Mens en arbeid in de twintigste eeuw (2)
Aanpassing aan de nieuwe situatie
Toch behoeft de werkloze niet in deze crisis te blijven steken. Er kan een adoptieve fase optreden, waarin sprake is van aanvaarding van en aanpassing bij de situatie van baanloosheid. Overigens hechte niemand te veel waarde aan de volgorde en invulling van de genoemde fasen. Het is slechts een gebrekkige poging wat ordening te brengen in de gevoelens en ervaringen tijdens het verwerkingsproces dat de werkloze moet doormaken. Maar iedere werkloze – iedere arbeidsongeschikte ook – heeft zijn/haar eigen verhaal. In elk geval komen vele baanlozen aan een zekere aanvaarding toe. Dat is niet hetzelfde als resignatie (ik leg me er maar bij neer dat ik nu eenmaal werkloos ben, het zal ook altijd wel zo blijven, ik kom toch nooit meer aan de slag). Er is toch heel wat te doen aan vrijwilligerswerk? Niet betaalde arbeid is toch zeker ook volwaardige arbeid? Op deze wijze kunnen werklozen ook open staan voor een beroep dat de kerkelijke gemeente op hen doet om zich te willen beschikbaar stellen voor één van de vele taken waarvoor de kerk zich in onze tijd gesteld ziet en die onmogelijk allemaal door betaalde beroepskrachten kunnen worden vervuld. Ik denk en ik vrees dat er in de kerken nog veel te weinig is nagedacht over de mogelijkheden die hier liggen of alsnog gecreëerd kunnen worden voor werkloze gemeenteleden. Een goed begin zou kunnen zijn een gespreksgroep te starten waar werklozen elkaar kunnen ontmoeten, maar zich ook vanuit Gods Woord kunnen bezinnen op mogelijkheden om tot arbeid te komen – ook al is dat dan niet economisch produktieve arbeid, ook al is het geen betaalde beroepsarbeid – maar dan toch volwaardige arbeid als dienst aan God, aan de naaste en aan de schepping. Het christelijk geloof kan wel degelijk tot grote steun zijn bij de verwerking van het probleem baanloosheid.
Mij trof een opmerking van een jeugdige werkloze in het blad 'Windstreken': 'Als christen heb je ook een voorsprong… Ik knap als christen toch minder gauw op m'n situatie af'. Het is niet doenlijk in zijn algemeenheid aan te geven hoe dé christen dé werkloosheid aanvaart. Maar wel zou aangegeven kunnen worden hoe het geloof voor de christen tot een bijzondere ruggesteun is, ook in deze situatie. Ik denk aan een stem uit de praktijk van een vrouw en moeder, wier man al geruime tijd werkloos is. Zij schrijft: 'Maar gelukkig ontvangen we nog iedere dag de kracht en de gezondheid om verder te gaan, en dat is ook nog een grote zegen. Wij weten en geloven dat God overal Zijn bedoelingen mee heeft, en wij mogen bidden of er nog andere tijden voor ons en al die andere gezinnen van werklozen mogen aanbreken'. Het tellen van de zegeningen ondanks alles – het vertrouwen op de leiding van God in ons leven – het kracht putten uit het gebed – de hoop op God voor de toekomst, het zijn evenzovele kernzaken van het christelijk geloof waarvan deze mevrouw getuigt.
De motivatie tot arbeid
In de genoemde bundel 'Werken: zin of geen zin' schrijft H. M. Kuitert over de vraag wat mensen motiveert tot het verrichten van arbeid. Wat is de prikkel tot arbeid en hoe moeten wij deze moreel beoordelen? Kuitert wil waken tegen een te idealistische benadering van de arbeid, een heel verheven spreken dat intussen niet op de werkelijkheid slaat, maar ergens tussen hemel en aarde blijft zweven. Het meeste werk dat in het kader van beroepsarbeid gedaan wordt, is niet leuk. Het is een klus die geklaard moet worden. 'De stratemaker die ergens het klinkerpad moet herleggen, is in klinkerpaden niet geïnteresseerd, het is bovendien inspannende arbeid die hij moet verrichten. Als het nu nog het straatje voor zijn huis of in zijn buurt was, maar het is Slotervaart vandaag en morgen Buitenveldert – deze stratemaker stelt zijn arbeidskracht ter beschikking en dan nog voor doeleinden die niet de zijne zijn… Werken is nog steeds minder leuk dan niet werken en het dient er dan ook nog voor om een ander z'n doeleinden te realiseren (a.w. blz. 156).
Hoe krijgt men mensen nu zo ver om iets te doen wat ze uit zichzelf niet zouden willen? Dat kan door dwang. Dwangarbeid is door de eeuwen heen een bekend verschijnsel geweest en het komt ook vandaag de dag nog op verscheidene plaatsen voor. Maar – zo stelt Kuitert – deze methode is niet alleen moreel onaanvaardbaar, maar ook inefficiënt. Het wérkt niet of liever gezegd: deze prikkel tot arbeid is er alleen zolang er een topzware organisatie van bewaking is. Er is onder dwang geen innerlijke motivatie tot de arbeid. Deze wordt slechts verricht omdat en voor zover er anders strafmaatregelen dreigen. Een tweede prikkel tot arbeid is het gemeenschappelijk ideaal dat samenbindt, de goede zaak waarvoor men zich wil inzetten, bijvoorbeeld de ideale communistische maatschappij of de verzorgingsstaat of een christelijk gemenebest. Door het beroep op het goede doel zijn inderdaad heel wat mensen aangespoord tot grote persoonlijke inzet. Toch leert de praktijk dat na korter of langer tijd de kracht van dit motief vermindert: men gaat kritische vragen stellen zoals 'Is het doel wel ooit te bereiken? Heb ik er persoonlijk wel baat bij? Waar tob ik mij eigenlijk zo voor af?'
De derde prikkel is en blijft toch altijd weer de sterkste: de prestatie-beloning. Deze motivatie werkt in de praktijk het beste. Op eigenbelang wordt zelden of nooit tevergeefs een beroep gedaan. Het principe van de verdelende gerechtigheid moet worden toegepast: hogere beloning? naarmate de inzet groter is. In ons maatschappelijk systeem zal die beloning primair in geld bestaan. Harder of langer of zwaarder werken moet gehonoreerd worden met hoger inkomen. Als we het zo zien, stelt Kuitert, behoeven we niet langer onze toevlucht te nemen tot een vorm van verheerlijking van de arbeid. Wij verrichten onze arbeid gewoon om het resultaat dat het oplevert. Ons eigenlijke leven ligt voorbij de arbeid in de vrije tijd, die we kunnen vullen door dingen die niet hoeven. 'Arbeidsloos inkomen' is een onhaalbaar ideaal. Er zullen altijd klussen moeten worden opgeknapt.
De slotconclusie van Kuiterts uitermate realistische benadering is: 'Ook beloning als prikkel tot arbeid is geen ideaal, het is veeleer maatschappelijk gezien onontbeerlijk en moreel gesproken te verkiezen boven dwang en ideologie' (a.w., blz. 165). Er zit een harde kern van waarheid in dit betoog, niettemin is het ontoelaatbaar eenzijdig. Hoe is het in deze lijn van denken verklaarbaar dat heel wat baanlozen graag zouden willen werken voor hetzelfde geld dat ze nu via een uitkering ontvangen? Als arbeid vrijwel alleen een noodzakelijk kwaad zou zijn (middel om geld te verdienen), dan zouden veel meer mensen trachten misbruik te maken van de sociale voorzieningen dan nu het geval is. Een beoordeling in bijbels licht is op dit punt noodzakelijk.
Bijbelse lijnen
Een goed overzicht van bijbelse lijnen inzake de arbeid geeft W. Biendert in de bekende encyclopedie Die Religion in Geschichte und Gegenwart (R.G.G. 3, Tübingen 1957-1986, trefwoord 'Arbeit'. Biendert schreef ook een boek over 'Die Arbeit nach der Lehre der Bibel', 1954). Aan dit overzicht ontlenen we het volgende:
– dat de mens arbeidt is in de Bijbel een vanzelfsprekende zaak. Er is het uitdrukkelijke gebod om de sabbat te houden, waarbij van de zesdaagse arbeid eenvoudig wordt uitgegaan. Met de zesdaagse arbeid is niet alleen dát werk bedoeld dat voor het levensonderhoud noodzakelijk is, maar een breder scala van aktiviteiten. Een vijfdaagse werkweek behoeft dus niet op gespannen voet te staan met het vierde gebod. De sabbat is bedoeld om de oriëntatie op God te onderhouden en te versterken, maar vervolgens ook om een heilzame grens aan de arbeid te stellen. Een mens leeft niet om te werken, ook al werkt hij alleen om te (over)leven.
– werken is dienen. In de eerste plaats gaat het dan om dienst aan God. Reeds in het paradijs krijgt de mens een levenstaak door God opgedragen (Gen. 2 : 5, 15). Maar wat er ook veranderd is na de zondeval, deze opdracht blijft (Gen. 3 : 19) en geldt ook weer de mens die in Christus verlost is (Luk. 13 : 10v; Ef. 4 : 28; 1 Thess. 4 : 11; 2 Thess. 3 : 10v). De mens behoeft de arbeid dus niet als gevolg van de zondeval of als loodzwaar noodlot te zien. In de arbeid mag de mens Gods opdracht begroeten en vervullen. Er is een betrokken zijn bij het scheppingswerk van God in die zin dat de mens mag regeren over de schepping als Zijn stadhouder of rentmeester (mandataris). Juist in de verbondenheid van mensen met elkaar, als man en vrouw en als generaties, kan deze opdracht worden uitgevoerd (Gen. 1 : 27v; 2 : 18). Ik zeg hierbij ook uitdrukkelijk: ls man en vrouw. De vrouw is op haar wijze niet minder bij de opdracht betrokken dan de man. De arbeid zelf is niet vervloekt, maar de arbeid wordt wèl gedrukt en gefrustreerd door allerlei gevolgen van de zondeval (Gen. 3 : 17-19). Het moeitevolle karakter van de arbeid hangt samen met de schuld van de mens als zondaar, niet met een noodlottige bestemming van de mens als schepsel.
De mens kan niet door zijn eigen arbeid de verbroken gemeenschap met God herstellen en de schuld uitdelgen. Alleen Gods werk tot verlossing kan hier uitkomst brengen. Van dit grote werk zegt Christus in Joh. 9 : 4: 'Ik moet werken de werken van Degene, Die Mij gezonden heeft'. Op grond van dit verzoenings- en verlossingswerk komt het werk van de gelovige in een nieuw perspectief te staan: arbeid die niet slechts als antwoord aan God de Schepper in Zijn opdracht, maar ook als dankbaar antwoord aan God de Herschepper in Zijn gave wordt verstaan. Zelfs 'de zware slavenarbeid kan dan 'in de Heere' verricht en als een dienen van Christus beleefd worden (Col. 3 : 22-24). Menselijkerwijs schijnbaar zinloze slavenarbeid kan toch nog zin krijgen als navolging van Christus, kruisdragende zelfverloochening en getuigenis zonder woorden.
J. Hoek, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's