De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

De Confessiones (Belijdenissen) van Augustinus
Vergis ik me, als ik zeg, dat er een groeiende belangstelling is voor het werk van de bisschop van Hippo Regius, Augustinus (354-430). Zijn betekenis voor de kerkgeschiedenis, de theologiegeschiedenis, de cultuurgeschiedenis en de filosofie is dan ook bijzonder groot. Zowel Rome als de Reformatie beroepen zich in menig opzicht op hem. Onlangs las ik het mooie boek van dr. Ruppert over de zgn. 'twee-rijken-leer' van Luther (maar R. laat zien dat die naam eigenlijk onjuist is). Dan wordt je duidelijk hoe groot de invloed en de betekenis van Augustinus is inzake de verhouding tussen Gods eeuwig Koninkrijk en het wereldlijk regiment.
En het boek van prof. dr. F. v. d. Meer over Augustinus, de zielzorger is mijns inziens nog altijd onovertroffen, een klassiek boek waar je gedurig weer naar teruggrijpt.
In de laatste jaren zijn er van verschillende publicaties van Augustinus vertalingen verschenen van de hand van Gerard Wijdeveld. Zo komen de werken van deze kerkvader onder een breed lezerspubliek. In de serie 'Waagstukken' in het blad In de Waagschaal (van 21 mei) gaat dr. G. G. de Kruijf in op Augustinus' Confessiones, door hem getypeerd als theologische literatuur in de vorm van een spreken tot God. Belijdend en lofprijzend spreken.
De Kruijf is getroffen niet alleen door de schone taal van dit boek, maar ook door openhartigheid en kwetsbaarheid waarmee Augustinus zich geeft. 'Hij is de Europese mens voorgegaan in het zelfgesprek'. Augustinus geeft zich bloot als gelovig mens. 'En als een gelovig mens zich blootgeeft, zal altijd blijken, dat het geloof niet los staat van de psychische struktuur en het driftleven.' Even verderop schrijft de Kruijf:

'We zullen Augustinus' ontwikkeling ook langs de filosofische en theologische baan bezien. Zijn weg is herkenbaar voor de Europese geest. Hij gaat niet van ongeloof tot geloof. Zijn weg begint in de kerk en mondt via een lange zwerftocht weer uit in die kerk. Een mens is van nature geen christen en als hij in de kerk geboren wordt, schept dat een kader maar ook een probleem. Zijn jeugd trekt hem als vanzelf weg uit de enge kerk en brengt hem in de ruimte van de filosofie. Hij wordt getroffen door een geschrift van Cicero. Achteraf ziet hij daar een moment van godsverlangen in en dat zal het ook wel geweest zijn, maar dan in de breedste zin: "omdat ik door dat betoog werd opgewekt en aangevuurd en van verlangen brandde, niet om dit of dat filosofisch systeem, maar om de wijsheid zelf – hoe en wat die ook was – lief te hebben en te zoeken en te verkrijgen en vast te houden en met kracht te omhelzen" (Conf. III, 4). Het was de ervaring van de platoonse eroos, het absolute waarheidsgebod, dat zovelen in de Europese geschiedenis bewogen heeft. Hij gaat dan wel op nieuwe wijze de bijbel lezen, maar vindt die te weinig verheven, te ordinair vergeleken met de grote filosofen (Conf. III, 5). Het Manicheïsme werd zijn eerste grote liefde. Daar vond hij godsdienst en filosofie ineen. Daar vond de diepe vraag naar de oorsprong van het kwaad een redelijk antwoord. Althans, zo kwam het hem voor. In elk geval: het Manicheïsme was een redelijke wijze van geloven. Men behoefde er zich niet voor te schamen in intellectuele kring. En dat kwam hem goed uit. Maar het liep niet goed af. De crisis breekt los. Hij raakt teleurgesteld in de manicheeërs, „waar maar lukraak wetenschap werd beloofd…, en waar dan naderhand zoveel uitermate fantastische en ongerijmde dingen te geloven werden opgelegd, omdat ze niet konden worden aangetoond" (Conf. VI, 5). De rede maakt haar belofte van een totaal inzicht niet waar. Als er dan toch geloofd moet worden, dan ook openlijk zoals in de kerk: "Ik merkte dat er (in de kerk) geloof werd geëist aan wat niet werd aangetoond: …ik merkte echter ook wel, dat het geloof daar met bescheidenheid en zonder enige onoprechtheid werd geëist, anders dan bij die anderen", (ibidem) De kerk trekt dus zijn aandacht, maar buigen doet hij nog niet. Na het verlies van de eerste grote overtuiging is er modder, verwarring, scepsis ("Groot zijn de mannen van de Academie: er valt geen zekerheid te verkrijgen waar wij ons leven naar kunnen richten!" (Conf VI, 11) Dan rijst daar voor hem de ster van het Platonisme. Deze filosofie nadert het absolute dat hij zoekt, het verhevene en het goddelijke, het licht der mensen. Maar nu ziet hij ook, juist in deze verheven wijsheid, waar het 'm op vastzit: in de filosofie het hoge en verhevene waar de mens naar reikt, in het geloof het hoge en verhevene dat zich neerbuigt en zich over de mens ontfermt. "Wat ik daar las, was dat het Woord, God, niet uit het vlees, niet uit het bloed, …maar uit God is geboren. Dat echter het Woord vlees is geworden en onder ons gewoond heeft, kreeg ik daar niet te lezen" (Conf VII, 9). Daarmee zijn we in de kern van de zaak gekomen. Als Augustinus zich tenslotte gewonnen geeft en definitief gaat lezen in dat ordinaire boek, dan buigt hij niet voor de hoogste idee, maar voor der mensen broeder. Hij ontdekt de absolute waarheid als mens onder de mensen, hij moet van het idee naar het verhaal. Om de gekruisigde Christus als de wijsheid Gods te erkennen, moet een leraar in de retorica over de schaamte worden heengezet. En nu begrijpen we waarom humilitas, nederigheid, ootmoed het woord wordt dat hij voor God heeft èn voor het christelijk leven. Het klinkt bij hem niet kruiperig maar barmhartig. Maar, ik geef toe, hij heeft aan den lijve ondervonden, dat er gebogen moet worden, dat men geloven niet doet in een hoge gedachtenvlucht, maar op gezag van heel menselijke getuigen "evangelisten" genaamd. Daar is wel moed voor nodig. Voortaan moet hij zeggen: credo ut intelligam.'

Credo, ut intelligam, d.w.z.: ik geloof, om te verstaan. Je zou kunnen zeggen: daarmee is de zin van alle dogmatische arbeid van kerk en theologie aangegeven. Prof. Van Niftrik haalt dit hierboven genoemde Latijnse citaat aan in een passage waarin hij de schoonheid van de dogmatiek bezingt. Nadenkend over de openbaring van God is een staan op heilige grond, is tegelijk een schoon en heerlijk werk. De Belijdenissen van Augustinus blijven vanwege de vreugde om het heiligdom van het evangelie boeiend en aktueel.

Babylon en Jeruzalem
Op de conferentie van de vrienden van Kohlbrugge heeft dr. J. v. Oort een lezing gehouden over de christelijke doop als roeping en belofte in deze wereld. Van Oort belicht het sacrament van de doop vanuit het thema van de vreemdelingschap, de overgang van Babyion naar Jeruzalem, van het machtsgebied van Satan naar het rijk van Christus. In dit verband brengt hij ook Augustinus ter sprake. Van Oort schreef over hem een mooi boek, waarin hij inging op de bronnen van Augustinus' leer van de twee steden. Het is vooral in het grote werk Over de stad van God (De civitate Dei) dat Augustinus deze leer ontvouwt. De leer van de twee steden: Babylon en Jeruzalem:

'Hij tekent hun oorsprong, hun voortgang in de tijd, hun bestemde uiteinden. En hij laat op onovertroffen wijze zien dat die twee steden of rijken er vanaf het begin zijn geweest, ontstaan met de val van de engelen en van de mens, en dat zo het historische verloop een strijd is van die twee steden, totdat de definitieve scheiding komt.
Nu meldt Augustinus dit alles niet om nu eens een diepzinnig geschrift te schrijven waarin alomvattend en op speculatieve wijze van alles aan de orde zou komen. Een geschrift zoals in de tijd van de zgn. Verlichting dikke boeken geschreven werden door Christian Wolff en ook door anderen "Von Gott, der Welt und allen anderen Dingen überhaupt"'. Maar Augustinus wil de christenen van zijn tijd en van alle tijden troost bieden, bemoediging, hoop, uitzicht op het veld van de geschiedenis; hij wil ze onderwijzen hoe ze staande kunnen blijven in een turbulente wereld en hier hun roeping kunnen vervullen.
En wat meldt Augustinus dan? Gehoord de nood van de tijd kijkt hij allereerst in de Schrift en vertelt de heilshistorie. Hij begint vanaf de schepping en gaat door tot op Christus' komst. De geschiedenis is niet maar een doelloos en zinloos gebeuren, en het pad van de eeuwigheid is niet krom (Nietzsche), maar er zit lijn in, perspectief, toekomst. Dat is op zich al een heel belangrijke ontdekking en Augustinus doet deze op het voetspoor van Israëls profeten. Wat er met deze wereld gebeurt, wat er met de christelijke gemeente gebeurt en wat er met mij gebeurt, is niet zo maar iets toevalligs, iets zonder zin of doel, maar het maakt deel uit van Gods heilsplan. Dat is troostvol en opwekkend en geeft moed om te zijn en zó ook hebben de eerste lezers van Augustinus' boek het ervaren. Maar Augustinus gaat verder. Ook na Christus' komst gaat Gods heilswerk door en in dat plan zijn ook wij begrepen en de christelijke gemeente en alle volkeren en het gaat zelfs heel de kosmos aan. Zó ziet Augustinus, wanneer hij staat op het veld van de geschiedenis en schouwt en dat opschrijft in zijn boek De civitate Dei.
Maar Augustinus meldt meer. Wanneer hij zijn oor te luisteren heeft gelegd bij Israëls profeten en geschiedschrijvers, wanneer hij vernomen heeft wat apostelen en evangelisten gesproken hebben en vooral ook wanneer hij zich te binnen heeft gebracht wat in de hem voorafgaande christelijke traditie is gezegd, dan meldt Augustinus meer. Nadenkend en voorgangers nasprekend over oorsprong, zin en doel van de geschiedenis, ziet hij het beeld oprijzen van de twee steden. Jeruzalem staat tegenover Babylon, de stad van God tegenover de aardse stad, en die aardse stad is ten diepste een diabolische stad, rijk van de duivel. Zo schouwt de ziener een strijdtoneel, zo is de geschiedenis geen wandelpark maar een worstelperk en zo ziet de gelovige zich geplaatst in een apocalyptisch gebeuren.
En het is juist hierin dat Augustinus de Christgelovige van zijn tijd en van alle tijden bemoedigen wil. De kerk, de gemeente is niet doelloos en zinloos in deze wereld geworpen en de diabolische en Babylonische verwarring van de tijd en de cultuur en de techniek mag haar niet doen despereren. Maar ze mag moed grijpen om te zijn en aldus haar roeping vervullen.
Hoe dan? Wel, zó zoals Abraham op het veld van de geschiedenis heeft gestaan en zijn roeping verstond. Zó zoals Jozef in Egypte op zijn post heeft gestaan en in den vreemde zijn hoge taak verrichtte. Zó zoals Daniël, met de vensters open naar Jeruzalem. Zó zoals Israël in Babel balling maar weet hebbend van de belofte.
Het verwondert niet dat Augustinus vanuit deze achtergrond op de vreemdelingschap de nadruk legt. De christelijke gemeente is hier niet thuis, maar verkeert in den vreemde. Maar dit verhindert haar niet om in déze tijd en in déze wereld haar roeping te vervullen! Zoals Israël eertijds in BabyIon als vreemdeling verbleef, maar er toch huizen bouwde en wijngaarden plantte en wist dat in Babylons' vrede ook haar vrede gelegen was, evenzo nu ook de kerk. Utimur et nos pace Babylonis; ook wij gebruiken de vrede van Babylon! (De stad van God XIX, 26).
Het is dan in dit verband dat Augustinus zijn befaamde leer van "gebruiken" en "genieten" ter sprake brengt. Hoe gaat de christen om met het aardse, het tijdelijke, met de natuur, de cultuur, de techniek? Hij gebruikt ze en het goede eruit aanvaardt hij dankbaar. Hij erkent en waardeert ze als Gods goede gaven. Maar hij weet ook dat deze goederen tijdelijk zijn, aards, voorbijgaand. In een preek zegt Augustinus: "Tijdelijke weldaden zijn gezondheid, rijkdom, eer en aanzien, vrienden, een huis, kinderen, een echtgenote en alle overige dingen van dit leven waarin wij als pelgrims trekken". Maar tegelijk voegt hij er aan toe: "Laten wij ons dus in de herberg van dit leven niet beschouwen als eigenaars die er blijven, maar als pelgrims die verder zullen reizen" (sermo 80). Het tijdelijke gaat voorbij en dat weet de pelgrimerende christen. Daarom is zijn houding in deze wereld een geheel andere dan die van de burgers van de aardse stad. Zij hebben zich verstrikt in het tijdelijke, hún hoogste genieting is het aardse, daarnaar snakken zij zelfs (De stad van God IV, 34; XV, 5). Maar de burger van de stad van God staat en gaat anders in wereld en tijd. Hij gebruikt het aardse, maar wordt er niet door in beslag genomen. Genieten, opgaand genieten doet hij alleen God en zijn rijk.'

Van Oort wijst er op, dat het thema van de twee rijken in verband met de doop niet alleen in het dooponderricht van de vroege kerk doorklinkt, maar ook in het klassieke doopformulier.'
Wie het teken en zegel van de doop ontvangt wordt geroepen tot een nieuwe gehoorzaamheid. De gedoopten hebben de wereld te verzaken. In het dankgebed wordt gebeden dat zij 'vromelijk tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen mogen'.
Augustinus blijft ons boeien. Niet in het minst door zijn leer van de twee steden. Niet alleen de bezinning rondom de doop, maar in het algemeen de bezinning inzake de roeping van de gemeente in een geseculariseerde wereld wordt verdiept wanneer wij ons telkens opnieuw laten 'scholen' door de bisschop van Hippo Regius.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's