De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kennis der zonde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kennis der zonde

12 minuten leestijd

De bekering bestaat in breken met de zonde en in de terugkeer tot God. Deze twee elementen sluiten elkaar volstrekt in. Om daarover het rechte licht te ontvangen is nodig te weten, dat de zonde schennis is van de majesteit van God. Wij ontmoeten doorgaans in de gemeenten weinig zondekennis, of liever het besef van zonde. Het is er wel, maar door geestelijk onvermogen om daar op bijbelse wijze over na te denken, blijft het veelal in wazige ideeën hangen. Zoals trouwens toch veelal geestelijke dingen gelijken op mistsluiers, die op herfstige dagen over de polders zweven. De onkunde is zo groot, dat men soms over de diepste dingen is algemeenheden blijft ronddwalen.

Middel
Wij menen, dat zondekennis meer dan ooit nodig is. Wat is de weg om deze te verkrijgen? Het staat vast, dat de zonde alleen gekend wordt als God wordt gekend. Zeer juist merkt een Engels godgeleerde op: wanneer u vraagt, hoe de Heere de ware beschouwing der zonde werkt, antwoord ik: door zichzelf aan de zondaar te openbaren. De ware grootte der zonde ziet men door de grootte van Hem te beschouwen, die door de zonde getroffen wordt, te weten de grootheid van God. De zonde wordt niet gezien omdat God niet gezien wordt; die kwaad doet heeft God niet gezien. Wie kwaad doet, wie in de zonde leeft, heeft God niet gezien; hij mist alle ware gemeenschap met God. Het is daarom ook merkwaardig, dat Petrus na de visvangst op bevel van Jezus in het vijfde hoofdstuk van Lukas neervalt aan de knieën van Jezus, zeggende: ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Tegenover de goddelijke almacht van Jezus zag Simon zeer scherp zijn eigen zondigheid. Hoe kleingelovig was hij zo pas nog geweest. Zijn woord gaf niet uiting aan zijn wens, dat de Heere van hem zou weggaan, maar drukte alleen uit, dat hij de onmetelijke afstand gevoelde, die hem van de Heere scheidde. Maar Jezus antwoordde, dat Simon Petrus en zijn makkers niet behoefden te vrezen. In dat wonder openbaart Hij immers niet slechts zijn almacht, maar ook zijn oneindige genade. Simon zou nu juist zeer nauw aan de Meester verbonden worden: Hij zou op Jezus' bevel mensen vangen. Wij vinden in deze geschiedenis een stille wenk om het licht van Gods heerlijkheid in onze prediking te laten schijnen. Dat is de weg, waardoor, naar Gods genade, zondekennis wordt gekweekt, méér dan door met bulderende steun Gods oordelen aan te kondigen voor een verglaasd toeluisterend gehoor.

Wezen
In deze weg is stof te over. Wanneer God God is, hoe zeer verlaagt men Hem dan niet door tegen hem te zondigen. Wie zondigt, zet toch Gods wil als verwerpelijk terzijde. En wat stelt hij er voor in de plaats? Paulus antwoordt in de brief aan de Efeziërs: de wil des vleses en der gedachten. Alle mensen, ook de gelovigen, leefden van nature, dat wil zeggen zonder de herscheppende genade van de Heilige Geest, naar hun zondige aard, waarin de zinnelijkheid een belangrijke rol speelde. Aan lust en opwelling was de vrije hand gelaten, wij leven dus ons zelf uit. Wij dartelen eigenlijk het leven door. Dat is het bijbelse zondebegrip. Hier houdt al onmiddellijk alle beschouwelijkheid op. Zonde is concreet, tastbaar. Wij maken onze verderfelijke ingewanden en onze verdwaasde hersenen tot onze goden. Zelfs al lieten wij ons door de hoogste schepselen regeren, hun de eer en de dienst toebrengende, die wij aan God schuldig zijn, zouden wij ons aan verachting van God schuldig maken. Wat dan niet, nu wij ons onze wil in de plaats van God wil zetten? Inderdaad – de grondtoon van ons doen en laten had zich op deze manier weergeven: laat niet uw wil, o God, maar de onze gebeuren. Daarmee is de zonde geschetst als omkering van de eeuwige, heilige orde der dingen.

Masker
Zo vreselijk is de zonde, dat de zondaar zelf niet kan geloven er schuldig aan te staan. Zij vermomt zich trouwens in veel opzichten. Eerst in de hel werpt ze haar masker af. Zonde is huichelarij. Zij is tevens leven in wanen. Evenals Hitler deed, die, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, in de bunker in Berlijn nog dweepte met het Germaanse rijk. Zijn wereld was al volledig in elkaar gevallen. Maar toch hield hij nog vast aan de waanideeën. Zonde schuwt de waarheid. Zij durft zich hier in haar ware gedaante niet te vertonen. Immers, neemt de mens de schijn aan als vereerde hij God. Had hij God niet nodig, hij zou dit niet eens doen, maar zich verre van Hem houden. Hij weet evenwel, dat Hij hem niet missen kan om zich niet enigszins met Hem te bemoeien. Maar zijn Godsdienst is niets dan berekening. Wij denken aan die boer uit een plattelandsgemeente, die nooit ter kerke kwam, dan alleen op de bidstond voor het gewas. Gevraagd naar deze handelwijze antwoordde hij met een slimme twinkeling in zijn ogen: ik geef om te mogen ontvangen. Godsdienst is door een noodzakelijk kwaad. Daarom wensten wij wel, dat er geen God was. Dan hoefden wij ons niet zo in te spannen, ja, geweld aan te doen, om te doen wat Gods toorn voorkomt en in Zijn gunst brengt. In ons hart wensten wij wel, dat de ondeugende geesten gelijk hadden, die zich niets maken, dat er geen God is. Kan het erger?

Wantrouwe
Daal tot de wortel der zonde af, dan vindt u dat deze schuilt in het wantrouwen van God. Het is ons eigen om het schepsel te vertrouwen. Van God denken wij in ons hart niets dan kwaad. Adams natuur om zijn handen uit te strekken naar de verboden vrucht, is al zijn nazaten aangeboren. Het is zijn wantrouwen omtrent Gods goede bedoelingen met de mens en van het ongeloof aan het door God gesproken Woord. In het oordeel van ons mensen offert God de mens aan zijn belang op, ja, in de grond der zaak is God de vijand van de mens, zo denken wij althans. Het Woord van God tot ons is ons zo licht als een veer. Wij spreken het tegen in ons hart. Wat is dan de eigenschap der zonde? God tot een leugenaar maken. En wat is verachtelijker dan een leugenaar? Met deze woorden dalen wij in de afgrond van het kwaad af. Komt deze kennis der zonde in ons door het onderwijs van Gods Geest, zo gaat dat dieper, vele malen dieper dan een aangeleerde zondekennis. Hier breekt het hart in tweeën, vanwege de onwil van God te dienen. Wij bewaren in ons hart de glanzende herinneringen van enkele personen die ons van deze dingen spraken. Zij benaderden in de belijdenis van hun ervaringen hieromtrent de grootheid van een Augustinus, ook al gebeurde dat in een eenvoudig 'dakkamertje': of staande op de stoeprand in een onverwachte ontmoeting.

Waan
Wij lezen in die weg, dat onze menselijke aard de zonde meebrengt. Goed, wij geven misschien toe, dat onze gezindheden tegenover God niet zijn wat zij behoorden te wezen. Licht zelfs stemmen wij toe dat wij vele dingen gedaan hebben, waarover wij reden hebben om ons te schamen. Maar daar heerst toch in ons de waan, dat wij beter zijn dan dat wij doen. Dat zien wij soms aan grote misdadigers. Als men hen voorhoudt, wat zij allemaal aan gruwelen hebben gedaan, zo roepen zij vol verbazing uit: ben ik die man? O, hoe kan ik dat doen! Men kent zichzelf niet eens. Ook aan onszelf kunnen wij dat zien. Waaruit ontspruiten onze vele goede voornemens? Waaruit komt onze poging voort om Gods toorn te bedwingen? Uit de waan dat het beter met ons is dan dat wij doen. Bij ons mensen is alle gevoel van genegenheid weg. Wij zijn vleselijk geworden en naar de aard van het vlees, vijandig gezind tegen de wet, die onze hoogste liefde opeist voor God.

Vijandschap
Laten wij ons een moment de toestand van zulk een mens voorstellen. Er wordt ons gezegd, dat wij schuldig zijn God lief te hebben boven alles, boven vader en moeder; ja, zelf het eigen leven te laten, wanneer God het tot een offer vraagt. Het komt op ons toe als Gods eis, om op God onbepaald te vertrouwen, alles goeds van Hem te verwachten en zich in lijdzaamheid aan Hem te onderwerpen. Kortom, het ligt vóór ons, om alle schepselen liever te laten varen, dan het allerminste tegen Gods wil te doen. Wat zien wij dan? Dat er in de plooien van ons hart tegenzin tegen God is. Dat er vijandschap tegen God verborgen is. Die blijft weliswaar bedekt zolang God de mens niet voor zich opeist, maar die rijst wèl op in het moment zelf, waarop hij begint te gevoelen, dat God zijn recht op hem gelden laat. Ook hier geldt het, dat de wet, wel verre van de zonde te doden, haars ondanks ze opwekt en ze dwingt haar masker af te werpen, opdat het blijke dat zij vijandschap tegen God is. Wat bedoelen wij met deze gedachten? Niet, dat de wet zonde is. Maar wel kan het de schijn hebben, alsof de wet de zonde voortbracht. Immers, de zonde inwonende in de gevallen menselijke natuur neemt aanleiding uit het gebod om zich te openbaren. Juist dat er een gebod is, prikkelt de bedorven natuur tot zondigen. Een heidens dichter uit de Romeinen had dat al opgemerkt: wij streven naar het verbodene en zoeken naar hetgeen ons ontzegd is. Juist het verboden zijn van iets maakt zulk een zaak of daad begeerlijk. Men ziet dat al in de schijnbaar nog zo onschuldige kinderwereld. Daarom zegt de apostel: zonder wet is de zonde dood. Wel is de zonde er, maar zij openbaart, zij betoont zich niet, voordat zij wakker gemaakt wordt door het gebod. Zo is dan bijvoorbeeld de begeerlijkheid juist tevoorschijn gekomen door de wet, die bestemd was haar tegen te gaan. Anders kan de wet niet doen, dan zichtbaar maken in afschuwelijkheid te tentoonstellen. De zonde overwinnen en uitbannen, dat wordt alleen door iets anders tot stand gebracht.

Ontkenning
Wij ontkennen het bestaan van God. Daarom glijdt het leven van zeer velen zo gemakkelijk aan God voorbij. Maar vraag nu eens aan de atheïst of hij God ook haten zou, indien hij geloven moest, dat deze werkelijk bestond? Hij zou met verbeten woede uitroepen: ik zou Hem zeker haten. Er zit in ons iets van de satan en komt God niet krachtig tussenbeide om ons het in het tegendeel om te zetten, dan worden wij de duivelen ten volle gelijk. De jongste wereldoorlog heeft om gestalten doen zien, waar de satanische aanleg ten volle is doorgebroken. Hoe vreselijk is dus de zonde. Wij wensen ons vol afschuw af van een mens, die de banden van de natuurlijke liefde verbroken heeft en onverschillig is geworden voor de vader, die hem heeft tevoorschijn geroepen en de moeder die hem ter wereld heeft gebracht. Zal men dan niet zeggen, dat de zonde ontzettende verwoestingen in ons mensen heeft aangericht. Maar hoeveel te meer zal men zo spreken, wanneer men bedenkt, hoe de mens gezind is tegenover God. Het is toch vreselijk, wanneer wij ons van moeder en vader afkerig houden? Geldt dat dan niet veel dieper van God? En toch staat het er met ons mensen zo voor. Liever zijn wij geen slaaf van de wil des vlezes en onzer gedachten dan een dienaar van God. Wij misbruiken de wereld die God geschapen heeft ook door er onze zaligheid in te zoeken. Reeds de gedachte evenwel van ons met God zelf te moeten tevreden stellen, maakt ons ongelukkig. Zo diep gezonken zijn wij mensen. Het is ons nodig de wortels van de zonde te zien. Dat alleen doet om verlossing meer dan ooit bidden. Bij kennis van zonden hebben wij maar niet met enkele zonden te maken, maar met heel onze zondigheid. Zolang wij ons in ons geweten nog alleen onszelf met onszelf vergelijken of zolang wij onszelf met onze medemensen vergelijken, kunnen wij bij de enkele zonden blijven staan. Daar en daar zijn wij fout. Ginds is het misschien nog wel erger, maar als God zich aan ons openbaart en wij ons met Hem vergelijken, in Zijn licht komen, dan zien wij de algehele duisternis van ons hart en dan alleen komen wij tot een veroordeling van ons zondig bestaan. Alleen tot en vóór God gekomen, komen wij tot onszelf en zien wij onze ware aard.

Uitweg
Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezen doods? Tot deze klacht komt Paulus. Te willen en niet te kunnen; de rechtmatigheid van Gods eisten te erkennen en machteloos te zijn om er aan te voldoen; de verdoemelijkheid der zonde toe te stemmen en toch dooreen loodzware macht, die telkens het pogen ijdel en vruchteloos maakt er zich niet aan te kunnen ontworstelen, kan er droever toestand worden gedacht? Wie de zonde niet kent nog in haar afschuwelijkheid en in het verderf, dat zij aanbrengt, is nog betrekkelijk gelukkig te noemen in vergelijking met wie die ellende kent en die onmacht gevoelt. Mar de apostel blijft daarbij niet stilstaan. Daarom laat hij onmiddellijk volgen: 'Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. Hij kent de sterke held, die aan de vijand de buit ontrukt. Hiet licht bracht door de duisternis heen. Zondekennis alleen is wanhoop. Echte zondekennis grijpt de Middelaar aan.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Kennis der zonde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's