De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

In de vorige eeuw hield de bekende mr. Is. Da Costa – de jood, die christen werd – zijn al even befaamde Bijbellezingen. Ze zijn opgetekend door J. F. Schimsheimer en in negen kloeke delen uitgegeven. Hier volgen twee passages uit het eerste deel:

• Over het joodsche Pascha.
'Dit is zeker, dat ik zelf meermalen in mijne kindsheid en jongelingsjaren in het huis mijns vaders heb ondervonden, dat er geen stiller en liefelijker avond bij ons was dan de Paasavond. Alsdan gevoelde men zich zo geheel één met het geslacht, dat duizenden jaren geleden uit Egypte was getrokken, en men gevoelde zich zelf als mede uitgetrokken uit het slavenhuis en tot een vrij volk geworden. Dit was een nationaal gevoel, waarvan ik, ik moet het bekennen, het daarmee evenarende gevoel nog niet in het Christendom heb teruggevonden. Dat moet nog onder de Christenen komen; zij moeten zich nog leren gevoelen, wezenlijk een enig broedervolk te zijn, dat des Heeren is, dat verlost en uitgegaan is uit zonde en wereld door het bloed van het ware Paaslam. Zij zijn tot heden nog veel te verdeeld en gescheiden en op zichzelf staande. Al dit gevoel heeft echter de Jood voor een schaduw. Zij hebben alles bij het Pascha, behalve het wezen, het bloed, het offer. Daarom is alles bij hen een geraamte, waarin wel leven is geweest, en waarin voor iemand, die in de opstanding der doden gelooft, ook wel weer leven komen zal; doch nu is het dood, want het bloed, het leven is er uit. Doch hebben zij nu voor een geraamte nog zulk eene opgewektheid, wat moesten wij dan hebben voor het wezen!'


• Over het kruisdragen.
'Doch indien wij nu weten, dat God gewoon is om aan zijn kinderen het zoete na het zure te geven, waarom zouden wij dan niet geduldig zijn in de droefenis, en van de Heere de uitkomst zo zeker verwachten, als de wachters de morgen? Zeker het kan lang, zeer lang duren, eer God verandering geeft, maar God wil ook ons geduld beproeven, of wij op Hem wel een weinig willen wachten. In zulk een geval moeten wij ons kruis maar goed op onze schouders leggen, dan dragen wij licht, en kunnen het lang uithouden. Leren wij dit van de mensen, die gewoon zijn pakken dragen. Deze weten ze zo te leggen, dat zij zelf zeer zware pakken zonder bezwaar kunnen dragen, ja, als zij reeds een last op hebben, waaronder zij naar onze mening moeten bezwijken, dan zeggen zij soms wel: "Doe er nog maar iets bij, want ik kan het best dragen".
Doch omdat wij zo onhandig en scheef dragen, zuchten wij reeds onder een kleinen last, en klagen wij over een klein verdriet.'


In 'Berichten van de kerk en zending in Egypte' (Uitgaande van de Egyptezending, die is geïntegreerd in de Raad voor de Zending van de Ned. Herv. Kerk) trof ik twee sprekende stukjes. Het eerste stond onder de titel 'Egyptische spreuk voor tram, trein en bus'; het tweede had als titel 'De extra psalm', waarover we al eens eerder iets weergaven.

• 'Zolang ik me kan herinneren ben ik, vooral in trams en bussen, opschriften tegengekomen die erop wezen dat jonge en gezonde mensen, zo nodig, moeten gaan staan om ouderen, vrouwen in verwachting, en gehandicapten te laten zitten.
In de loop der jaren heb ik de toon wel zien veranderen. Vroeger klonk het als een bevel. Van later herinner me de spreuk: "Opstaan voor iemand misstaat niemand'. Onlangs zag ik nog zoiets als: 'Ik ben jong, ik kan wel staan'.
Een aantal maanden geleden kwam ik in een boek een oude Egyptische tekst tegen. Hoe oud de tekst is weet ik niet maar ik schat in elk geval van tussen 1500 en 1000 voor de jaartelling. "Blijf niet zitten wanneer een ander staat die ouder is dan jij, zelfs niet wanneer jij belangrijkere functies bekleedt dan hij". Misschien zou het aardig zijn om deze Egyptische tekst met vertaling in onze trams en bussen op te hangen. U ziet wel: niets nieuws onder de zon.'

[Afbeelding]

"Blijf niet zitten wanneer een ander staat die ouder is dan jij, zelfs niet wanneer jij belangrijkere functies bekleedt dan hij.' (citaat van plm. 1500 voor Christus).


• 'Ook de aloude Koptische Kerk kent 151 Psalmen. Dat lijkt er dus één te veel. En toch, die extra Psalm 151 was in de Vroege Kerk zeer geliefd. Ook tot ons taalgebied is ze doorgedrongen en de tekst is ook nu nog bij velen bekend al weet men van de herkomst meestal niets meer af. Wat is het geval?
In de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament, de zogenoemde Septuaginta (naar de 70 vertalers die volgens de legende aan de vertaling unisono werkten), vindt men na Psalm 150 de bewuste Psalm met het opschrift: "Deze Psalm is een eigen geschrift van David en hij staat buiten het getal (nl. der 150) en wel toen hij alleen tegen Goliath gestreden had". De inhoud van de Psalm kan verbonden worden met het in 1 Samuël 16 en 17 verhaalde. Nu zijn de oudste delen van de Septuaginta uit de vierde eeuw vóór Christus (de vijf boeken van Mozes) terwijl de Geschriften (Psalmen, Hooglied, Spreuken, Prediker onder andere) het laatste zullen vertaald zijn. Zoals bekend kan zijn, werd de Septuaginta door de eerste christengeneraties gebruikt in hun erediensten en in diverse geschriften. Het Grieks immers was de wereldtaal en werd pas in de derde eeuw allengs door het Latijn (althans in het Westen) verdrongen. Dat de christenen van de eerste eeuwen inderdaad met deze Psalm vertrouwd zijn geweest moge onder andere blijken uit het feit dat de beroemde kerkvader Athanasius (330) hem citeerde. Athanasius, de onvermoeide strijder voor het ware geloof omtrent het waarachtig God-zijn van Jezus, van "hetzelfde wezen met de Vader", in de door gans de christenheid beleden geloofsbelijdenis van Nicea zo uitgedrukt Athanasius was de bisschop van Alexandrië in Egypte.
Nu zijn er waarschijnlijk wel meer extra Psalmen geweest, zoals een bundeltje van vijf Syrische Psalmen (Psalm 151 is er een van) uit een overigens vrij laat handschrift ons laat zien. Behalve Syrische vertalingen, waren er ook Koptische, Latijnse vertalingen later in omloop. Maar toen Hiëronymus op last van paus Damasus de nogal verwilderde Latijnse vertalingen van het Oude en Nieuwe Testament moest corrigeren door in de meeste gevallen opnieuw uit de Hebreeuwse of Griekse grondtekst te vertalen, werd ook het "kaf" van het koren gescheiden, dat wil zeggen, een aantal geschriften die de Septuaginta wel bevatte viel nu buiten de boot en tot hen behoorde ook… Psalm 151. Toch is het interessant te constateren dat de Psalm kennelijk een taai leven had. In een aantal handschriften van Hiëronymus' vertaling (bekend geworden onder de naam Vulgata = volkse, algemene) komt hij weer voor. Men zou wellicht kunnen opmerken dat deze extra Psalm pas later, dat wil zeggen in de eerste eeuwen in de toenmalige versie van de Septuaginta terecht is gekomen. Niets echter is minder waar. Hij komt namelijk voor in de vele bij de Dode Zee gevonden rollen en wel om precies te zijn in grot 11. Weliswaar niet direct in 1947 bij de grote vondst (van onder andere de Jesaja-rol) maar eerst in 1962. Dus Psalm 151 in het oorspronkelijke Hebreeuws! In de "Dode-Zee" tekst is de Psalm overigens in twee gedeelten gesplitst. En deze Psalmrol stamt uit de eerste eeuw vóór onze jaartelling. Psalm 151 heeft dus een goede "staat van dienst".
In de Statenvertaling komt de Psalm niet meer voor. De vertalers namen met enige tegenzin wel de Apocryphe boeken, voorafgegaan door een Waerschouwinghe aan den leser, op, maar wat het Oude Testament betreft hielden zij zich aan de in de synagoge geldende omvang en tekst.
Maar Psalm 151 was niet stuk te krijgen. Nog vóór de Statenvertalers met hun arbeid begonnen, had een zekere Abraham van der Meer, raadsheer in het Hof van Holland in 1624 een Nederlandse vertaling uit het Grieks gegeven en die bovendien op rijm gezet. Zo kwam de Psalm in de berijming van Datheen terecht (gezongen in de eredienst tot in 1773 de "nieuwe berijming" kwam); wij vinden hem daar ná het bundeltje Enige Gezangen opgenomen. En hoewel één van de berijmers/vertalers van 1773 de Psalm opnieuw had berijmd, te weten Jozua van Iperen, toch besloten de Staten het lied niet op te nemen.
Maar alweer: in vele latere drukken duikt het lied weer op! Hier volgt nu Van Iperen's berijming (te zingen op de wijze van Psalm 19).


"Ik was een jongeling, nog teder en gering, bij broed'ren laag geacht;
men had mij in het veld tot herder aangesteld;
daar hield ik steeds de wacht en weidde 't wollig vee.
Toen maakt' ik wel te vree, een harp met eigen handen;
ik greep het snarentuig, 'k zong psalmen;
van 't gejuich weergalmden onze landen.
Wat blijdschap, welk een eer,
dat zelfs de Hemelheer
wou luist'ren naar 't geklank
van mijn harp en stem.
Mijn lied behaagde Hem, en ' zei Zijn goedheid dank.
Hij had mij 't rijk besteld:
men riep mij uit het veld, van achter 's vaders schapen;
ik kwam en stond bedeesd, verlegen en bevreesd;
God werd mijn schild en wapen.
Der broed'ren schoon gelaat noch kracht kwam hun te baat.
Geen moed, geen krijgsbeleid
Gods knecht ging hen voorbij, maar groett' en zalfde mij
Toen rees rnijn dapperheid,
toen voeld' ik enen gloed
van heil'gen heldenmoed
Ik ging de reus bevechten
Ik velde hem ter aard'
'k Versloeg hem met zijn zwaard,
tot eer van 's Heeren knechten."

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 11 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van woensdag 11 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's