C. H. Spurgeon en de prediking (3)
De roeping
Ten aanzien van de roeping van de zondaar door God, onderscheidde Spurgeon tussen inwendige en uitwendige roeping.
Terwijl de uitwendige roeping vooral op het Woord betrokken werd, en de inwendige roeping vooral op de Geest, leidde deze onderscheiding bij Spurgeon niet tot een scheiding.
De inwendige roeping noemde hij 'effectual calling', wat eigenlijk vertaald zou moeten worden als 'effectieve of krachtdadige roeping'.
Deze inwendige roeping is aldus overmachtig en niet te weerstaan. En deze is juist noodzakelijk tot behoud. Wellicht verzet de betrokken zondaar zich voor een tijd, maar toch kan hij nooit een zodanige weerstand bieden, dat hij deze roeping ongehoorzaam blijft. Hij moet zich gewonnen geven als God spreekt. Dit spreken van God is herscheppend: 'Als Hij zegt: Er zij licht! dan maakt de ondoordringbare duisternis plaats voor het licht; als Hij zegt: Er zij genade! dan bezwijkt onbeschrijflijke zonde en de meest verharde zondaar smelt voor het vuur van krachtdadige roeping'.
God roept geestelijk doden tot leven: 'De zondaar is dood in zonde, en zonder enige kracht om zichzelf het leven der genade te geven'.
Deze inwendige roeping is ook onafhankelijk van enige menselijke verdienste. Ze maakt onderscheid waar geen onderscheid is: 'Als de Heilige Geest vandaag uit deze gemeente honderd mensen zal roepen, en hun uit hen staat van zonde brengt in een staat van gerechtigheid, dan moet u deze honderd mensen eens aan u voorbij laten trekken, en als u dan hun harten kon lezen, dan zou u genoopt zijn om te zeggen: Ik zie geen reden waarom de Geest van God in hen gewerkt zou hebben. Ik zie niets hoe dan ook, wat deze zou hebben kunnen verdienen, niets, dat de werkingen en bewegingen van de Geest om in deze mensen te werken, zou hebben kunnen veroorzaken'.
Daarom moest worden vastgesteld, dat de Geest effectief wordt in verloren zondaren. Er waren in Jericho wel betere mensen te vinden dan Zacheüs: 'Waarom riep Jezus hem? Eenvoudig, omdat de roeping van God komt tot onwaardige zondaren'. Vanwege deze roeping gaat men Christus volgen, met alle gevolgen vandien: 'Dan moet men Christus' smaadheid dragen – men moet dan zijn vrienden vaarwel zeggen, met wie men dronk, vloekte en plezier maakte; men moet dezen onmiddellijk verlaten en het Lam volgen, waar het ook heen gaat'.
Immers, deze roeping moet klaarblijkelijk worden vanuit de levensheiliging; wie in de zonde blijft leven, kan niet effectief, d.i. inwendig geroepen zijn: 'Als u in de zonde leeft, bent u niet geroepen; als u nog altijd door kunt gaan zoals u leefde vóór uw vermeende bekering, dan is dit helemaal geen bekering; diegene, die in zijn donkenschap geroepen is, zal zijn dronkenschap nalaten; mensen kunnen midden in hun zonde geroepen worden, maar zij zullen daar niet langer in doorgaan'.
Dat de uitwendige roeping door zo velen niet beantwoord wordt, is niet de schuld van God, maar van die mensen zelf – God meent wat Hij zegt: 'En nu. Mijn beste hoorders! hoevelen van u zijn er geroepen onder het geklank van de bediening, terwijl u toch nog niet bent gekomen?! Hoe komt dat? dacht u dat Christus het niet meende, toen Hij zei: Komt allen tot Mij, Die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven! Waarom blijft u nog altijd doorgaan onder uw moeiten en waarom bent u nog steeds belast? Waarom komt u niet? Zeker, als u niet zult komen op de smeekbede van de Zaligmaker, dan zult u ook niet komen op de Mijne'.
Nooit mogen echter de inwendige en uitwendige roeping verstandelijk tegenover elkaar worden uitgespeeld, want in wezen vormen zij de éne roeping van God. Daarom is de nodiging om tot Christus te komen tot allen en eenieder even welgemeend. Daarom wordt zelfs de rechte evangelie-dienaar herkend: 'Er zijn predikanten, die bevreesd zijn om zondaren te nodigen – waarom zijn ze dan eigenlijk predikant?! Want ze zijn bang om het belangrijkste deel van hun heilig ambt uit te voeren'.
Wél erkende Spurgeon in dezen een ontwikkeling te hebben doorgemaakt – vóór 1859 had hij aarzeling gekend om iedereen tot Christus te nodigen. Daarna nodigde hij echter boetvaardige én onboetvaardige zondaren om het heil in Christus aan te nemen, en hij meende dat dit zeer wel kon samen gaan met de zuivere leer van zonde en genade – immers, de aarzeling om onboetvaardigen tot Christus te nodigen, vond geen enkele grond in de Heilige Schrift.
Wél is nodig, dat Wet en Evangelie op een evenwichtige wijze aan de orde worden gesteld in de éne nodiging tot het heil: 'Een verkeerde voorstelling van Christus verwekt een verkeerd geloof. Ik zou hier te meer nadruk op willen leggen, omdat een half-wettische wijze van geloven zo algemeen is'.
Het antwoord op deze roeping komt tot uitdrukking in geloof en bekering, waarbij noch de ene noch de andere als de eerste mag worden aangemerkt: "Waar geloof en ware bekering mogen een tweeling worden genoemd, en tevergeefs zou men proberen te zeggen wie de eerstgeborene is, immers het is toch zo, dat alle raderen van een wiel tegelijk draaien als een wiel draait en zó komen al de genadegaven in actie wanneer de wedergeboorte wordt gewerkt door de Heilige Geest'.
De verhouding van Wet en Evangelie, binnen de éne roeping van God, werd door Spurgeon niet al te methodistisch opgevat. De beste leden van zijn gemeente bleken juist diegenen te zijn, die niet door middel van de verschrikkingen van de Wet tot Christus waren gebracht. Hun overtuiging van zonde werd juist sterker nadat ze Christus hadden aangenomen: 'Onder de vele duizenden zielen, die er onder mijn bediening toe gebracht werden om de Heere te kennen, heb ik dikwijls opgemerkt, dat een aanzienlijk deel van dezen, en dan ook nog eens van de beste leden van mijn gemeente, voor de Zaligmaker werd gewonnen niet door wettische verschrikkingen maar door liefelijker middelen. Opmerkelijk genoeg ook heb ik talloze personen ontmoet, die hun vertrouwen op Christus stelden, en daarna méér over hun zonden treurden, dan vóór dat ze geloofden. Zij hebben de grootheid van het kwaad gezien, nadat ze er aan ontsnapt waren; ze zijn uit het modderig slijk gehaald en hun voeten zijn op een steenrots gesteld; en toen hebben ze daarna veel meer de diepte van de ruisende kuil, waaruit ze opgehaald waren, onder ogen gezien. Het is niet waar, dat allen, die verlost worden, gebukt gaan onder zulke overtuigingen en verschrikkingen, zo als sommigen van ons te verduren kregen; er zijn zeer velen, die getrokken worden met mensenzelen en koorden van goedertierenheid. Er zijn er, die, net als bij Lydia, het hart geopend wordt, niet door het breekijzer van de overtuiging (van zonde), maar door de haaksleutel van Goddelijke genade. Liefelijk getrokken en bijna geruisloos onder de bekoring gekomen van de liefelijkheid van Jezus, zeggen ze: Trek mij, en wij zullen U nalopen'.
Voorts rechtvaardigt de roeping van God door middel van de prediking geen enkele lijdelijkheid: 'Het heeft geen enkele zin om er gemakkelijk bij te gaan liggen en dan te roepen: o God! help ons'. In dit verband deed Spurgeon een zeer gewaagde uitspraak, die echter vanuit het geheel van zijn prediking moet worden verstaan: 'God helpt diegenen, die zichzelf helpen'. Wél dient de uitwendige roeping in de prediking zodanig pastoraal tot de mensen te komen, dat zij rekening houdt met het geloof in zijn onderscheiden gestalten; er dient onderscheid te worden gemaakt ten aanzien van zwak en sterk geloof.
Spurgeon bleef in heel zijn prediking de onderlinge wisselwerking van de in- en uitwendige roeping benadrukken.
Het onderscheid kwam ten diepste en ten laatste tot uitdrukking in de uitwerking.
C. A. van de Sluijs, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's