De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mens en arbeid in de twintigste eeuw (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mens en arbeid in de twintigste eeuw (3)

6 minuten leestijd

Dienst aan de mens
Arbeid is allereerst dienst aan God, maar vervolgens ook dienst aan de mens. Hierbij is allereerst te denken aan de arbeidende mens zelf. Er is immers een koppeling tussen werk en inkomen, arbeid en levensonderhoud (Gen. 1 : 28-29; 3 : 17-19). God zegent de hand van de vlijtige, maar luiheid en traagheid leiden tot armoede en allerlei ellende (bijv. Spr. 6 : 6-11; 10 : 4; 12 : 11-27). Heel bekend – maar veelal verkeerd geciteerd! – is het woord van de apostel: 'dat zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete' (2 Thess. 3 : 10). Er is wel een relativering van de arbeid doordat o.a. in Psalm 127 beklemtoond wordt dat al ons gezwoeg, tot niets leidt zonder de zegen des Heeren en dat God het Zijn beminden 'als in de slaap geeft'. Toch worden die beminden niet slapend rijk! Een andere zaak is dat armen en behoeftigen ondersteund moeten worden door hen die kunnen werken. Arbeid is dus ook dienst aan de naaste (Hand. 2 : 45; 4 : 34; 2 Kor. 8 : 14; 9 ; 1-13). Dit mag wel een specifieke christelijke motivatie tot arbeid worden genoemd (Ef. 4 : 28). Een ander christelijk motief is van missionaire aard. Buitenstaanders zouden de christenen leren hoogachten door hun eerbare en arbeidzame leven en zo ontvankelijk worden voor het christelijk getuigenis, vergelijk Rom. 13 : 13 (als in de dag eerbaar wandelen), 1 Petrus 2 : 12; Mattheüs 5 : 16.
De arbeid mag dus niet gericht zijn op het opéénhopen van schatten. Wie alleen maar werkt om in overdaad te kunnen leven of in gierigheid zijn bezit te vergroten, miskent het dienende karakter van de arbeid.
God en de naaste zijn er niet langer mee gediend. Het is ongeloof en afgoderij om zijn bestaanszekerheid te willen verankeren in eigen arbeid en bezit (Mt. 6 : 32; Ef. 5 : 5; Kol. 3 : 5).
Arbeid is ook dienst aan de schepping. Alleen zolang de mens zijn plaats weet voor God – in de afhankelijkheid én verantwoordelijkheid zoals in Psalm 8 geschetst – verwordt zijn beheer niet tot wanbeheer en uitbuiting van de schepping.

Theologische perspectieven
Min of meer getrouw aan de geschetste bijbelse grondlijnen zijn door de eeuwen heen verschillende theologische perspectieven op het verschijnsel arbeid geboden. Bienert wijst er op dat reeds in het vroeg-katholicisme een verschuiving in de waardering van arbeid is waar te nemen: van dienen naar verdienen. Door ijverige arbeid wordt het zondigen voorkomen en kunnen begane zonden worden verzoend: de aalmoezen aan armen gegeven hebben immers een verdienstelijk karakter. Voor de middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino stond het vast dat de 'geestelijke' arbeid grotere verdienste had dan de 'lichamelijke' arbeid. Het is verdienstelijker monnik te zijn dan een weliswaar noodzakelijk en geoorloofd, maar toch maar gewoon 'natuurlijk' een wereldlijk beroep uit te oefenen. Niettemin blijft het rooms-katholicisme tot de dag van vandaag beklemtonen dat ook de gewone beroepsarbeid 'een bron van de rijkste verdienste' is en 'de zekerste weg naar het hoogste goed'.
Bij de reformatoren horen we heel andere geluiden. Er is bij Luther en Calvijn geen sprake meer van het verwerven van verdiensten bij God door onze dagelijkse beroepsarbeid. De goddeloze wordt door het geloof alléén gerechtvaardigd. Anderzijds komen alle eerbare beroepen – en niet alleen de zogenaamde 'geestelijke' – voor de gelovigen weer voluit in bijbels licht te staan. De gelovige bakker dient God evenzeer door goed brood te bakken als de gelovige predikant door gedegen preken te houden en ijverig huisbezoek te verrichten. Luther stelt expliciet dat wij niet alleen om het verdienen van ons loon behoren te arbeiden: 'ook al had ik geld in overvloed, dan zou ik niettemin arbeiden, omdat het een gebod is dat ik zal arbeiden en Hem zal laten zorgen. Wie is het echter die zo arbeidt? De christenen' (WA 29, 441, 19v).
Calvijn stelt in zijn commentaar op Lukas 10 : 38v: 'Wij weten echter dat de mens tot dat einde het aanzijn heeft gekregen, dat hij zich tot de arbeid inspanne, en dat geen offer Gode meer behaagt, dan dat een ieder vlijtig in zijn roeping tot nut van het algemeen welzijn leve'.
In deze voetsporen heeft de klassiek-gereformeerde ethiek zich altijd bewogen. C. Augustijn geeft in de bundel Werken: zin of geen zin daarvan enkele voorbeelden uit catechismusverklaringen. Bij de uitleg van het achtste gebod worden in kort bestek ethische richtlijnen gegeven ten aanzien van bezit en van het economische leven in zijn verschillende facetten. Jeremias Bastingius, wiens catechismusuitleg van 1588 dateert en de eerste in Nederland verschenen verklaring van de Heidelberger is, onderstreept met kracht dat het Gods bevel is om te werken, ook aan rijken die het voor het geld niet behoeven te doen. Arbeid is een goede remedie tegen onkuisheid, dronkenschap, roddel, enzovoorts. Ledigheid is des duivels oorkussen. Verder kan de mens zich alleen door iets te doen, door iets om handen te hebben ontplooien: 'Item om in de Wereld niet tevergeefs te zijn (want niemand is voor zichzelf geboren) … als een onnut mens'. Cornelis van Poudroyen, vriend van Gisbertus Voetius, richt zich in zijn catechisatie (1653-1662) tegen 'stercke Bedelaers', gezonde niet-werkwilligen. Ook rijke mensen die niet willen werken bezondigen zich: luidheid is zonde. Er is een hoge waardering van de arbeid. De Coccejaan Henricus Groenewegen noemt in zijn Oefeningen over den Heidelbergschen Catechismus (1698) ledigheid 'een van de grootste aanleidingen tot dieverij'. Een zinvol leven sluit zinvol werk in. Werk moet! Slechts de werkende mens is echte mens. 'Deze waarheid wordt vooral de rijken voorgehouden, die niet van werk afhankelijk zijn voor het levensonderhoud, en de gezonde, werkschuwe armen. Beiden groepen bestelen de samenleving. Onvrijwillige werkloosheid van valide mensen werd door geen van de uitleggers besproken. Dat ze veelvuldig voorkwam, staat vast. Zou deze witte vlek een blinde vlek bij de predikanten zijn, zodat een grote bevolkingsgroep voor hen niet bestond? Het lijkt niet onwaarschijnlijk' (Augustijn, a.w., blz. 73).
Wanneer we vandaag in de lijn van deze reformatorische benadering willen voortgaan, zullen we dus extra gespitst moeten zijn op het vraagstuk van de baanloosheid. Méér dan in onze traditie is gebeurd dienen we te beseffen dat arbeid méér is dan beroepsarbeid en dat leven méér is dan werken. Een bescheidener benadering van arbeid behoeft geen inbreuk te doen op de hoge waardering ervan. Ter afsluiting van dit onderdeel citeer ik met instemming de door W. H. Velema in zijn boekje Zin in het leven gegeven omschrijving van arbeid: 'Arbeid is die inspannende menselijke aktiviteit van lichaam en geest, die verricht wordt met het oog op ons levensonderhoud en ter ontplooiing van de ons door God in Zijn schepping geschonken gaven. Tot deze arbeid is ieder mens krachtens zijn geschapen zijn door God verplicht. In het licht van het evangelie moet deze arbeid uitgevoerd worden uit dankbaarheid voor de verlossing in Christus – onder Zijn heerschappij, tot eer van God, tot heil van de naaste en tot eigen welzijn' (blz. 41).
Wanneer we door de wederbarende en vernieuwende kracht van de Heilige Geest zó bezig mogen zijn, is onze arbeid niet ijdel in de Heere (1 Cor. 15 : 58), maar krijgt zelfs eeuwigheidswaarde.

J. Hoek, Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 11 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Mens en arbeid in de twintigste eeuw (3)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 11 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's