Blank racisme?
Roemeense vluchtelingen in Hongarije
Zo u weet, behoort een deel van Hongarije sinds 1929 tot Roemenië. Dit deel heet Erdély. Wij zeggen meestal Transsylvanië of Zevenburgen.
In dit deel wonen Hongaren. Hun wordt niet toegestaan deel uit te maken van de regering en van andere overheidsorganen. Wel tracht de Roemeense overheid deze etnische minderheid uit elkaar te halen door veel Roemenen te laten verhuizen naar dit vanouds Hongaarse gebied en veel Hongaren uit dit gebied verplicht te laten verhuizen naar niet Hongaarse gebieden. Ook om hun protestant-zijn ervaren de Hongaren veel weerstand. Daarbij komt dan thans nog de deplorabele economische toestand waarin het land verkeert. Er is nauwelijks te eten. Er is nauwelijks brandstof. De Hongaren ervaren daarom de voorbije zeer gematigde wintertemperatuur als een zegen. Bij normale wintertemperaturen (-10 graden) zouden zeker veel meer mensen zijn overleden.
Door al deze ellendige omstandigheden hebben thans zo'n 30.000 Hongaren hun erfgoed in Roemenië verlaten en zijn naar Hongarije gevlucht. Deze vlucht schijnt vrij probleemloos te verlopen, waardoor de gedachte opkomt dat de Roemeense staat hen graag laat gaan.
Eenmaal in Hongarije komt de ontgoocheling. Geen werk, geen eigendommen meer dan alleen de kleding die men op dat moment aan heeft. Zowel de Hongaarse regering als de Hongaarse Kerken staan zij aan zij om deze vluchtelingen op te vangen en hulp te bieden. Dat dit niet zomaar gaat en welke problemen er zich bij kunnen voordoen, leest u in de volgende vertaling van een gedeelte van het laatstelijk verschenen kerkblad van de Hongaarse Gereformeerde (Hervormde) Kerk.
Gehoorzaam aan het evangelie.
Gesprek over de kerkelijke hulp voor degenen die zich in ons land willen vestigen.
'De kwestie van de uit Roemenië, hoofdzakelijk uit Erdély afkomstige mensen, die zich in ons land willen vestigen, heeft binnen onze kerk, maar ook daarbuiten vele gevoelens losgemaakt en vele heftige discussies op gang gebracht. De gevoelens en de argumenten, die lijnrecht tegenover elkaar staan, vertegenwoordigen verscheidene geestelijke en maatschappelijke standpunten. Maar over één ding is iedereen het eens: Zij die het nodig hebben, moeten geholpen worden. Helpen, hoewel, – en daarover is ook iedereen het eens – niemand blij is met dit nieuwe verschijnsel. Hoofdzakelijk, omdat niemand de buiten onze grenzen wonende Hongaren wil aanmoedigen om, om wat voor reden dan ook en op ondoordachte wijze, hun geboorteland te verlaten. Deze angstige en bezorgde stem, maar ook het willen helpen vanuit de liefde van het Evangelie begon in ons te spreken, toen wij begin maart in dit blad onze gemeenten opriepen om hulp te bieden. Wij hebben ook gemeld, dat wij het nodig achtten om de kwestie van deze hulpzoekenden centraal te organiseren. Drie plaatsen, te weten, Budapest-Rákosszentmihály, Debrecen en Miskole (Kossuth u. 17) werden aangewezen als centra van de georganiseerde hulpverlening.
Ik (Attila Komlós) kon Tivador Panczél, predikant in de gemeente Budapest-Rákosszentmihály alleen in de vroege ochtend bereiken, om hem te vragen wat zijn eerste ervaringen zijn met betrekking tot de hulpverlening in Budapest. Tijdens de drukte hadden wij nauwelijks gelegenheid een gesprek onder, vier ogen te kunnen voeren. De telefoon stond bijna niet stil. Gelukkig hielp zijn vrouw met een medewerkster van de gemeente aldaar, om de vele telefonische vragen te beantwoorden. Intussen heeft men ook ons adres gevonden, de ene keer om geld te brengen en de andere keer om pakketten met kleding, bestemd voor hulp, te bezorgen.
Ik vroeg: Hoe ziet hij, de helpende predikant, de toestand?
De predikant kan niet rustig slapen. De vele zorgen van de honderden hulpzoekenden houden hem steeds meer bezig. Maar ook de 6 andere predikanten, die elke vrijdagmiddag dienst hebben om de mensen te helpen. Wij willen ons verantwoordelijk inzetten. De toekomst van het verlaten vaderland, van de thuisgebleven kinderen, ouderen en verscheurde families vormen een steeds groter probleem.
De hulpverlening van de kerk, gemeenten en predikanten geschiedt uit de gehoorzaamheid aan het Evangelie van Christus. We houden ons niet bezig met de oorzaken van een triest verschijnsel, maar met een zo goed mogelijke broederlijke hulp – zegt de predikant. Maar het is onmogelijk om niet te luisteren naar de vele bittere klachten, die deze mensen ons vertellen. Het is onmogelijk om niet hun rechtmatig verlangen te begrijpen dat zij recht hebben op een menswaardige behandeling. Ook is duidelijk geworden, dat geen van hen tot last van kerk en staat wil zijn. Ze zouden willen werken, om van hun eerlijk verdiende loon te kunnen leven.
Een belangrijk deel van onze gesprekken met deze mensen is, dat wij iedereen en in het bijzonder de verscheurde gezinnen, vragen, om als het maar even mogelijk is, terug te keren naar hun vaderland en dus ook naar hun familieleden.
Vervolgens praten wij met de predikant over de wijze van hulpverlening. Hij zegt dat hij de indruk heeft dat er in het hele land sprake is van menselijke en nationale saamhorigheid. Het is te merken aan de vele brieven, waarin men informatie vraagt; aan kleine en grote financiële giften; en aan de vele pakketten, die bij ons aankomen. Het zijn de tot nu toe nog onaangeroerde reserves uit het diepst van de ziel.
De kerk probeert hen te helpen. Het ontbreken van kontakten, het niet gesetteld zijn, een grote mate van desoriëntatie en het verlangen naar de warmte van het verlaten nest zijn de meest voorkomende problemen. Terugkijkend op de achter ons liggende weken kunnen wij als volgt de balans, opmaken: Tot Pasen hebben wij op 8 vrijdagen volgens onze voorzichtige schattingen 3.000 mensen hulp geboden. Wij hebben 295.000 ft. (d.i. plm. ƒ 11.800,–) ontvangen van 31 hervormde gemeenten, 1 katholieke gemeente en 115 partikulieren. Hiervan hebben wij al 210.000 ft. (d.i. plm. ƒ 8.400,–) verdeeld onder de hulpzoekenden uit de kas van onze kerk. We zijn er dankbaar voor. Maar in feite hebben we wel twee miljoen gulden nodig.
Er is met betrekking tot ons gemeenteleven een nieuwe situatie ontstaan. Velen nemen deel aan de meest uiteenlopende hulpdiensten, zowel ouderlingen als broeders en zusters. En niet alleen op de vrijdagen, maar op alle dagen van de week. De laatste tijd nodigen steeds meer families na de dienst van zondagochtend mensen uit voor het middageten.
Belangrijk werk doen de medewerkers van buitenlandse zaken van de synode. Hoofdzakelijk in de vorm van juridische en geneeskundige hulp. Gode zij dank is het al velen gelukt de basis te leggen voor hun nieuwe bestaan. Velen van hen komen om zes uur terug naar ons, om de kerkdienst bij te wonen.
Dan praten wij erover, hoe wij nog meer mogelijkheden kunnen bieden en vragen kunnen beantwoorden met betrekking tot woon- en werkgelegenheid. Hier kunnen wij een uitstekend initiatief melden van één van onze kerkprovincies in de vorm van de aktie: "één gemeente – één familie". Zo zijn er al heel wat families geholpen door de steun van één gemeente.
Ik zou werkelijk niet eens verlangen om goed te kunnen slapen, omdat ik altijd aan de woorden van Jezus denk, die Hij tegen Zijn discipelen zei: "Wat slaapt gij? Staat op en bidt!" (Lukas 22 : 46).
Wij mogen de kracht van het gebed niet vergeten. Want God kan al het slechte ten goede keren.'
Tot zover het artikel.
Ook hulp uit Nederland is van groot belang en wordt als broederhulp ervaren. Ieder die in de gelegenheid is of die dit jaar Hongarije hoopt aan te doen kan op eigen wijze hulp bieden. En niet alleen voor de gevluchte Hongaren, maar ook de in Roemenië achtergebleven Hongaren. Als de hulpgoederen voor deze mensen worden achtergelaten bij bijv. predikanten in de grensplaatsen bij Roemenië met de vraag dit bij hun broeders en zusters in Roemenië te brengen, dan komt dit goed voor elkaar, zo is gebleken.
Er is bij de vluchtelingen grote behoefte aan bepaalde kleding: (andere kleding heeft men dus voldoende) poloshirts, sokken, schoenen, herenjassen en -jacks, handdoeken, spijkerbroeken en zomerkleding door mannen en vrouwen. Aan dekens en lakens is grote behoefte. Er is een groot gebrek aan: vleesconserven, slaolie, kaas, margarine en melkpoeder. Voor de financiële opvang heeft men ook veel geld nodig.
De informatie die aanleiding is tot dit artikel ontvingen we van de stichting Hulp Oost Europa te Putten, tel. 03418-58177, die ook haar gironummer 8887 open heeft gesteld om met de ontvangen giften mede zoveel mogelijk nood te lenigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's