De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

10 minuten leestijd

Dr. J. Stellingwerff, Kuyper en de Vrije Universiteit, J. H. Kok, Kampen, 1987, 365 blz., gebonden en rijk geïllustreerd, ƒ 37,50.
Een mens, zeker een man als Abraham Kuyper, hoog begaafd en zeer veelzijdig, is voor anderen menigmaal een raadsel. Dat treedt wel heel sterk naar voren in de hier aangekondigde studie van dr. J. Stellingwerff, een studie die veel meer omvat dan de titel zou doen vermoeden. Stellingwerf heeft het niet gelaten bij alleen maar een weergave van de betrekkingen die er geweest zijn tussen Kuyper en de Vrije Universiteit, hij verhaalt veel meer. En herhaaldelijk typeert hij Kuyper. Schokkend vind ik de woorden waarmee Stellingwerff al op de eerste bladzijde zijn boek begint, ik citeer: 'De geschiedschrijvers, die wel wisten dat Kuyper slordig en subjectief was, gingen er steeds vanuit dat hij toch wel betrouwbaar over zijn eigen leven had geschreven en gesproken. Het bleek mij echter dat dit standpunt niet langer houdbaar is' (7). Daaruit trekt dan de schrijver even later de verregaande conclusie dat dit ook kritiek op Kuypers geloof inhoudt (8). En hij spreekt dan van het 'onechte en religieus dubieuze' bij Kuyper. Stellingwerff zelf voorziet dat zijn boek een omstreden boek zal worden (8). Of dat reeds inmiddels het geval is, is mij niet bekend. Ik kom op deze zaak straks terug.
Ik geef nu eerst een opsomming van de titels van de hoofdstukken; die luiden aldus: De bekering van een Leids student tot een orthodox predikant; Het vaderschap van mr. Groen van Prinsterer; de Vrije Universiteit in oprichting; Eerst de Vrije Universiteit en daarna de Doleantie; Leermeester van studenten en kleine luyden; Om de macht en de beginselen; De reis naar Amerika; Romantiek en Calvinisme; Kuypers wereldbeschouwing; Bevestiging van de Kuyperiaanse VU; Koersbepaling. Moge deze inhoudsopgave een indruk geven van het vele dat in dit boek gevonden wordt.
Het bevat ook voor mij veel hoogst interessant materiaal. Wij krijgen te horen een brede bespreking van de verwikkelingen die hebben plaatsgevonden rond Kuyper en Lohman, die beiden gedurende enige tijd hoogleraar aan de VU waren, wij krijgen inzicht in de aard van het conflict.
Volgens Stellingwerff trad er in 1987 een 'wending' op in Kuypers denken, kwam er voor hem een nieuwe periode met een nieuw program. Van die tijd af zijn Gemene-Gratie-leer (173). Op basis daarvan kon het komen tot een verdere emancipatie van de kleine luyden, die nu ook een cultuuropdracht kregen (175). Nog meer interessante gegevens uit dit boek zouden op te halen zijn. Aan de actualiteit ervan kan niet getwijfeld worden.
Ik kom terug op Stellingwerffs Kuyper-beeld. Maar eigenlijk kan ik van een 'beeld' niet spreken. Onder de mokerslagen van de door mij geciteerde uitspraken van Stellingwerff aan het begin van zijn boek is een oud Kuyper-beeld vermorzeld. Kwam er een nieuw voor in de plaats? De schrijver noemt Kuyper een 'radikale dwingeland en romantisch dweper' (255), beschuldigt hem van berekening (144) en taktiek (155) en kent hem zelfs de natuur van een dictator toe (183). Maar het gaat naar mijn gevoelen in ieder geval over de schreef wanneer door de schrijver gezegd wordt: 'Zoals Kuyper in 1873 de amsterdamsegemeente met zijn Confidentie (een brochure van Kuyper – K.E.) wilde bewegen tot zijn inzichten, zo bewoog hij in 1863 de hemel met zijn bekering en met zijn besef van zonde en berouw' (37). Wat mij betreft: ik zou zelfs van mijn ergste theologische tegenstander toch zoiets niet durven zeggen.
Ik verdedig Kuyper niet. Maar al is hij mij onsympathiek, ik wil op zijn beginselen letten. Ik onderschrijf wat Stellingwerff zegt dat Kuyper aan het historische Calvinisme een 'Kuyperiaanse uitleg' heeft gegeven (205). Ik bepleit dat de discussie daar over gaan zal.
K. Exalto

Dr. B. Wentsel, God en mens verzoend, Godsleer? Mensleer en zondeleer. Dogmatiek 3a. 768 bIz., Uitgeversmaatschappij J. H. Kok, Kampen 1987, ƒ 145,–.
Het ziet er naar uit dat het geweldige werk waartoe dr. Wentsel zich gezet heeft inderdaad af mag komen. Na dezen is er nog een deel 3B te wachten, namelijk over vleeswording, verzoening en heerschappij van Christus.
Dit deel handelt over de Godsleer en de mensleer, twee zaken in de dogmatiek die altijd met elkaar corresponderen. Hoe de mens over zichzelf denkt heeft alles te maken met de wijze waarop hij zijn God belijdt. Het is deze (Calvijnse) grondgedachte die dit hele boek draagt. Men mag er waarachtig niet gering over denken dat er in onze tijd een dogmatiek verschijnt die aanknoopt bij de reformatorische tradities, zich inhoudelijk maar heel weinig van Bavinck verwijdert, te werk gaat langs oorspronkelijke lijnen, en in het thetisch betoog alles betrekt wat er in onze tijd aan de orde is. Het resultaat is dat er een gereformeerde dogmatiek ontstaat die zich weliswaar niet als een roman laat lezen, maar die wel het gereformeerde denken over de hele linie confronteert met bijna alles wat er theologisch aan de orde is.
De schrijver heeft een zeer sterk vermogen tot schematisering. Dit komt de overzichtelijkheid voor hen die op informatie op onderdelen uit zijn ten goede. Wij zien dan ook met groot verlangen uit naar de laatste twee delen, niet alleen om de inhoud daarvan, maar ook omdat daar ongetwijfeld het naslagregister in zal zitten dat voor diegenen die deze dogmadek eklectisch willen gebruiken de poort opent.
Deze schematisering heeft echter ook een schaduwzijde, namelijk dat de spits van datgene wat de schrijver als relevant voor onze tijd wil zeggen vaak via het bijeenlezen van onderdelen, verspreid over de dogmatiek verdeeld, moet worden ontdekt. Men kan dit jammer vinden, maar dient dan wel degelijk tegelijkertijd in rekening te brengen dat we hier een dogmatiek voor ons hebben die het klassieke dogmatische materiaal en de dito terminologie weer boven tafel brengt, en vanuit een moderne hantering daarvan op datgene wat in onze tijd aan de orde is wil inspelen. Wie kiest voor het schrijven van een op het klassieke denken georiënteerde dogmatiek kan niet volstaan met een paar actuele hoofdlijnen.
Dr. Wentsel legt in dit boek een geweldige nadruk op de drie-vuldigheid van Gods wezen. Zo sterk dat de leer van de Goddelijke eigenschappen verspreid ter sprake komt. Wentsel geeft geen uiteenzetting over de volheid Gods in de vorm van een schematisering van de Goddelijke eigenschappen, hoewel hij het onderscheid tussen opera ad intra en ad extra wel degelijk serieus neemt.
De winst van deze opzet komt vooral aan de dag bij zijn spreken over de analogie, over de mededeelbare eigenschappen Gods. Het Goddelijk samenwonen van het Goddelijke gemeenschapswezen drukt zich uit in het gemeenschapsleven van de mensen, met de consequenties daarvan voor het economisch denken, de verdeling van de aardse goederen, en zelfs voor de sociologie. En natuurlijk voor de kerk.
Heel voorzichtig gaat Wentsel om met de voorzienigheidsleer, juist omdat deze zoveel aanleiding tot, ook theologische, misverstanden heeft gegeven. Hij denkt er niet over een theodicee in te voeren, maar evenmin wil hij de straffende èn zegenende aanwezigheid van God in het mensenleven loslaten. Het is in deze stukken van zijn dogmatiek dat het meest blijkt hoezeer Wentsel door Bavinck is heengegaan en diens geboeidheid deelt naar het hoe en waar van Gods aanwezigheid in de geschiedenis.
De anthropologie, de mensleer, wordt geheel vanuit de triniteit ontvouwd. De beide elementen van enerzijds eenheid anderzijds gemeenschapsleven komen dan ongedwongen aan de orde. Via de analogie die met het beeld Gods dat de mens is gegeven is, kan gesproken worden over de vloek over het mensenleven, over de verhouding man-vrouw, over het rassenprobleem, over het dominium en de grenzen daarvan op ecologisch terrein.
Tegen de achtergrond van het voorafgaande zal duidelijk zijn dat Wentsel de zondeleer vooral stelt onder het aspect van de verbondsbreuk, het uitvallen uit de gemeenschap. Zo wordt, m.i. terecht, het voor het verstand onoplosbare probleem tussen mensenzonde via Adam en actuele zonde van mensen op grond van hun zondige aard verbondmatig benaderd, en is direct de bron aangeboord van waaruit men over de straf kan spreken, zowel tijdelijk als eeuwig.
Er is heel weinig uit het contemporaine denken dat aan de aandacht van de schrijver ontsnapt, ook al zal men vaak bijeen moeten lezen uit de onderscheiden onderdelen, en krijgt men wel eens het gevoel dat aan mensen tekort wordt gedaan doordat iets uit het totaal van hun oeuvre opeens naar voren wordt gehaald zonder dat tegelijkertijd duidelijk wordt gemaakt waaróm deze afwijkende meningen zich presenteren. Daar staat dan het breed informerend karakter van deze dogmatiek tegenover. Vooral in het hoofdstuk over de toespitsingen van het godsbeeld in de 20e eeuw moet men dit blijven bedenken. Een voorbeeld: de feministische theologie wordt dermate in onderdelen opgesplitst dat de samenhang van het denken de feministische theologen en het front waartegen zij zich richten tussen de regels door moet worden uitgevist, en ook de verwantschap met de bevrijdingstheologie niet als een centraal thema voorkomt. Daar staat dan weer tegenover dat de overzichten die Wentsel geeft veel meer aan inhoud bieden dan alleen informatie. En dat de verbanden waarbinnen Wentsel de dingen ter sprake brengt tevens een verkapt kommentaar vormen. Een extreem en daarom zeer duidelijk voorbeeld van dit laatste vindt men bijvoorbeeld in de excursen binnen het slothoofdstuk van dit boek, dat over de satanologie handelt, en waarbinnen de satanskerk en de verloedering der maatschappij aan de orde komt, samen met de vraag in hoeverre zich hier oordelen Gods voltrekken over onze cultuur.
Ik schreef hierboven al dat er nog een deel 3B komt over de verzoening. Daarna is nog een vierde deel te verwachten, het slotdeel. Wij hopen heel hartelijk dat het de schrijver gegeven zal zijn zijn werk af te maken.
Ik zie ervan af allerlei vragen die bij lezing bij mij opkwamen in deze bespreking op te werpen. Liever wijs ik op het positieve dat ik in toenemende maten in deze dogmatiek aantref. De confrontatie met de eigen tijd, het aanstippen van de wortels van veel wat als modern denken opgeld doet, de oriëntatie op de grondtalen en op datgene wat zowel in de oudtestamentische als nieuwtestamentische wetenschap aan de orde is, en op de cultuurvragen, en, in mindere mate, op de dogmageschiedenis.
De schrijver releveert in zijn voorwoord dat hij zijn dogmatiek schrijft ten tijde van het toenaderingsproces tussen de Hervormde en de Gereformeerde Kerken, en hoezeer deze toenadering bij zeer velen alles te maken heeft met het verdwijnen van de Naam van de Onzegbare uit onze cultuur en met het doel deze Naam juist nu hoog te houden. Daarnaast wordt de schrijver voortgestuwd door zijn overtuiging dat het christendom ook in onze dagen zonder een vaste structuur als die van de gemeenschap der kerk niet verder kan, wil er meer overblijven dan een algemene godsdienstigheid. Als iemand die met de schrijver ook zelf actief in het toenaderingsproces der kerken heeft willen staan zijn mij deze dingen, ook al zijn ze ook in de kerken geen gemeengoed, uit het hart gegrepen. Wie deze motivatie deelt zal niet primair geneigd zijn een dogmatische discussie uit te lokken, maar zal waardering als eerste in het vaandel schrijven, naast bewondering voor de werkkracht van de schrijver. Een tijd die toegeeft aan de gedachte dat systeemvorming en ordening de echtheid bedreigen van datgene wat het geloof der kerk en de religie der belijdenis voorstellen, richt zichzelf ten gronde omdat de maatstaf voor kritisch denken uit handen wordt gegeven.
Aangezien de schrijver zelf inziet dat zijn werk vooral als naslagwerk kan functioneren ben ik van oordeel dat deze dogihatiek door ieder die heden vanuit de beginselen der reformatie wil leven moet worden aangeschaft. Mijn persoonlijke kritische noten doen in eerste instantie niet ter zake bij deze eerste gereformeerde dogmatiek na Bavinck, ook al héét deze dogmatiek dan niet gereformeerd.
S. Meijers, Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 11 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van woensdag 11 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's