C. H. Spurgeon en de prediking (6)
De souvereiniteit van God
De leer van Gods souvereiniteit mocht voor Spurgeon nooit verworden tot een karikatuur-beeld van de willekeur van een almachtig tiran. Als een mens verloren gaat, dan is dit nooit Gods schuld. Maar wanneer een mens behouden wordt, is dat wel aan God te danken: 'Ik weet, dat sommigen deze waarheid verkeerd voorstellen alsof God een almachtige tiran zou zijn, maar de Schrift geeft geen grond voor zo'n caricatuur, en ik laat weer mijn ernstig protest horen, zoals ik dit al meer gedaan heb, tegen zo'n belediging van mijn God. Wanneer iemand verloren gaat, schuif dan zijn schuld niet op God. Als iemand omkomt, dan is zijn ondergang door hemzelf veroorzaakt, en dan mag dit niet ten laste worden gelegd aan een immer genadig God. En toch, onthoud tegelijkertijd, dat als iemand behouden wordt, de eer van zijn zaligheid aan God moet worden toegeschreven'.
Een en ander duidt niet op enige tegenspraak, want deze zaken behoren nu eenmaal tot de grondstellingen van de theologie: 'Vaak wordt mij gezegd: Hoe brengt u deze twee beweringen in overeenstemming met elkaar? Het behoort tot de grondstellingen (axioms) van de theologie, dat als een mens verloren gaat dit God niet moet worden verweten; en het is evenzo een grondstelling van de theologie, dat als een mens behouden wordt, God daarvoor alle eer moet krijgen'.
De leer van de verkiezing bracht voor Spurgeon niet tegelijkertijd mee de leer van de verwerping. Althans de leer van de verwerping als praedestinatie (voorbestemming) wees Spurgeon af. Dat God van eeuwigheid mensen voorbestemd zou hebben om verloren te gaan, wees hij van de hand als onbijbels: 'Men heeft altijd beweerd, dat Calvinisten de verwerping preken, een leer. die wij niet aanhangen; dit vloeit helemaal niet voort uit de verkiezing, maar het is een leer, die wij evenzeer verafschuwen als de Arminianen dat zelf doen'.
Voor Spurgeon was de verwerping als eeuwige voorbestemming niet te verenigen met het Bijbelse beeld van de souvereine God. Ongetwijfeld heeft Spurgeon het Godsbeeld willen behoeden voor 'tirannisering' waarbij hij mogelijk niet geheel ontkomen is aan een zekere tendens tot 'humanisering' (vermenselijking) van het Godsbeeld; de Dordtse Leerregels I, 10, 15 hebben het geopenbaarde mysterie in dit opzicht meer Bijbels beleden.
In geen geval wilde Spurgeon, dat de leer van de souvereiniteit van God een soort verontschuldiging werd voor een zwakke en vergeefse poging om een zondaar tot Christus te brengen. Als zo iemand verloren ging, dan moest worden aangenomen, dat hij moedwillig Christus verworpen had, terwijl er alles aan gedaan was om hem tot Christus te brengen. Maar ook in zo'n geval zou God toch aan Zijn eer komen: 'Ik verbaas me vaak over de kilheid, waarmee sommige mensen praten over de souvereiniteit van God… Ik denk niet, dat we billijk de souvereiniteit van God kunnen bepleiten als een tegenhanger van onze vergeefse pogingen, totdat we kunnen zeggen: ik heb al het mogelijke gedaan om die mens tot God te brengen, ik heb voor hem gebeden en ik heb over hem geweend, en als hij nu verloren gaat dan moet ik geloven, dat deze mens moedwillig Christus verwerpt, en dat zijn ongerechtigheden op zijn hoofd zijn, en dat in hem, als een vat des toorns. God verheerlijkt zal worden, zowel als in vaten der barmhartigheid'.
Op geen enkele wijze mocht bij Spurgeon de leer van de souvereiniteit van God afbreuk doen aan de verantwoordelijkheid van de mens.
De voldoening
De voldoening voor onze schuld berust op de plaatsvervanging door Christus. En deze moet worden aangemerkt als het merg van de hele Bijbel, de ziel van de zaligheid en het wezen van het Evangelie: 'Wat mij betreft, ik ken geen ander Evangelie… Plaatsvervanging is zelfs het merg van de hele Bijbel'.
In de voldoening stierf de Rechtvaardige voor de onrechtvaardige. Prediking, waarin de plaatsvervanging niet als leidraad fungeerde, diende te worden afgewezen: 'Ik meen, dat als Christus niet werkelijk en letterlijk als mijn Plaatsvervanger gestorven is, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardige, dat ik dan niet behouden ben, en dat ik dan nooit meer rust in mijn hart zal hebben. Ik wijs alle prediking, welke dan ook, af, als de plaatsvervanging niet het leidende thema is, want er is niets wat waard is gepredikt te worden als dat weg is. Ik beschouw die leer als de grondwaarheid van het Evangelie'.
Deze leer vervult de ongelovige met afschuw en verblijdt de gelovige. Naarmate Spurgeon in het laatst van zijn leven steeds meer verwikkeld raakte in een theologischhe strijd met moderne theologie en Schriftkritiek, stond hij des te meer pal bij de leer van de verzoening door voldoening: 'Over mijn preekstoel en mijn Tabernacle zal het bloedmerk (te zien) zijn; het zal de vijand met afschuw vervullen, maar het zal de getrouwen verblijden'.
C. A. van der Sluijs, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's