Barmhartigheid en gerechtigheid in de kerkelijke praktijk
We mogen als kerk de hoge pretentie hebben altijd méér te kunnen en te mogen zeggen over bepaalde thema's, die zich in de wereld aandienen, dan welke beweging, organisatie of religie dan ook. Een hoge pretentie omdat de kerk, eerbiedig luisterend naar het Woord van Gods Openbaring, van God uit tot de mensen spreken mag. Het is dan uiteraard wel geboden dat zorgvuldig geluisterd wordt naar het totaal getuigenis van de Schrift.
De woorden barmhartigheid en gerechtigheid, waarover we vanmorgen spreken, worden ook buiten de kerk veelvuldig gebruikt en concreet ingevuld. Maar juist ook hier geldt, dat in het spreken van en in de kerk over deze zaken de kerk méér te zeggen heeft dan wie ook.
Vanuit de Schrift mogen we zeggen dat de woorden barmhartigheid en gerechtigheid dicht bij elkaar horen, omdat ze in Christus zo dicht bij elkaar horen.
De profeet Maleachi duidt de komende Christus aan met de verheven naam 'Zon der gerechtigheid'.
De evangelist Lucas noemt Hem de 'Opgang uit de hoogte', die ons mensen bezocht heeft door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God. De barmhartigheid en de gerechtigheid zijn bij God als de schering en de inslag. Gods barmhartigheid doet geen afbreuk aan het recht maar dient het recht. In de Heidelberger wordt op de vraag of God dan ook niet barmhartig is geantwoord: 'God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig: daarom eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde'. In het verzoenend werk van Christus op het Kruis ontmoeten barmhartigheid en gerechtigheid elkaar. Christus voldeed aan het recht Gods en kon daarom met innerlijke barmhartigheid Zich ontfermen over schuldige mensen. Daarover wil ik verder niet spreken, omdat dat, naar ik aanneem, vanmiddag aan de orde komt. Maar hier ligt wél altijd de dieptedimensie, ook wanneer de kerk de begrippen barmhartigheid en gerechtigheid hanteert ten aanzien van de verhoudingen onder de mensen.
Op 29 februari 1972 speelde in de Tweede Kamer de kwestie van de vrijlating van de Drie van Breda. Naar het oordeel van de regering behoorde de gevangenhouding een einde te nemen, omdat verdere voortzetting van de vrijheidsstraffen geen in onze strafpleging erkend dóél meer kon dienen.
De meerderheid van de Tweede Kamer was evenwel van andere gedachte. Op die dag heeft het kamerlid ds. H. G. Abma een bewogen en allerwegen gewaardeerd en breed geciteerd woord gesproken. Uit zijn betoog citeer ik het volgende:
'ik heb van mijn leven iets te maken gehad met het leed van de gezinnen in Putten. Iemand vertelde mij eens: een wonder dat ik niet weggevoerd ben, maar die eerste maanden toen de ramp bekend werd, dat er ruim 550 gebleven waren, dorst ik mij niet in het openbaar in het gezelschap van mijn vrouw te vertonen om het leed van de honderden weduwen niet te verzwaren. Ik voelde mij, zo zei hij, gewoon schuldig. De man had part noch deel.
Wij zijn van oordeel, – aldus Abma – dat ook in deze de diepe tonen het zijn, die de muziek maken. Het lijkt mij psychologisch zo moeilijk een gratieverzoek in te dienen door deze misdadigers, een gratieverzoek waarin berouw vervat is. Als je je al schuldig voelt, als je part noch deel hebt, hoe moet het dan wel zijn, als je een werkzaam aandeel hierin hebt gehad?'
Abma haalt dan een woord van Luther aan, die zei: 'berouw begeert de straffen en heeft die lief'. Op de tegenwerping dat God toch ook barmhartig is, zegt Abma dan 'Eens zullen wij zien, wat wij ons niet kunnen voorstellen, dat Hij in Zijn barmhartigheid en rechtvaardigheid toch één is. Dat Hij de eenvoud zelf is. Wij moeten waken tegen een gesneden beeld, tegen eenzijdige beeldvorming. God is, zoals Hij Zelf zegt dat Hij is. Wij lezen in Zijn Woord, in de Thora, dat God zichzelf bekend heeft gemaakt, dat Hij is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid, die de ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar ook de schuldige geenszins onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen en kleinkinderen bezoekt tot in het derde en vierde geslacht.'
Horend naar de roep, de schreeuw om recht en gerechtigheid van de zijde van de oorlogsslachtoffers, kwam Abma toen tot het gevleugelde woord, dat vrijlating zou betekenen, 'dat wij riemen van barmhartigheid en vergevingsgezindheid snijden uit het levende vlees van anderen, van velen uit ons volk, en van onze joodse volksgenoten met name'.
Barmhartigheid in de praktijk
Ik heb dit alles wat uitvoerig willen weergeven om daarmee te onderstrepen dat barmhartigheid en gerechtighed niet los van elkaar mogen worden gebruikt, in zekere zin ook op elkaar betrokken moeten zijn. Barmhartigheid moet het recht dienen, mag dit in ieder geval niet tegenwerken. Anders kan barmhartigheid jegens de één onbarmhartigheid jegens de ander zijn. En als we dan binnen de kerk over recht spreken zal dit altijd ook in relatie tot het recht Góds dienen te geschieden, waarbij de geboden Gods ook helemaal meekomen.
Nu is barmhartigheid een wat verdacht woord geworden. Ook in de kerkelijke praktijk is dit woord naar achter gedrongen; het heeft vage contouren gekregen. Daar zit ongetwijfeld achter dat barmhartigheid een woord is uit de hulpverlening in het verleden, uit de sfeer van de liefdadigheid, de filantropie, zowel onder de burgerij alsook vanuit het diakonaat. Het begrip stamt teveel uit de armenzorg van weleer. Barmhartigheid had dan te maken met neerbuigendheid, neerbuigende goedheid. Hiér, op grote hoogte, staat de gever. Dáár, een aantal treden lager, staat de ontvanger.
Dat er in dit opzicht van schrijnende situaties sprake is geweest in het verleden, met name ook in de diakonale sfeer, is buiten kijf. Gesproken werd van de bedéling. Prof. C. Veenhof spreekt in zijn prachtige, appellerende boek 'Christelijke diakonie en ABW' van de barmhartigheden der goddelozen, die wreed zijn, en van een falende kerk, die daardoor kiemen legde voor ontkerkelijking.
De nationale dichter Tollens – om een algemeen voorbeeld te noemen – bedelde eens in een barre winter tweeduizend gulden bij elkaar met een door hem gemaakt poëem. Maar in dat vers staan deze regels:
Al zijn de bomen wit als dons
De grachten hard als lood
Wat wijfjelief, wat deert het ons
Wij hebben warme wijn en pons
Wij hebben dek en brood.
Dr. J. G. Woelderink omschreef in 1923 in een brochure over het diakonaat de Ned. Herv. Kerk nog als niet anders dan 'een bedelingsinstituut, dat wekelijks zijn bijdragen uitkeerde'.
En prof. dr. Hugo Visscher gispte in zijn brochure 'Gij diakenen' in felle bewoordingen de wantoestanden van de armen, die naar 'de Heren' moesten gaan.
Barmhartigheid was barmhartigheid met het intact laten van onrechtvaardige verhoudingen in de samenleving. Een innerlijke tegenstrijdigheid! Daarom heeft het woord barmhartigheid aan waarde ingeboet.
Die toestanden zijn nu gelukkig achterhaald. Ik zou echter krachtig willen pleiten voor een eerherstel van de barmhartigheid en dan wel de barmhartigheid, die het recht dient. Veenhof voert in zijn genoemde boek predikanten als van den Bergh, Sikkel en Hoekstra ten tonele, die het in die tijd de kerk op de ziel hebben gebrand, dat barmhartigheidsbetoon een wezenlijk, een centraal element is in het leven der kerk. Een element, waarmee de kerk staat of valt! Sikkel zei, dat een ware reformatie uit twee dingen bestaat. Allereerst hierin dat de kerk weer Jezus Christus gaat erkennen als haar enig Hoofd en Zijn Woord als haar enige leefregel. En in de tweede plaats dat zij zich weer wendt tot het ellendige om dat te behouden. 'Een gemeente, die zegt het eerste te willen maar het tweede niet zoekt, mist het bewijs der oprechtheid'.
Staat niet juist dáárom de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ter opscherping in de Schrift? De Samaritaan wordt aan de priester en de leviet ten voorbeeld gesteld als het gaat om dienstbetoon aan de arme en ellendige! Calvijn past deze gelijkenis toe op de hele mensheid. De mens is om de mens geschapen, zegt Calvijn. Allen hebben verplichtingen jegens elkander. Dienstbetoon moet zich derhalve niet beperken tot bloedverwanten en geestverwanten maar is gericht op 'het gehele mensdom'.
Barmhartigheid zal ook vandaag staan in dienst van het recht. Ontsporingen in de geschiedenis geven niet het recht deze centrale bijbelse notie naar achter te schuiven. In een nota van het hervormd Werelddiakonaat over het Midden Oosten wordt gesproken over verschuiving bij de internationale hulpverlening van caritas (barmhartigheid) naar gerechtigheid. Dat nu is dunkt me een ongeóórloofde verschuiving. We zullen ook in het internationale dienstbetoon als kerk met twee woorden moeten blijven spreken. De kerk oefent ook barmhartigheid vanwege het brandende hart van Christus. Gever en ontvanger leven van dezelfde barmhartigheid.
Intussen zien we merkwaardigerwijs wel, dat in ander verband het begrip barmhartigheid wordt gehanteerd. Ik acht het niet zo eenvoudig om zonder misverstanden op te roepen aan te geven wat ik bedoel. Het moderne leven is vol deraillementen als het gaat om goede ordeningen, door de Heere Zelf gesteld in Zijn Woord, om het leven leefbaar te maken en te doen zijn.
De geboden Gods, samengevat in de Tien Geboden, zijn de paaltjes langs de weg van het leven om ons voor afdwalen te behoeden, aldus een woord van prof. dr. A. A. van Ruler. Welnu, we begeven ons als afzonderlijke mensen en daarom ook als samenleving vandaag in toenemende mate buiten die paaltjes van Gods geboden; geboden intussen met een belofte. Bij alle ontsporingen en ontwrichtingen, die tengevolge van wetteloosheid optreden, moet er dan betoon van barmhartigheid zijn. In die zin, dat allerlei modern levensgedrag moet worden gelegitimeerd met een beroep op de barmhartigheid. Met name als het gaat om huwelijk en gezin, of liever de ontbinding van het huwelijk en de alternatieven voor het gezin, wordt dan het woord barmhartigheid gebruikt. Nader uitgewerkt wordt dan gesproken over het Verbond, waarin de liefde dient te functioneren. Liefde is dan het modewoord om te sanctioneren wat God evenwel in Zijn Woord en wet verbiedt.
Een ooit door de hervormde synode verworpen nota van prof. dr. F. O. van Gennep e. a. over relaties binnen het verbond, dat geheel op dit denken vanuit de liefde was gebaseerd, registreert een gevoelen, dat wijd verbreid is.
Ik noem één concreet voorbeeld van zulk barmhartigheidsdenken. In toenemende mate klinken pleidooien om echtscheidingen kerkelijk te bezegelen. Wanneer een huwelijk kerkelijk gesloten is moet het ook kerkelijk kunnen worden ontbonden. In De Wekker van 8 januari l.l. heeft echter de heer D. Koole, voorzitter van de christelijke gereformeerde Ambtsdragersconferentie, over deze kwestie behartigenswaardige dingen gezegd. De achtergrond van veel echtscheidingen – aldus Koole – is, dat mensen menen het recht te hebben zichzelf te zijn, ook in de huwelijksrelatie. Komt dat recht in het gedrang, dan wordt al spoedig de eerste stap op de weg van echtscheiding gezet. Terwijl, aldus Koole, het liefdegebod juist gebiedt het uiterste te doen om de huwelijksrelatie een afspiegeling te doen zijn van de relatie van Christus en Zijn gemeente. Als het dan, door welke oorzaken dan ook, toch uit de hand loopt en de destructie onontkoombaar is – ik citeer nu letterlijk – 'kan er een moment komen, waarop de kerk die onontkoombaarheid maar moet accepteren, maar met evangelische tegenzin. De mislukking en de gevolgen daarvan kunnen niet met officiële riten worden gesacraliseerd'.
Welnu op dit terrein is sprake van een bepaald barmhartigheidsdenken, waarin het recht van mensen principieel hoger genoteerd staat dan de inzettingen en rechten des Heeren. Om alle misverstand te voorkomen: niemand concludere uit dit voorbeeld dat ik een ónbarmhartige houding bepleit. De noodzaak blijft onverlet om ook gescheidenen in de gemeenschap van de gemeente, met liefde en zorg, te doen delen. Maar dat is iets anders dan principiële goedkeuring en kerkelijke bezegeling met plechtige ceremonieën.
Het voorbeeld kan worden uitgebreid, bijvoorbeeld als het gaat om het dopen van een kind van een lesbisch paar, zoals enkele jaren geleden in Rotterdam in de Gereformeerde Kerken plaats vond.
Samenvattend wil ik zeggen dat de kerkelijke praxis, als het over barmhartigheid gaat, enerzijds laat zien een verbleking van dit begrip. Anderzijds is er soms een praxis buiten de paaltjes van het gebod, dat ten goede is. Dan staat barmhartigheid niet in dienst van het recht, het góddelijk recht met name.
Gerechtigheid
Het wordt tijd dat ik nu ook nog iets zeg over de kerkelijke praxis inzake de gerechtigheid. Dat woord staat vandaag hoger genoteerd dan de barmhartigheid. De vraag is wel of ook dit begrip altijd staat genoteerd op de hoogte van de Schriften. Zoals gezegd dient ook deze notie dicht bij Christus te worden gehouden. Hij is onze Vrede, Hij is onze gerechtigheid. Hij is Zon der gerechtigheid. Daarom is er de paradoxale mogelijkheid, dat een zondig mens weer voor God recht op zijn voeten kan staan, gerechtvaardigd door het geloof. Een mens, buigend onder Gods recht, mag genadige, doorboorde Handen zien. De mens is geschapen, zo zegt de Heidelberger, in gerechtigheid en heiligheid. Dat beeld is hem ontvallen. Maar God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Doordat Christus rechtvaardig Mens en waarachtig God is kon aan de gevallen 'mensheid' gerechtigheid en het leven worden wedergegeven, zo besluit de Heidelberger.
God wil de heelheid van het leven. God wil de thora, de wet. En daarom heeft gerechtigheid in de Schrift, behalve de dimensie van de relatie tot God, ook de dimensie van de verhouding onder de mensen. Het gaat om de twee tafelen van de wet.
'Gerechtigheid verhoogt een volk en zonde is de schandvlek der natiën'.
En een ander Schriftwoord: 'Wat eist de Heere van u, o mens, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God?'. (Micha 6:8).
Van het recht dóén, het najagen van gerechtigheid onder de mensen is de Schrift even vol als van de rechtvaardiging van de zondaar. Het recht in de Poorten, dat is in de steden, zal worden gediend. Letterlijk spreken de Tien Geboden over het recht van de vreemdeling in onze poorten.
De profeten in het Oude Testament en ook een apostel als Jacobus geselen in scherpe bewoordingen het onrecht als zich dat onder het volk voordoet.
De Schrift is daar vol van. Genoeg nu echter, dunkt me, om aan te geven, dat aandacht van de kerk voor de vragen van de gerechtigheid geen modegril is maar bijbelse roeping. In ander verband heb ik kort geleden gesproken over het Koninkrijk Gods. Gerechtigheid en Koninkrijk Gods horen ook helemaal bij elkaar.
De vraag is echter ook hier hoe de kerk inhoud geeft aan haar bezinning op gerechtigheid. Me dunkt dat in het algemeen gezegd moet worden dat gerechtigheid vaak een zodanig verzelfstandigd begrip is geworden, dat de notie van 'Christus onze gerechtigheid' er helemaal uit is. In de nota, die door het Hervormd Moderamen is opgesteld over wat dan genoemd wordt de Godsverduistering, wordt terecht opgemerkt dat we weer terug moeten naar het Bijbels ABC en dat het dan ook gaat om Christus als Persoon; niet zozeer om een Christus als abstract idee of algemene norm maar als de Levende.
Welnu, als Berkhof dan ten aanzien van deze Godsverduistering zegt, dat de kerk in de huidige maatschappelijke vragen God nauwelijks meer ter sprake weet te brengen, dan moeten we ook eerlijk zeggen dat de kerk ook Christus als de Levende vaak niet ter sprake hééft gebracht. Juist ook als het gaat om de vragen van de gerechtigheid werden deze zo politiek en maatschappelijk ingekaderd, dat het spreken over de gerechtigheid als kérkelijk spreken onherkenbaar werd.
Juist het begrip gerechtigheid is vaak heel sterk geïdeologiseerd. Als ik het heel concreet zegen mag: in het kerkelijk denken en spreken over gerechtigheid in de wereld is gerechtigheid vaak een socialistische categorie geworden. Ik zeg met opzet nog niet direct: een marxistische categorie. Ook dat geldt in bepaalde gevallen. In de nota van de hervormde synode 'Revolutie en gerechtigheid' uit de zeventiger jaren – het slechtse synodale geschrift ooit verschenen – gaat het kerkelijk denken, om het maar zacht te zeggen, rakelings langs marxistische afgronden. Het materiaal van de gerechtigheid komt daar rechtstreeks uit het tuighuis der (neo)marxisten. Het heil en de gerechtigheid zijn louter aards gerichte categorieën geworden. Het Nieuwe Jeruzalem is er al hier en nu. Die gedachte geeft ruimte voor de dialoog met de marxisten, die het heil ook langs de weg van de ontwikkelingen en van de revoluties in de geschiedenis hier en nu verwachten. In wereldverband denk ik aan de vergadering van de Wereldraad van Kerken in 1976 in Nairobi, die ik zelf meemaakte. Premier Manley van Jamaica hield toen een uitspraak. Hij stak zijn marxistische uitgangspunten ten aanzien van de gerechtigheid niet onder stoelen of banken.
Maar ook waar niet direct in marxistische zin wordt gedacht, wordt gerechtigheid toch vaak wel in socialistische richting geduid. Velen in kerk en theologie zien gerechtigheid daar verwezenlijkt, waar gestreefd wordt naar een socialistische inrichting van de maatschappij. De vraag of en hoe de kerk en het christelijk geloof zich ïn vrijheid kunnen ontplooien is vaak ondergeschikt gemaakt aan een socialistische emancipatiegedachte.
Een sprekend voorbeeld is de kerkelijke praxis ten aanzien.van Nicaragua. Het sandinistisch bewind wordt in beleidsorganen van de kerk, die ermee te maken hebben, zo niet in bescherming genomen, dan toch wel met zachte handschoenen aangepakt. Dat steekt dan schril af bij de verontwaardiging die – niet ten onrechte, laat ik dat duidelijk stellen – naar situaties toe wordt geuit, waar onrecht van rechts komt.
Wanneer de kerk het odium van selectieve verontwaardiging wil ontlopen zal ze ten aanzien van het denken over gerechtigheid ook het woord van Hoedemaker in praktijk moeten brengen: 'noch rechts, noch links maar de koninklijke weg', dat is de weg van de Koning, van de Heere onze gerechtigheid.
Is veel kerkelijk spreken niet ongeloofwaardig geworden omdat het politiek spreken werd, ontdaan van alle profetie, waartoe de kerk vanuit de Schriften gerechtigd is en geroepen is? Als in marxistisch geregeerde landen, zoals vandaag in Nicaragua, het christelijk geloof niet veilig is hoe kan dan het recht nog gediend zijn! Kan daar ooit sprake zijn van recht en gerechtigheid als de kerk zelf in het betreffende land niet in vrijheid profetisch spreken kan? Gerechtigheid zal toch nooit kunnen opbloeien wanneer die niet gerelateerd is aan wat de Heere van ons vraagt in Zijn geboden en wat Hij ons belooft bij onderhouding daarvan?
Noch links, noch rechts maar de koninklijke weg. Zo alleen zal spreken over en oproepen tot gerechtigheid geloofwaardig zijn. De kerk zal met twee woorden moeten spreken, wil ze zelf niet ideologisch besmet raken.
Links of rechts? Rechts en links vinden in elkaar vaak een alibi om onrecht te gedogen, zij het in verschillende situaties.
Het kerkelijk spreken over gerechtigheid is van eigen aard en zal rechts en links politiek denken te Boven gaan. Elke vereenzelviging betekent verloochening van de profetie.
Onze synode heeft nu intussen met algemene stemmen besloten om deel te nemen aan het zogeheten conciliaire proces. De vader van de gedachte achter dit wereldwijde proces is dr. C. F. von Weiszäcker, die gegrepen is door wat hij noemt de 'fundamentele doodsnood' van deze wereld.
Welnu, wie zou inderdaad niet ineenkrimpen wanneer hij louter ziet op de dreigingen in deze, wereld? Het proces moet daarom gaan over zaken als vrede, veiligheid en gerechtigheid.
In een verder verschiet ziet von Weiszäcker evenwel reeds het gesprek tussen de wereldreligies over deze zaken. Heeft de kerk echter in deze zaken niet een geheel eigen woord te spreken, ontsproten aan de woorden van Hem, die onze Vrede, onze Gerechtigheid en onze Toevlucht of Burcht en dus onze Veiligheid is? Wanneer de kerken niet spreken naar dit Woord zal er geen dageraad zijn. Als er geen profetie is wordt het volk ontbloot. In de dialoog met de wereldgodsdiensten is al eerder gebleken hoe het uitgangspunt wordt genomen in een universele Christus, die met verberging van zichzelf ook in andere religies aanwezig is. Dat betekent verloochening van het unieke van Jezus' persoon en werk.
Fundamenteel bij alle doordenking van deze zaken zal toch zijn onze visie op de toekomst. Ons denken over de toekomst van de wereld mag ontspruiten aan de Heerlijke Toekomst van onze Heere Jezus Christus. In de Schrift wordt gesproken over déze wereld, die aan een proces van veroudering is prijs gegeven. Is het niet een Godswonder dat deze aarde al zo lang voor zoveel miljarden voedsel en energie heeft voorgebracht? Zal het dan nooit uitgeput raken? De psalm zegt:
Als een kleed zal 't al verouden,
niets kan hier zijn stand behouden,
wat uit stof is neemt een end,
door de tijd die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Opperwezen,
geen verandering te vrezen.
Gij die de eeuwen acht als uren,
zult alle eeuwigheid verduren.
In Nairobi zei een theoloog dat we deze aarde zo moeten inrichten, dat ze oneindig bewoonbaar zal zijn. We weten beter. We mogen de aarde, als rentmeesters van God zo inrichten dat deze leefbaar is voor alle mensen, zo lang de Heere nog wacht te komen. 'Maar wij verwachten naar Zijn belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont'. Die nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn deze oude bedeling voorbij. Zolang het God belieft Zijn scheppingswerk voort te zetten in de creatie van een telkens nieuwe mensheid, zolang wil Hij dat er op deze aarde naar Zijn gebod geleefd wordt en het recht zijn loop hebbe. Maar Hij heeft de beste wijn voor het laatst bewaard. Namelijk als gerechtigheid op de nieuwe aarde wonen zal, een thuis zal hebben. Bij Hem, waarvan de het Oude Testament messiaans voorzegde, dat gerechtigheid de gordel van zijn lendenen is. Dat is de wereld-vreemde boodschap van de kerk. Daarom heeft de kerk altijd meer te zeggen dan de wereld, juist ook als het over gerechtigheid gaat. De joodse sjofeer – dat is de vakman die over de gehele wereld de thorarollen calligrafeert – tekent alle letters van boven naar beneden. Zo komt de thora immers tot ons mensen?
Als in deze tijd de kerk in haar spreken barmhartigheid en gerechtigheid maar dicht bij elkaar houdt en beide begrippen dicht bij Christus houdt heeft ze een woord voor de wereld. Een woord waarbij ze een wissel trekt op de eeuwigheid, maar waarvan de uitstraling in de tijd, als het om recht en gerechtigheid gaat, merkbaar zal zijn.
v. d. G.
(Referaat gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 25 mei 1988 te Nijkerk).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's