Landschap
Natuurlijk! De Lek!, dacht ik. Ik was hem bijna vergeten. Al een paar maanden maakte ik gebruik van de nieuwe A27. Maar mijn aandacht was beperkt gebleven, tot de vier banen asfalt en het verkeer dat zich daarop voortbewoog. Dat de weg water kruiste was nauwelijks tot mijn bewustzijn doorgedrongen. Al laat de rivier zich nooit helemaal vergeten…
Die middag reed ik huiswaarts, zonder veel gedachten. Plotseling dansende lichtstralen om mij heen. Ik keek door de zijruit. De rivier! Zo had ik hem nog nooit gezien. Het zonlicht ketste op de watervlakte. Enkele ogenblikken lag het hele landschap in een gloed als van de 'glazen zee met vuur vermengd', zoals Johannes die ooit van het eiland Patmos gezien had (Openb. 15 : 2).
In één flits zag ik het landschap dat tweeëndertig jaar de achtergrond van mijn bestaan was geweest. De wijde polders en de hemel daarboven. De rechte sloten. De dijk met daarachter de brede uiterwaarden. En de rivier die zich in grillige kronkels door het landschap slingert. Hij laat zich soms bijna vergeten – als een sluimerende slang. Maar toch – hij blijft herinneren aan een chaos die zich nooit helemaal laat temmen…
Een typische natuurliefhebber ben ik niet. Het heeft lang geduurd voordat ik oog begon te krijgen voor het landschap om mij heen. En nog kan het gebeuren dat ik maanden over de A27 rijd zonder iets meer te zien dan asfalt. Alleen de rivier, die heeft mij altijd getrokken. De beelden van de rivier zijn vastgelegd in mijn geheugen, haarscherpe opnamen, in kleur. Totaalbeelden en details door elkaar, als een stapel foto's die willekeurig over een tafel uitgespreid is.
Heldere dag in de zomer, tintelend wateroppervlak, diepblauwe hemel, in het zonlicht alles een eigen kleur groen, gras, bomen, het riet aan de oever.
Dunne nevelslierten, cumuluswolken als opgestapelde bergen boven het water, donkergrijze wolken langs de hemel jagend, grauwe watermassa's.
Wateroppervlak tot ijs gestold, spiegelend zonlicht, rijp op gras en bomen, wit licht de atmosfeer van het landschap, de ogen verblind.
Laat in de avond op de dijk, een deken van mist onder mij, de sterrenhemel boven mij, kalende boomkruinen uitstekend boven de nevel, uit de verte een misthoorn. O ja, de rivier…
De rivier leeft ook in de verhalen die erover verteld worden. Daarin komt vooral het chaotische van het water naar voren, het onberekenbare, het bedreigende. Verhalen over mensen die in de Lek verdronken zijn. Zwemmen in de Lek is gevaarlijk. Er werd verteld van draaikolken die mensen naar de diepte zogen. Een keer stond het water bijna een meter onder de dijkrand. Het stormde 's nachts. Er werd over dijkbewaking gesproken. Zulke verhalen werden altijd op iets gedempte toon verteld. Als oude mythen die huiverend, met vreze, gereciteerd worden. Vrees voor een chaos die zich nooit helemaal laat temmen…
Het woord 'chaos' is afkomstig uit de oude Griekse mythe. 'Voorwaar, vóór alle dingen ontstond de chaos', zo begint de Griekse dichter Hesiodus zijn relaas over het ontstaan der dingen 1). Het woord betekent letterlijk 'gaping'. Het is de grote leegte, de afgrond van het niets waar de oude Grieken voor huiverden. 'Vóór alle dingen', als achtergrond van alles wat ontstaan is, het gapende niets waarin alles weer terug kan vallen.
In de mythe zoeken sluimerende angsten een uitweg. Zoals een kind dat bang is in het donker, hardop gaat praten: 'Ik ben niet bang!' Dan is de angstige stilte tenminste even gebroken…
Ik denk niet dat er nog iemand gelooft in de chaos van Hesiodus. Maar de mythe is gebleven. Ze heeft alleen nieuwe gestalten aangenomen. Wetenschappelijke hypothezen als 'the big bang' (de grote knal waarmee het heelal ontstaan is) en 'the survival of the fittest' (het overleven van de best aangepaste diersoort) hebben iets mythisch aan zich. In zulke woorden zoeken de angsten van onze eeuw een uitweg. 'In den beginne schiep God de hemel en de aarde'… (Gen. 1 : 1). De oude Schriften van het volk Israël beginnen niet met een gapende leegte, maar met een daad van de levende God. Hij 'schept', Hij roept hemel en aarde uit het niets in het aanzijn. De aarde wordt getekend als 'woest en ledig' (Gen. 1 : 2). 'Woest' betekent dat er op de aarde geen weg is waarop een mens kan gaan (Ps. 107 : 7). 'Ledig', dat er geen plaats is waar een mens kan wonen (Jer. 4 : 23, 25). De Schriften verhalen hoe God in het 'woeste' wegen baant en hoe Hij op de ledige aarde plaats maakt om te wonen. Waar de Schriften hun licht laten schijnen komt iets van de glans van de Schepper over de dingen te liggen. 'De gehele wereld is voor onze ogen als een schoon boek, waarin alle schepselen, grote en kleine, als letters zijn, die ons de onzichtbare dingen van God te aanschouwen geven', zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis (artikel 2). Pas in het licht van de Schriften leer je zien wat je 'voor ogen hebt…'
1740 en één stond het
water aan dezen steen.
1819 en één stond het
water aan dezen steen.
1809 is het water aan
dezen steen gestegen.
Drie gevelstenen in de voorgevel van een boerderij, in een dorp midden in de polder. 'Woest en ledig', flitste het door mij heen. Ik keek de straat in, in de richting van het dorp. Ik zag de kerktoren, uitstekend boven de huizen. De kerk, niet die boerderij, is het eigenlijke middelpunt van het dorp'. Van daaruit klinkt het profetisch Woord over de dorpssamenleving, generatie na generatie. Dat Woord werpt zijn licht zelfs tot in het 'woest en ledig'. Ook dat krijgt zijn plaats onder de daden van God. Hij 'trekt het meetsnoer van het woeste' langs een samenleving, en het 'paslood van het ledige' (Jes. 34 : 11). Dan laat Hij iets van het 'woest en ledig' terugkeren, opdat de mensen op de aarde gaan letten op zijn Woord (Jes. 34 : 1).
Ik liep in de richting van het dorp, napeinzend over wat ik gezien had. Plotseling werd ik opgeschrikt door het geluid van een motorfiets achter mij. Hij naderde met grote snelheid, flitste langs mij heen, ging schuin door de bocht, en stopte op het pleintje voor het café dat tegenover de kerk lag. Toen ik dichterbij kwam stond de motorrijder in zijn pak naast de machine. Om hem heen een groepje jongelui uit het dorp. Druk gepraat en gelach. Ik was weer tussen de mensen.
Mensen!…
Ze rijden over ''s Heeren wegen', laat ik die uitdrukking eens met een hoofdletter schrijven. De aarde is er voor hen. Gods daden zijn gericht op mensen. 'Hij onderhoudt en regeert alle schepselen om de mens te dienen, ten einde dat de mens zijn God dient', om nog enkele woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis aan te halen (artikel 12).
'Ten einde dat de mens zijn God dient'… De roeping van de mens ligt in het loflied. Daarin heft hij zich op uit de angstige 'struggle for life', het gevecht om te overleven, en hij vervult hemel en aarde van de lof van zijn God. Dan mag de mythe zwijgen…
ds. J. van Eck
1) Theologie, vs. 116; omstreeks 700 v. Chr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's