C. H. Spurgeon en de prediking (4)
De uitverkiezing
De uitverkiezing kon voor Spurgeon alleen worden verstaan vanuit de roeping. In het geloof krijgt men zekerheid aangaande zijn uitverkiezing: 'Sommige mensen willen weten of zij uitverkoren zijn. Wij kunnen hun dit niet zeggen, tenzij ze dit ons zeggen. Gelooft u? Is uw geloof gericht op het dierbaar bloed? Dan bent u in het verbond… Hij, die gelooft is uitverkoren… U kunt uw verkiezing niet zien met het blote oog, maar door het bloed van Christus kunt u het duidelijk genoeg zien'.
Deze uitverkiezing tot zaligheid door God geschiedt niet op grond van een voorgezien geloof of goede werken, maar is uiteraard souverein: 'Welnu, in het grote besluit van de verkiezing moet de enige reden waarom God de vaten der barmhartigheid koos deze zijn, dat God dit gewild heeft. Er was niets in iemand van hen, dat God bewoog om hen te kiezen. We zijn allemaal eender, allen verloren, allen verdorven door de val; niemand van ons kan het minste recht op Zijn genade laten gelden; in feite verdienen we allen Zijn volle wraak. Zijn keuze van iemand en Zijn keuze van Zijn gehele volk, was zonder oorzaak, voor zover dit iets in hen zelf betrof. Het was de uitwerking van Zijn eigen vrije wil, en niet van iets wat zij deden, zouden kunnen doen of zelfs maar zouden willen doen'.
De uitverkiezing van voor de grondlegging der wereld is als zodanig een aanstoot voor de ongelovigen, maar een troost voor de gelovigen: 'Ongelovigen haten de verkiezing; omdat men niet bij de vergrendelde schatten van het heil kan komen, haten ze ook de wacht, die hen bewaakt. Welnu, in de verkiezing is opgesloten de kostbare schat van Gods verbondszegen voor Zijn kinderen – voor boetvaardigen, voor zoekende zondaren. Maar deze ongelovigen willen zich niet bekeren en willen niet geloven; zij willen Gods weg niet bewandelen, en daarom brommen en grommen zij en ergeren zich en zijn ze woedend, omdat God de schat voor hen vergrendeld heeft. Laat een mens eens geloven, dat heel de schat daarbinnen voor hem is, en dan geldt het hoe zwaarder de grendel en hoe vaster het slot des te beter voor hem: O, hoe zoet is het om te geloven, dat onze namen op Jehovah's hart waren en gegraveerd in Jezus' handen, voordat het heelal een aanzijn had! Zou dit een mens niet electriceren met vreugde en hem doen dansen van vrolijkheid?'
Immers, alleen de uitverkorenen mogen zeker zijn van de voorbede van Christus: 'Wat zei Christus? – Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn Uwe. Als Christus bidt voor Zijn uitverkorenen, waarom zou u dan boos zijn, als u dit ook zo geleerd wordt vanuit het Woord van God'.
Ondertussen ligt de grond van de uitverkiezing in de beloften en de ontferming van God: 'Welnu, als Hare Majesteit de Koningin, die de souvereine macht over leven en dood in handen heeft, verkiest dat deze man (misdadiger) niet zal sterven, maar dat hij gespaard zal worden, is het dan voor u niet zo klaar als het daglicht, dat de reden, die haar kan bewegen die man te sparen, gelegen moet zijn in haar eigen liefde, haar eigen medelijden? Want, zoals ik reeds gesteld heb, er is niets in die hele man wat pleiten kan voor genade, maar integendeel z'n gehele hoedanigheid schreeuwt om wraak tegen zijn zonde'.
Niemand kan dan ook enige kennis van zijn verkiezing hebben, dan door het werk van de Heilige Geest. Niemand kan immers opklimmen in de hemel: 'maar laat me u vragen – welke positieve uitwerking heeft de leer van de uitverkiezing op iemand, voordat de Geest van God bij hem binnenkomt? Hoe weet ik of God mij verkoren heeft van voor de grondlegging der wereld? Hoe is het mogelijk om dit te weten? Kan ik opklimmen naar de hemel, en lezen in de boekrol? Is het mogelijk mij een weg te banen door de zware nevels, die de eeuwigheid verhullen, om dan de zeven zegels van het boek te openen en om dan te lezen dat mijn naam daar geschreven is? Ach nee; de uitverkiezing is een dode letter, zowel voor mijn bewustzijn als ten aanzien van wat het op mij zou kunnen uitwerken, totdat de Geest van God mij roept uit de duisternis in wonderbaar licht'.
Deze Geest maakt de uitverkorenen eveneens werkzaam omtrent hun eeuwige verkiezing: 'Maar – zegt iemand – ik dacht, dat het helemaal het werk van God was?! Dat is het ook, van begin tot eind. Maar wanneer God het werk in de ziel begonnen is, dan is de voortdurende uitwerking daarvan, dat het ons aan het werk zet; en waar Gods Geest werkelijk met ons worstelt, daar beginnen wij dit ook te doen'.
Vanuit de roeping kan de uitverkiezing nooit statisch functioneren, en aldus verwarring brengen, maar deze verkiezing draagt een dynamisch karakter, aangezien het geloof zich, door middel van de roeping, heeft te richten op Christus. Zo gezien, is de uitverkiezing niet eng: 'Zijn uitverkiezing is niet eng, want zij omvat een schare die niemand tellen kan, ja, allen die in Jezus zullen geloven'.
Aldus biedt de leer van de uitverkiezing zelfs een unieke troost: 'Ik was verrast, de vorige dag, toen ik merkte, dat een arme ziel in grote wanhoop, troost gekregen had uit een preek van mij, niet over de algemene verzoening en ook niet over het vrije aanbod van de zaligheid, maar de man had houvast gekregen aan de hoekige punten van mijn preek over het eeuwige verbond en over de uitverkiezing… Toen ik dat hoorde, zag ik hoe God een ziel troost kan geven door eenvoudig Zijn souvereine genade te tonen'.
Jezus Christus is immers de spiegel van onze verkiezing: 'U wordt gebeden, in Gods Woord, om in de Heere Jezus Christus te geloven; en ik zal u één ding zeggen – en dat is dit: als u in Christus gelooft, dan is dat een positief bewijs, dat u één van de uitverkorenen bent, en dat uw naam in het Boek des Levens is'.
Het eeuwig besluit van God is aldus geen verboden grond, maar pleitgrond: 'Ik denkt, dat als een arme zondaar genade nodig heeft, en hij ziet, dat er genade te verkrijgen is, dat hij dan beter pas op de plaats kan maken door te vragen: Besloot God, dat ik die zou hebben? – maar ga en neem die genade, en hij zal bevinden, dat hij, terwijl hij dit doet, zó Gods besluiten vervult'.
Naarmate hij ouder werd, werd de leer van de uitverkiezing bij Spurgeon meer en meer bepaald door de dynamiek van het geloof.
C. A. van der Sluijs, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's