De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gericht als prikkel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gericht als prikkel

12 minuten leestijd

Inleiding
Wanneer de apostel Paulus zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen schrijft, komen daar aan het begin ineens de woorden voor: want zijzelve verkondigen van ons, hoedanige ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen, en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, dewelke Hij uit de doden opgewekt heeft, namelijk Jezus, die ons verlost van de toekomende toorn. Waar het hier op aan komt is dit: het evangelie is voor deze heiden-christenen een radikale breuk met de afgoden geweest. Nu dienen zij in oprechtheid de levende God. Zij geven zich in volle toewijding niet aan een verbeelde afgod, maar aan de levende God, die waarachtig God is. Het houdt tevens in, dat in de prediking van Paulus een voornaam element zijn plaats vond, namelijk hun is het eindgericht over alle vlees verkondigd. Zij hebben daarvoor nu geen angst meer. Zij wachten op Jezus' wederkomst ten oordeel. De Rechter is hun Redder. Deze wetenschap is hun vertroosting.

Leerschool
Het komt ons voor, dat deze eenvoudige woorden van de apostel ons een levende leerschool kunnen zijn in de manier, waarop wij de schriftuurlijke prediking der bekering zullen brengen. Wij kunnen er dan niet omheen, dat die prediking een scherpe prikkel tot bekering ontleent aan het toekomend oordeel. Wij moeten deze prikkel niet achteloos laten liggen. Het is wel waar – wie van een toekomend oordeel durft spreken, waar de zondaar, die zich niet bekeerd heeft, veroordeeld zal worden tot de eeuwige dood, die krijgt de grote menigte tegen zich. Vele milieugeleerden niet alleen, maar ook talloze filantropen, maatschappijverbeteraars, humanistische politici – zij drommen samen, als een legermacht bijen, om de onnozele ziel die van het toekomend oordeel durft gewag maken te vermorzelen. Weg met dat nachtschip, er uit met dat spooksel – zo is de roep. De geest van onze tijd wil van geen straf weten, omdat zij in de zonden geen schuld, maar vrucht van natuurlijke ellende ziet. Men zal allicht de prediker als een vijand van het menselijk geslacht beschouwen, wanneer hij de euvele moed bezit, de ellende voor te stellen als een openbaring van Gods toorn, die alleen wegens Christus' offer plaats kan maken voor een betoon van barmhartigheid. De afschuw ten opzichte van zulk een prediker is algemeen. Er is altijd een bepaalde toon in te ontdekken. De woorden rollen als watervallen door de pers, al naar de tijd gekleurd: zwartkijker, fatsoenrakker, arme hals, op zijn zachtst gezegd wordt hij met hoge ogen gekenschetst als een onbeschaafd en achterlijk voortbrengsel van het achtergebleven gebied. Men kan werkelijk zich niet voorstellen, dat een welopgevoed en wetenschappelijk mens nog aan een rampzaligheid zou kunnen geloven.

Moed
Er is dus zeker zedelijke moed voor nodig om zijn gehoor als voor het goddelijk gericht te plaatsen. In onderscheid van de grote massa te doen en te leven vraagt immer een persoonlijke keuze. Gemakkelijk is het de trend van iedereen te volgen. Maar er is ook nog een ander punt. Er is ook wijsheid voor nodig om over het gericht zo te spreken, dat het sticht. Nergens meer dan op dit punt valt men ten prooi aan goedkope reclame-effecten. Zo licht valt men door schokkende schilderingen van de straf, voor de zondaren weggelegd, in de verleiding een puur natuurlijke vrees te verwekken. Op dit punt zijn er in de geschiedenis der prediking angstwekkende voorbeelden bewaard gebleven van voorgangers, die niet schroomden de ordinairste middelen te baat te nemen. Rollen met de ogen, galmen met de stem, pathetische gebaren – het komt alles op de lijst vóór van van dingen die men vermijden moet, het koste wat kost. Trouwens, deze middelen zijn niet enkel verwerpelijk, zij houden slechts voor een korte periode de uitbreiding der zonde tegen, maar verdwijnen straks ook, zonder iets duurzaams na te laten. Hoe moet het dan, vraagt een peinzend lezer? Zwijgen over het toekomende oordeel, alles blauw-blauw laten? In geen enkel opzicht! Wij mogen niet aarzelen om te spreken van de worm, die niet sterft en van het vuur, dat niet uitgeblust wordt. Jezus is er onszelf in voorgegaan. Maar dat is de kwestie nu juist! Hoe sober spreekt de Schrift over de hel. Men mist bij haar de zinnelijk gekleurde schilderingen, waardoor zo menige preek een onzuiver aroma ontvangt. Men zoekt daar tevergeefs de gewaagdheden, waarmee zo menig voorganger zijn rede heeft opgesierd. Tevergeefs speurt men daar naar dingen, die ons niet geopenbaard zijn geworden. De Schrift bewaart hier een voorname eenvoud.

Soberheid
Deze soberheid moet men navolgen. Men legge er liever de nadruk op, dat het juist het gemis van God is en de toorn van God, die het lijden der veroordeelden zo zwaar maken. Een stilzwijgen is hier soms in de prediking bijzonder welsprekend. Een enkel voorbeeld uit de Schrift spoort tot peinzen aan. Het is overigens toch wel eens opmerkenswaardig, dat een pauze in de prediking hier wonderen kan doen. In het kort gezegd: het gaat niet om zinlijke roersels en indrukken. De vrees, die men poogt op te wekken dient een zedelijke en heilige te zijn. Geen rimpeling op het vlottende watervlak.
Hierbij kan nog een opmerking dienstig zijn. Wie tot mensen spreekt, die onder het Woord zijn opgevoed, heeft nog iets meer over het oordeel te zeggen dan hij die tot joden of heidenen het woord voert. Hier wijst de schrijver van de brief aan de Hebreeën ons de weg. Deze toch leert, dat de mens, die als een vertreder van de Zoon Gods en een versmader van de Heilige Geest voor het gericht gesteld wordt, een veel grotere straf zal ontvangen dan de overtreder van Mozes' wet. De zonde van ongeloof ten opzichte van het evangelie is veel erger dan moedwillige overtreding van de wet van Mozes. Dit laatste werd zonder mededogen met de dood gestraft op het getuigenis van twee of drie personen. Veel zwaarder straf, namelijk de eeuwige dood, verdient hij, die in ongeloof Christus verwerpt. Wie dat doet, heeft niet Mozes, maar de Zoon van God met zijn voeten vertreden. Vertreding met de voet is uiting van de grootste verachting. Iemand die tot ongeloof vervalt, acht het bloed van Christus niets waardig. Door Zijn bloed heeft Christus al de weldaden van het Nieuwe Verbond, vergeving der zonden en eeuwig leven, verworven. Wie de waarheid van het evangelie erkent, begint door het bloed van Christus geheiligd te worden. Hij is op weg om rein te worden van de besmetting der zonde. Wie dat bloed van Christus onrein acht, heeft de Heilige Geest, die Gods genade uitdeelt, smadelijk behandeld door zijn ongeloof. Hij verdient de eeuwige dood.

Lukas
Eenzelfde gedachte vertolkt ook de evangelist Lukas. Ook daar vinden wij dat de overtreder van Mozes' wet zwaarder zal geoordeeld worden dan hij, die gezondigd heeft zonder te weten dat hij zondigde. Alle gelovigen, ja, zelfs alle mensen zijn slaven des Heeren, die voor hun ongehoorzaamheid gestraft zullen worden. Maar er is onderscheid. Hoe meer kennis, hoe meer voorrechten – des te groter verantwoordelijkheid en in geval van ongehoorzaamheid des te zwaarder straf God geeft ons niets, opdat wij 't voor onszelf gebruiken, maar opdat wij er Hem door dienen. Elke gave is tegelijk een opgave. Het zou wel eens kunnen zijn dat deze dingen in hun vreselijke werkelijkheid onder ons hun kleur beginnen te verliezen. Er kan een zekere tamme gemoedelijkheid in een kerkelijke gemeente beginnen te heersen, waarbij deze waarheden uit het Woord hun gewicht gaan verliezen. Er valt dan een zoetelijke innigheid over alles. Het reliëf van wel en wee gaat dan verdwijnen. Heel het kerkelijk bestaan gaat gelijken op een zoete suikerwinkel. De stichtelijkheid wordt het een en al. Daar is een heilzaam onweer nodig, opdat wij uit onze genoeglijke sluimering worden opgewekt. Het is toch immers waar – zij worden zeker zwaar gestraft, die zichzelf door een zedeloos leven ontheiligd hebben, ja, reeds zij, die zonder zich aan grote zonden schuldig te maken, toch geen belang in de godsdienst gesteld en in de dingen van deze wereld hun geluk gezocht hebben. Maar met name zal het oordeel zwaar zijn van hen, die de waarheid gekend, misschien wel beleden hebben en nu afvallig worden. Vooral in onze dagen is er reden om de afvallige het gericht te prediken, omdat de geest van ongeloof zich razendsnel verbreidt.

Eigenbelang
Intussen – dat de prediking van het gericht dient om ons door vreze tot bekering te prikkelen, behoeft geen betoog. Zij is geen kwelling vóór de tijd, zij is daarentegen het wakker maken van een slapende, voor wie een gevaar dreigt, dat hij op tijd zal moeten ontvluchten. Hieruit blijkt, dat de eis der mystieken om in de godsdienst met eigen belang geen rekening te houden ver van schriftuurlijk is. Sommige overvromen en dweepzuchtigen willen dat de mens uitsluitend en van het begin af aan Gods verheerlijking bedoelen zou. Hij mag in geen enkel opzicht aan het eigenbelang denken. Het moet hun om het even zijn of hij behouden wordt dan wel verdoemd. Als God maar aan Zijn eer komt. Ja, sommige dwepers leren, dat het enkel zelfzucht is, wanneer men God zoekt om zalig te worden. De oprechte toch wil alleen zalig worden in geval en opdat God er door wordt verheerlijkt. Aan de grootste heiligen wordt zulk een eis niet gesteld. Hoe dan aan één, die op zijn best nog een zuigeling in de genade is? De prediker geve deze dwaze stemmen volstrekt geen gehoor. Het is toch trouwens voor een getrouw voorganger een heilzame tucht aan veel geluid in de lucht geen aandacht te schenken. Hij behoede door vreze. Hij ga in het spoor van het Woord. Dan zal zijn stem' gezag ontvangen omdat deze overeenkomstig het Woord is.

Grens
Nu moeten wij evenwel niet vergeten, dat er een grens is. De prediking van het gericht bedoelt wel de vreze, maar geenszins wanhoop op te wekken. Het strijdt zelfs vierkant tegen haar bedoeling om de mensen wanhopig te maken. De wanhoop drijft de mensen naar de dood; verwekt verbittering tegen God en dient op die manier om de bestaande breuk tussen de mens en God voor eeuwig te bestendigen. Wanhoop is zonde. Ze is openbaring van volkomen gemis aan het geloof dat God genadig en goedertieren is en geen lust heeft aan onze dood. Hier ligt een gewetensvolle taak voor iedere prediker. Dat moet op ons hart liggen. De voorganger moet er zich voor hoeden zó het Woord te brengen, dat de vrucht van zijn prediking in wanhoop zich openbarend ongeloof zal zijn. Ook al zal het niet vaak voorkomen, de mogelijkheid is wel aanwezig, dat de grondtoon van de prediking volkomen uitzichtloos wordt, geen perspectief biedt en door wettische kaders wordt doodgekneld. Hier liggen vooral tegenwoordig veel vraagstukken op het eigen erf van de prediking. Maar in dit bestek willen wij daarop niet verder ingaan. Wij zeggen er alleen dit van, dat het voor iedere dienaar des Woords tot de zelfdiscipline moet behoren geregeld predikers van formaat te lezen uit vroeger of later tijd. Dat bevrijdt van strakgeworden patronen en corrigeert ons voortdurend. Wij moeten het ongeloof niet kweken, maar tot bekering drijven. Het is daarom noodzakelijk het evangelie niet te verzwijgen voor hen aan wie hij het gericht verkondigt. Door onze prediking strale het licht van de Zonne der gerechtigheid. Het zou anders wel eens kunnen gebeuren dat wij in plaats van de bekering van de mensen te bevorderen, deze zouden beletten. Het is onmogelijk immers, dat een mens, die in God niets anders ziet dan toorn zich vrijwillig tot Hem keert en aan Hem onderwerpt. Er moet zoveel geloof bij hem zijn, dat hij tenminste enige hoop op genade heeft. Anders zal de zondaar zijn hart verharden, ketter worden tegen God en tot wanhoop vervallen. Vrees en schrik zijn de voorbereidingen tot de bekering, maar zij zijn de bekering zelf niet. Zij werken zonder meer alleen maar een slappe bekering uit. Wij kunnen er bij zeggen, dat de prediking van het evangelie noodzaak is. Er is geen bekering zonder geloof en geen geloof zonder evangelie.

Bedenking
Er blijft tenslotte nog plaats over voor één bedenking. Men heeft wel eens gemeend, dat de prediking van het evangelie schadelijk werken zou, aan wie men het gericht verkondigde. Zij zou de vreze verzwakken, die men door de prediking van het oordeel probeerde op te wekken. Deze mening heeft geen enkele grond. Men kan over het oordeel van God alleen maar onvolledig spreken, wanneer men van het evangelie zwijgt. Wij zullen eenmaal uit onze werken geoordeeld worden. Maar daar blijft het niet bij. Voor alles zal gevraagd worden, wat voor winst wij gedaan hebben met het licht, waarmee wij bevoorrecht waren. Wat zal het verschrikkelijk zijn, wanneer blijken zal, dat wij geweigerd hebben om ons in Christus met God te laten verzoenen en verenigen. Het vonnis, dat ons zal treffen, zal op die manier onberekenbaar zwaarder zijn dan dat van de zondaar, die de dageraad des heils nooit over zijn hoofd zag opgaan. Dat aspect blijve ons steeds bij. Doordenking van al de facetten is geboden, wil men althans ordelijke prediking. Men kan aan de ene zijde falen, maar evengoed aan de andere kant. De verwerpelijkheid van de mens wordt pas in zijn ongeloof aan het evangelie openbaar. De Geest zal de wereld overtuigen van zonde, omdat zij in Hem niet geloven. Maar hoe zal de Geest uit het ongeloof als uit een spiegel de mensen laten zien hoe verwerpelijk zij zijn en hoe zij het gericht hebben te vrezen, wanneer hun niet eerst het evangelie wordt verkondigd? Prediking over het gericht kan daarom alleen al niet zonder de prediking over de genade. Men werke, om zo te zeggen, de Geest in de hand, anders is men diens medearbeider niet. Het evangelie immers wordt door de Geest gedragen. En wat zal er gebeuren als het evangelie wordt verzwegen? Dan galmt de prediking wel voort, maar het is een doodsklok geworden. Dat betekent op den duur de dood der gemeente van Christus.

A. v. Brummelen, Huizen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het gericht als prikkel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's