduw van het geweld in de Gazastrook en op de West-Bank, het zich al maar voortslepend conflict met de Palestijnen. In dit persoverzicht enkele stemmen naar aanleiding van de herdenking.
Verwachtingen niet in vervulling
De verwachtingen van de voortrekkers zijn niet in vervulling gegaan, schrijft Marius Groeneveld in Woord en Dienst van 16 april:
'Veertig jaar is een periode die het mogelijk maakt daarover een oordeel te vellen. De conclusie moet luiden, dat het joodse volk niet in grote meerderheid in de staat Israël zal wonen. Dat geldt met name voor de Amerikaanse Joden. Zijn daarvoor oorzaken aan te wijzen? In de eerste plaats dringt zich de gedachte op, dat het eeuwenlang in de diaspora uitgesproken "volgend jaar in Jeruzalem" minder inhoud heeft gehad dan het nogal eens werd toebedacht. Onmiskenbaar blijven de vleespotten van de Verenigde Staten een sterke aantrekkingskracht uitoefenen, zo sterk dat voor velen "volgens jaar in Jeruzalem" wel gerealiseerd wordt, maar met een retourbiljet. En zegt een joodse definitie niet: een zionist is een jood die een andere jood geld uit de zak klopt om een derde jood in staat te stellen naar Israël te gaan. Ook de dikke geldstroom van het Amerikaanse jodendom naar israël wordt als een rechtvaardiging aangevoerd. Met een variant: Dollars or me? In ieder geval: deze ontwikkeling maakt het er theologisch gezien niet eenvoudiger op. Voor wie in de richting van vervulling denkt toch weer een moeilijk te verwerken ontwikkeling.'
De staat Israël
Groeneveld wijst er ook op dat Israël in deze veertig jaar geen theocratie geworden is maar zich heeft ontwikkeld tot een moderne democratische staat. Terecht waarschuwt hij voor voortijdige conclusies met betrekking tot een eventuele vervulling van de belofte.
Ook elders komen we dit tegen, in Evangelisch Commentaar van 8 april is een gesprek opgenomen tussen de hoogleraren Van der Woude, Mulder, dr. Vreekamp en drs. G. Boer over de relatie tussen de kerk, de Palestijnen en Israël. In dit gesprek, dat door Spijkerboer geleid werd, stellen alle deelnemers zich kritisch op ten aanzien van de huidige staat Israël en de daar gevolgde politiek. Unaniem is men het er over eens, dat juist aansluiting bij de vredesbeweging in Israël van groot belang kan zijn. Maar hoe moeten we de staat Israël waarderen? Prof. Mulder wil wel ten aanzien van volk en land een relatie zien tot de bijbelse beloften, maar ziet de staat als een staat onder andere staten. Uit dit gesprek het volgende fragment:
'Boer: Ik zou er aanvullenderwijs nog bij willen zeggen dat het voor niet-Joodse inwoners van Israël buitengewoon pijnlijk is om te zien hoe vanuit een bepaalde theologische beschouwing over de staat Israël, die namelijk in de vestiging van de staat israël de vervulling van bepaalde beloften ziet, het exclusief Joodse karakter van de staat Israël door christenen in het westen ondersteund wordt. Die christelijke inwoners van de staat Israël, dat zijn dan meestal Palestijnse Arabieren, menen even goed recht te hebben op onze oecumenische verbondenheid, en zij menen dat ook zij gehoord moeten worden.
Vreekamp: Daar liggen inderdaad een aantal vragen, met name theologische vragen over de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament. Ik zou Mulder willen vragen: Abraham kun je nog meemaken, maar gaandeweg houdt het op, en in het Nieuwe Testament wordt het echt moeilijk?
Mulder: Nee, niet ten aanzien van het volk.
Vreekamp: Dus bij volk en land.
Mulder: Ja, volk en land is al iets moeilijker, maar ik ben bereid om te zeggen: goed, maar als het volk-land-staat wordt gaat het mij te ver.
Vreekamp: Daar kan sprake zijn, althans wat de hervormde synode betreft, van een misverstand. Wat de handreiking van 1970 zegt wordt vaak uit zijn verband gerukt, Spijkerboer is bij die handreiking betrokken geweest…
Spijkerboer: Van der Woude ook.
Vreekamp: In de handreiking wordt gesproken over de relatieve noodzaak van de staatsvorm. Je moet volk-land-staat niet in één adem noemen, niet voor niets wordt deze volgorde gebruikt, en voor de staat worden veel relativerender woorden gebruikt dan voor volk en land. Toch blijft voor mij vooral de spannende vraag of je ook na het Nieuwe Testament met twee woorden moet blijven spreken over Israël én de volkeren. Waarbij het gevaar is dat je snel naar de ene pool doorslaat door Israël zo apart te stellen dat het voor iedereen slecht is, of dat je naar de andere pool doorslaat die, met de kritiek die Kroon, Ter Schegget en Buskes op de handreiking hadden, zegt: Israël is eigenlijk de messiaanse dimensie die door de geschiedenis is heengeweven. Dat laatste vind ik te weinig gezegd. Je mag als christen van Israël zeggen: als het een volk is, dan mag daar een land bij horen, en dat moet je ook gul en ruim kunnen zeggen: ze mogen toch ook grond onder de voeten hebben. Dan is er ook een concreet land aan te wijzen, en tenslotte kom je tot de vraag of het niet net zo goed Brooklyn of Australië zou kunnen zijn. Als iemand dit laatste zegt ben ik sprakeloos. Als je zegt: Israël en de volkeren, dat zijn de twee woorden waarmee de geschiedenis, ook na Jezus Christus, gespeld wordt, dan moet je impliciet vanuit het Nieuwe Testament zeggen dat de landbelofte van kracht blijft.
Van der Woude: Laat ik er nu eens van uitgaan dat die landbelofte van kracht blijft, zonder daar een lang theologisch verhaal bij te houden, dan blijft nog de kwestie van de staat. In 1947 is door een aantal zelfs vooraanstaande Joden, onder wie Martin Buber, voorgesteld dat Joden en Arabieren gezamenlijk in één staat zouden gaan leven. Datgene wat wij tenslotte ook vragen van Zuid-Afrika. Daar zijn ook verschillende volkeren waarvan wij vinden dat ze met elkaar moeten kunnen leven. Nu beweer ik altijd: Joden en Arabieren staan nog niet zo ver van elkaar af als bijvoorbeeld de Xhosa's en de blanken in Zuid-Afrika. Dat zou een optie geweest zijn, maar die is om allerlei redenen afgewezen. Ik wou maar zeggen: dan was er natuurlijk ook een staat geweest! Ik ben er bang voor om de staat Israël te dicht tegen het volk aan te leggen, want dan is het maar één stap verder om het eens te zijn met wat kennelijk ook Shamir bedoelt, namelijk dat Judea en Samaria in wezen behoren tot de huidige staat Israël. Die stap maakt men al heel gauw, die gaat men dan uiteindelijk legitimeren, ook theologisch legitimeren. Dat doet Shamir ook als het erop aankomt. Ik zeg hele maal niet dat Vreekamp dat bedoelt, maar om deze redenen heb ik de grootste bedenkingen, nog afgezien van de morele bedenking dat een bepaald volk, de Palestijnen, bij zo'n theologische legitimering het kind van de rekening worden.'
Terecht wijst Van der Woude er op dat kritische vragen aan het adres van Israël juist getuigen kunnen van verbondenheid en solidariteit met dit volk. Een onkritische Israël-liefde kan immers snel omslaan in anti-judaisme of erger.
Toch sluit deze kritische houding met betrekking tot de huidige politiek m.i. niet uit dat we in de staat een teken van Gods trouw mogen zien. Niet meer en niet minder.
Het bevreemdt daarom dat Boer enerzijds in dit gesprek met Vreekamp meegaat in zijn pleidooi voor een theologische waardering van de staat Israël en anderzijds erg voorzichtig is om deze theologische interpretatie over de feitelijke werkelijkheid van volk en staat heen te leggen. Wanneer Boer bedoelt, dat ook wie de staat Israël als teken van Gods trouw ziet, daar mee geen vrijbrief krijgt om elk feitelijk optreden van deze staat te rechtvaardigen, heeft hij gelijk. Maar dat is zeker niet Vreekamps bedoeling. Anderzijds echter, als we spreken over een theologische waardering van de staat Israël gaat het om een concrete staat en een concreet volk.
Dat sluit indringende vragen niet uit. Van der Woude herinnert ergens in dit gesprek aan Amos 3 : 2: Juist de verkiezing van Israël stelt verantwoordelijk. Er dient gewaakt te worden voor valse profetie.
Veilige grenzen?
Het probleem is uitermate gecompliceerd. Boertien herinnert in de Wekker van 22 april aan de resolutie 242 van de VN uit 1967 waarin onder andere gezegd is dat Israël recht heeft op veilige grenzen. Maar wat zijn dat?
'Deze zo bekend geworden formule lijkt een meesterstukje van diplomatieke formuleringskunst. Maar wie kritisch leest ontdekt dat hetgeen daar zo mooi wordt gezegd, niet kan worden verwezenlijkt. Grenzen, die door alle bij het conflict betrokken partijen zouden kunnen worden erkend, zijn per definitie niet veilig. Want als Arabische landen en Palestijnen al bereid mochten zijn, een staat Israël te erkennen, dan zal deze erkenning slechts een kleine staat kunnen gelden, waarvan de grenzen een beetje lijken op die van vóór 1967. Zulke grenzen zijn echter niet veilig te maken, wat men ook probeert. Wil men "veilige" grenzen, dan moet het gebied zo groot zijn, dat het door de andere partijen niet meer kan worden erkend. Dat wil dus zeggen: veiligheid en erkenning sluiten elkaar wederzijds uit. Daarom zou men er verstandig aan doen, die destijds gekozen formulering niet meer te hanteren. Want in feite heeft niemand er iets aan. Hier komt nog bij, dat sedertdien allerlei technische (ook militair-technische) ontwikkelingen zo zijn voorgeschreden, dat een betrekkelijk klein gebied – zelfs dat van een zgn. "Groot Israël" – nooit geheel veilig zal kunnen zijn.
Israëls veiligheid ligt dan ook niet in de grenzen van een groter of kleiner gebied, maar in de gemotiveerdheid van de mensen, die het land moeten verdedigen. En ik vrees, dat juist in dit opzicht de "veiligheid" van Israël dagelijks afneemt omdat het extremisme zichtbaar toeneemt. Daardoor worden velen gedemotiveerd en zodra zij de kans daartoe krijgen, willen zij de uitzichtloze situatie ontlopen. Dat bleek reeds tijdens het militaire avontuur, dat men eerst de aktie "Vrede voor Galilea" en later de Libanonoorlog noemde. Daarbij beging men opnieuw de vergissing, een politiek probleem met militair geweld te willen oplossen. Op grond van vroegere ervaringen had men kunnen weten, dat dit niet kan. Maar desondanks beging men het avontuur, dat velen het leven kostte en de oplossing geen stap dichterbij bracht. Nu is dat in nog sterkere mate het geval. De kritiek en de schaamte in Israël nemen dagelijks toe. Want wie vindt het leuk om te schieten op stenengooiende kinderen en jongelui of deze met knuppels in elkaar te rammen? Je moet wel een halve of hele psychopaat zijn, om aan zoiets plezier te kunnen beleven. Veel jonge Israëli's weigeren, daaraan mee te doen. Wie er wel aan meedoet beseft dat hij daardoor een slechter mens wordt.'
Boertien pleit voor politiek overleg en hoopt er op dat verstandige politieke leiders aan de Palestijnse kant zullen kunnen zorgen voor rust. Maar Israël zal dan op moeten houden deze leiders als terroristen uit te bannen. Anderzijds blijft de vrees, dat fanatieke P.L.O.-aanhangers zulke gematigde krachten het levenslicht niet gunnen. En toch: heroriëntatie is nodig. De tijd dringt.
Ingetogen herdenking
De stemming rondom de herdenking is ingetogen en weinig feestelijk. De dankbaarheid wordt overschaduwd door de feitelijke zorgwekkende situatie.
Dr. S. Gerssen, de vroegere secretaris van Kerk en Israël wijst in Woord en Dienst op de spanning in de visie op de staat Israël en op de versterking daarvan onder de druk van de tijd:
'Het ging om een kritische solidariteit zonder eenzijdigheden en vooral zonder een theologisch aureool. Tegenover elkaar stonden degenen, die zo solidair met Israël wilden zijn, dat kritische vragen nauwelijks konden worden toegelaten en degenen, die zo overtuigd waren van het goed recht der kritische vragen dat ze grote moeite hadden met hun solidariteit. Verbonden met het joodse volk: ja zeker, maar niet ten koste van de boodschap van Israël waaarvoor het pleit voor vrede en gerechtigheid, de inzet voor de naaste wezenlijk zijn.
Deze spanningen zijn in de loop der jaren wat weggeëbd, zeker ook onder de druk van wat zich feitelijk rondom en vanuit Israël afspeelt. Rondom de beleidsnota van het Werelddiakonaat doen zich wel soortgelijke spanningen voor, maar mij dunkt niet meer zo op het kookpunt als twintig jaar geleden. Het feest van vandaag wordt – behoudens enkele geëxalteerde kringen, die kennelijk elke spanning overleven – door ons op een ingetogen wijze gevierd. De stemming is veeleer die van grote zorg en niet zonder soms diepe verontwaardiging. Dit hoeft niet te worden toegelicht, ieder leest de reden daartoe in de couranten. Wie zich in de geschiedenis en de idealen van het zionisme heeft verdiept heeft er moeite mee in het feitelijke Israël de contouren van Zion te ontdekken. Zion wordt ook door joodse handen niet gebouwd, het blijft een droom, die boven deze wereld zweeft en waarop de gebeden der rechtvaardigen zijn gericht. Soms kan een mens – jood of christen – de vrees bekruipen, dat het hele zionistische ideaal geestelijk gesproken op een mislukking uitloopt. Als de staat Israël in 1948 was uitgeroepen om het joodse volk in staat te stellen een volk te worden zoals de andere volken zijn, zou ik dit artikel voor een blad als dit niet geschreven hebben. Als Israël een volk als de andere volken wil zijn, als het een koning begeert om aan de machtsstrijd van de volkeren mee te kunnen doen, dan is dat de keerzijde van het niet meer gedenken van de Koning Israëls. Is dit een goedkoop idealisme? Het zij zo: zonder idealisme vaart niemand wel.
Inderdaad: een ingetogen feest. Wij vieren dit feest, dunkt me, het beste als wij met sterke aandrang blijven bidden: Doe wel aan Zion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem.'
Israël, land, volk en staat… Tussen 1948 en 1988 liggen veertig jaar van strijd en spanning. De vrede is nu meer dan ooit ver te zoeken. Maar bij alle nuchtere en zakelijke overwegingen mogen we in het licht der Schrift grote dingen verwachten van de God van Israël, de God van de vrede. En als één ding uit het bijbels getuigenis is, dan wel dit dat deze vrede zich baan breekt als een wonder, door de onmogelijkheden heen.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's