C. H. Spurgeon en de prediking (5)
RectificatieHet laatste Spurgeon-citaat in 'C. H. Spurgeon en de prediking (4)' moet luiden: 'Ik denk, dat als een arme zondaar genade nodig heeft, en hij ziet, dat er genade te verkrijgen is, dat hij dan beter geen pas op de plaats kan maken door te vragen: Besloot God, dat ik die zou hebben? – maar ga en neem die genade, en hij zal bevinden, dat hij, terwijl hij dit doet, zó Gods besluiten vervult.'
De verzoening
De algemene verzoening wees Spurgeon af als onbijbels. Nadrukkelijk wees hij er op, dat de Heilige Schrift slechts van een speciale verzoening spreekt, die naar haar aard en werking alleen de uitverkorenen omvat. Sterk waarschuwde hij in dit verband tegen het Arminianisme: 'Alle christenen houden het er op, dat Christus stierf om te verlossen, maar alle christenen leren niet dezelfde verlossing. De Arminianen, bijvoorbeeld, denken dat Christus toen Hij stierf, niet stierf met de bedoeling om wie dan ook persoonlijk te verlossen; en zij leren, dat Christus' dood als zodanig de zaligheid van nu nog levende mensen niet zonder enige twijfel verzekert. Zij houden het er voor, dat de dood van Christus geen bijzonder en speciaal karakter droeg. Welnu, wij geloven zo iets niet. Wij houden het er op, dat Christus, toen Hij stierf, een doel voor ogen had, en dat dit doel vast en zeker en zonder enige twijfel bereikt zal worden… Wij houden er aan vast, we zijn niet bevreesd om te zeggen wat we geloven – dat Christus in deze wereld kwam met de bedoeling om een schare die niemand tellen kan zalig te maken; en wij geloven dat, als het resultaat daarvan, iedereen voor wie Hij stierf, boven alle twijfel verheven, van zonde gereinigd wordt … Wij geloven niet, dat Christus een verzoening aanbracht, die zou gelden voor hen, die voor eeuwig verdoemd zijn; wij durven niet te denken, dat het bloed van Christus ooit gestort is met de bedoeling hen te verlossen van wie God van te voren wist, dat ze niet verlost konden worden.'
In zeker opzicht kon deze speciale vezoening nationale trekken krijgen in onderscheid met de heidenvolken. Gods keuze voor Groot-Brittannië moest geheel worden herleid tot zijn soevereine barmhartigheid: 'De reden, waarom op deze dag het Evangelie u gepredikt wordt en niet aan de heidenen ver weg, is niet dat we als ras voortreffelijker zijn dan de heidenen; en ook niet dat we dit bij God zouden verdienen; Zijn keuze van Brittannië, waarbij Hij het tot uitwendige voorrechten verkoren heeft, wordt niet veroorzaakt door de uitmuntendheid van de Britse natie, maar geheel en al door Zijn Eigen genade en Zijn Eigen liefde.'
Evenals de Nederlandse Nadere Reformatie, kende ook het Engelse Puritanisme de gedachte van 'het Israël van het Westen'. Deze gedachte is hier bij Spurgeon duidelijk terug te vinden. Wel lijkt het er op, dat zijn enthousiasme in deze later taande.
Het speciale karakter van de verzoening kreeg eveneens gestalte binnen de gemeente, waarbij de onderscheiding diende uit te gaan van de prediking en niet van de prediker. Het was immers de plicht van de prediker om alle mensen, zonder onderscheid, tot Christus te nodigen: 'De plicht van de prediker is om zielen tot Christus te roepen. Hij mag geen enkel onderscheid, hoe dan ook, maken … De bazuin van het Evangelie klinkt luid voor iedereen in onze gemeenten.'
Het onderscheid tussen de geroepenen wordt dan aangegeven door geloof en ongeloof onder de éne prediking van de verzoening.
De uitwendige roeping is algemeen, de inwendige niet – evenmin als de verzoening dat is: 'Maar ik herhaal het, deze algemene roeping wordt verworven door de mens; zij is een roeping, maar zij gaat niet vergezeld van Goddelijke macht en kracht van de Heilige Geest in die mate, dat zij een onoverwinnelijke roeping wordt gemaakt, wat tot gevolg heeft, dat mensen verloren gaan, zelfs al klinkt de algemene roeping van het Evangelie hen in de oren… De roeping, waarvan sprake is in onze tekst (Rom. 8 : 30 'En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen') draagt een onderscheidend karakter; zij is geen algemene roeping, zij is een speciale, bijzondere, persoonlijke, onderscheid makende, krachtdadige, en onoverwinnelijke roeping. Deze roeping komt tot de uitverkorenen, en tot hen alleen; zij zijn het, die door genade deze roeping horen, haar gehoorzamen en opvolgen.'
De algemene verzoening vindt geen enkele grond in de Bijbel: 'Daar gaat de algemene verzoening – zegt iemand. Jawel, daar gaat zij, inderdaad.Ik ben er zeker van, dat er niets dergelijks in het Woord van God te vinden is.'
De indruk mag echter nooit ontstaan of worden gewekt, dat de prediking van de verzoening het Evangelie als zodanig zou beknotten. Het Evangelie dient aan allen, zonder onderscheid, te worden verkondigd, maar de toepassing is beperkt tot de uitverkorenen: 'Onthoudt – al denkt u misschien door wat ik gezegd heb, dat het Evangelie beperkt is – dat het Evangelie vrij aan allen gepredikt wordt. Het besluit (van God in de eeuwigheid) is beperkt, maar het goede nieuws is zo wijd als de wereld. Ik vertel het aan ieder schepsel onder de hemel, omdat het mij gezegd is, dat ik dit doen moet. De verborgenheid van God met betrekking tot de toepassing is beperkt tot Gods uitverkorenen, maar niet de boodschap, want die wordt verkondigd aan alle volken.'
Weliswaar geldt de plaatsbekleding van Christus met betrekking tot zijn uitwerking alleen voor de uitverkorenen, maar om te delen in dit heil is weer onontbeerlijk de toepassing door de Heilige Geest: 'Wij weten, dat Christus stond in de plaats van al Zijn volk, en dat al degenen, die in de hemel zullen komen, daar zullen verschijnen zowel als een daad van gerechtigheid als van genade, ziende dat Christus gestraft is in hun plaats, en dat het onrechtvaardig zou zijn geweest als God hen gestraft had, ziende dat Hij Christus gestraft had voor hen… Maar wat nut mij dat, tenzij de Geest het uit Christus neemt en het mij verkondigt?… Daar hangen de zegenmgen aan de nagels van (de gekruisigde) Christus Jezus. Maar wij zijn klein van postuur, wij kunnen er niet bij; de Geest van God haalt ze (de zegeningen) naar beneden en geeft ze aan ons, en nu zijn we er; ze zijn van ons… maar zonder de Geest moeten we alsnog sterven en verloren gaan, al verkiest de Vader en verlost de Zoon, alsof de Vader nooit verkoren had en alsof de Zoon ons nooit gekocht had met Zijn bloed. De Geest is absoluut noodzakelijk. Zonder Hem zijn de werken van de Vader noch van de Zoon ons van enig nut.'
En ten diepste is de genade van de verzoening met God vrij. En deze soevereiniteit van God ten aanzien van de verzoening dient te leiden tot de aanbidding van God: 'Welnu, als Christus nooit voor mij gestorven was en mij nooit had liefgehad, dan moet ik Hem toch liefhebben vanwege Zijn goedheid, dat Hij voor andere mensen stierf.'
C. A. van der Sluijs, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's