Een theologisch commentaar op het evangelie naar Johannes (2)
Kritiek
In de eerste bijdrage zagen we hoe vanaf de vroege kerk het bijzondere karakter van het vierde evangelie is opgemerkt, zozeer dat men van Johannes als de theoloog onder de evangelisten ging spreken. Hier dienen nog twee dingen aan te worden toegevoegd. Vooreerst heeft men eeuwenlang vastgehouden aan de oudkerkelijke traditie die men in de apostel Johannes, de zoon van Zebedeus de schrijver van dit vierde evangelie zag. In Johannes 21 : 24 wordt de auteur van dit evangelie gelijk gesteld met de 'discipel die Jezus liefhad', de geliefde discipel (Joh. 21 : 20; zie ook 13 : 23 en 19 : 26). Vanouds heeft men deze figuur geïdentificeerd met één van de zonen van Zebedeus. Aan Jacobus kan daarbij niet gedacht worden, aangezien hij in 44 na Chr. ter dood is gebracht (Hand. 12 : 2), zodat dan niemand anders overblijft dan de andere zoon van Zebedeus, Johannes.
In de tweede plaats werd bij deze opvatting ook de historiciteit van wat in dit evangelie over Jezus' woorden en daden gezegd werd niet in twijfel getrokken. Aan de historische betrouwbaarheid van dit 'theologische' evangelie hield men onverkort vast.
Dat veranderde met de opkomst van het historisch-kritisch bijbelonderzoek, vooral sinds de 19e eeuw. Op grond van allerlei oneffenheden in de tekst, op grond van verschillen tussen de eerste drie evangeliën en het Johannesevangelie ging men hoe langer hoe meer onderscheid maken tussen wat we zouden kunnen noemen een 'grondbestand', waaraan weer verschillende mondelinge en schriftelijke bronnen ten grondslag lagen, en de uiteindelijke vormgeving door een kerkelijk redactor. Zo zijn een aantal geleerden van oordeel dat de woorden uit Johannes 6 : 51b-58 niet op de evangelist zelf teruggaan, maar een latere toevoeging zijn van de hand van iemand, die de woorden van Jezus over het brood des levens op het sacrament van het Avondmaal betrok. En waar men van mening is dat de evangelist Johannes alle nadruk legt op oordeel en het heil in het heden en niet zou weten van een wederkomst en een toekomstige opstanding der doden, moet men de woorden in Johannes 5 en 6 die duidelijk spreken van een toekomstig gericht eveneens aan zo'n latere bewerker toeschrijven.
Een dergelijke visie wordt beheerst door het standpunt dat men inneemt inzake hannes (2) wat de evangelist al dan niet gezegd kan hebben. Geen wonder dat anderen deze veronderstellingen weer aangevochten hebben en tot geheel andere oplossingen kwamen inzake de uiteindelijke vormgeving van het vierde evangelie.
U zult zeggen: en de geliefde discipel dan uit Johannes 21 : 24? Ook hier is de traditionele visie onder zware druk komen te staan. Een aantal geleerden houdt het er voor dat met deze geliefde discipel niet gedacht moet worden aan één van de discipelen van Jezus, maar aan een onbekend christen uit de eerste eeuw die in het evangelie een zinnebeeldige betekenis krijgt als vertegenwoordiger van de johanneïsche gemeente, als kroongetuige en ideale leerling. Anderen gaan nog verder en menen, dat men helemaal niet moet denken aan een historische figuur, maar een gefingeerd persoon die als vertegenwoordiger van de heidenchristenen naast en tegenover Petrus zou optreden. Ook is wel de suggestie geopperd, dat de schrijver zou doelen op de figuur van de apostel Paulus.
Onder sterke druk
Het zal u duidelijk zijn, dat bij een dergelijke visie de historische betrouwbaarheid van het vierde evangelie grotendeels losgelaten wordt. We moeten toegeven, dat moeilijk met zekerheid is uit te maken, wie concreet met de geliefde discipel is bedoeld. Maar dat is nog wat anders dan hem tot een soort symboolfiguur te maken, waarachter zich allerlei tegenstellingen in de vroege christelijke kerk zouden verbergen. Men moet toch wel een vreemd beeld hebben van de wording van de eerste gemeente en de zorgvuldigheid waarmee men te werk ging ten aanzien van de overlevering, als men van mening is, dat in het verhaal van de voetwassing en de laatste maaltijd met de geliefde discipel Paulus bedoeld zou zijn. Dat strijdt met alles wat we in het Nieuwe Testament over Paulus weten.
Maar de kritische geleerden zijn dan ook van oordeel, dat we de historische betrouwbaarheid moeten loslaten, althans als men daaronder verstaat dat de evangelist een betrouwbaar beeld zou schetsen van het optreden van de aardse Jezus en de reakties van Zijn tijdgenoten.
Velen zijn van oordeel, dat de eigen 'kijk' van de evangelist op Jezus – of zoals we plegen te zeggen: zijn Christologie – in sterke mate zijn voorstelling van de geschiedenis in onhistorische zin heeft beïnvloed. En die eigen 'kijk' heeft dan volgens hen weer alles te maken met de geestelijke achtergrond van waaruit hij geschreven zou hebben. Men ziet de auteur als vertegenwoordiger van een zogenoemde johanneïsche gemeente.
Welke die geestelijke achtergrond is, daarover gaan de meningen uiteen. Lange tijd heeft men het evangelie van Johannes gelezen tegen de achtergrond van de godsdienstige wereld van de Grieks-Romeinse cultuur. Men meende allerlei overeenstemming te kunnen aantonen met een auteur als de in Alexandrië schrijvende Jood Philo of met mystieke geschriften uit de Griekse wereld, terwijl de bekende nieuwtestamenticus Bultmann het Johannesevangelie verklaarde vanuit de in de eeuwen rondom onze jaartelling wijdvertakte beweging van de gnostiek. In deze beweging, mogelijk zelfs een soort 'wereldgodsdienst' (G. Quispel), komt het aan op 'gnosis' d.w.z. 'kennisse', kennis van jezelf, van het goddelijk element in de mens waarin het werkelijke 'zelf' gelegen is. Het streven van de gnosticus is er op gericht het 'zelf' van de mensen uit de verwarring van de stoffelijke wereld te bevrijden, terug te brengen naar de hemelse wereld van het licht en zo tot zelfverwerkelijking en verlossing te komen. Tegen deze achtergrond – een beweging die sterk dualistisch denkt over het goddelijke en het aardse – zou dan het evangelie van Johannes met zijn tegenstellingen tussen licht en duisternis, waarheid en leugen, leven en dood, gelezen moeten worden. De gnostische mythe van een uit de hemel neergedaalde 'verlosser' die de goddelijke lichtvonken verlost uit de stoffelijke wereld – is, zegt Bultmann, al vroeg door het christendom overgenomen en bepaalt de visie op Christus in het vierde evangelie.
Bultmann's theorie heeft jarenlang de discussie beheerst. Tegenwoordig komen de meeste onderzoekers er weer van terug, mede op grond van allerlei nieuw ontdekte gnostische geschriften. Meer en meer krijgt men er oog voor, dat er een afgronddiep verschil bestaat tussen de verlossingsvoorstellingen in de gnostiek en de prediking van het Johannesevangelie inzake de verlossing van de mens uit zijn vervreemding van God door zijn zonde en schuld.
Vandaar dat men de laatste jaren het uitgangspunt meer zoekt in de geloofsbeleving van de joods-christelijke gemeente. Maar dat betekent nog geen erkenning van de historische betrouwbaarheid. Integendeel, velen gaan uit van de stelling dat het niet zozeer de historie van de aardse Jezus en Zijn ontmoeting met Zijn tijdgenoten is die Johannes beschrijft, als wel de historische omstandigheden van de johanneïsche gemeente aan het eind van de eerste en aan het begin van de tweede eeuw na Chr. De schrijver van het vierde evangelie zou a.h.w. de tijd van Jezus en die van de gemeente van Zijn dagen in elkaar hebben geschoven. Ik kan het ook anders formuleren: mstandigheden uit de gemeente aan het eind van de eerste eeuw, met name de felle botsing tussen gemeente en synagoge, zouden teruggeprojecteerd zijn naar de tijd van Jezus. Zo zouden bijvoorbeeld de felle discussies van Jezus met de Joden (vgl. m.n. Johannes 8) niet de historische werkelijkheid ten tijde van de aardse Jezus weergeven als veeleer de conflictsituatie aan het eind van de eerste eeuw weerspiegelen, de verdedigers van deze opvatting beroepen zich o.a. op Johannes 9 : 22 waar sprake is van de uitdrukking 'buiten de synagoge' of 'van de synagoge uitgesloten worden'. Dat moeten we, zegt men, niet als een historische mededeling lezen, want de uitsluiting uit de synagoge was in Jezus' dagen nog niet aan de orde – de eerste christenen leefden in contact met de synagoge en de tempel. Pas zo'n 60 of 70 jaar na het gebeuren in Johannes 9 kwam het voor, dat messiasbelijdende Joden door een officiële uitspraak uit de synagoge gebannen werden. De schrijver van het Johannesevangelie zou een in zijn tijd voorkomende maatregel dan teruggeprojecteerd hebben in de tijd van de aardse Jezus.
Ook zijn er geleerden die menen dat wat over Nicodemus in Johannes 3, 7 en 19 gezegd wordt niet zozeer als een historisch relaas moet gelezen worden maar dat dat veeleer symboolwaarde heeft: In Nicodemus zou de schrijver een tekening geven van die christenen die in de tijd van de schrijver als 'krypto-gelovigen' hun weg gingen en niet openlijk voor de Messias Jezus durfden uit te komen. Ook ten aanzien van het beeld wat het vierde evangelie schetst van Jezus de Christus laat men de historische betrouwbaarheid los. De 'hoge' Christologie van het vierde evangelie moet dan niet gezien worden als een betrouwbare beschrijving van de zelfopenbaring van Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde, maar veeleer als het Christusbeeld van de latere gemeente, die hun geloofservaringen met de Opgestane in dit evangelie overgebracht zagen op de aardse Jezus. Het vierde evangelie is dan niet meer het getuigenis aangaande de zelfopenbaring van Jezus als veeleer de neerslag van het geloof van de latere gemeente, waarbij het beeld van Jezus' heerlijkheid de aardse en historische werkelijkheid geheel te boven gaat.
Consequenties
Ik heb gepoogd in het bovenstaande heel kort en sterk vereenvoudigd enkele tendenzen uit het huidige wetenschappelijke onderzoek te schetsen. Stellig zijn de vragen waar het vierde evangelie de onderzoeker voor stelt niet gering. Het wetenschappelijk bijbelonderzoek heeft een aantal dingen aan het licht gebracht, die in vroeger eeuwen zo niet gezien werden. Dat bijvoorbeeld aan dit evangelie allerlei bronnen en tradities ten grondslag liggen zal door niemand betwist kunnen worden. En evenmin, dat de schrijver van de evangelie op een zeer bepaalde manier, vergeleken met de evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas, met de overlevering aangaande Jezus' woorden en werken is omgegaan. Hij zingt in het koor van de eerste getuigen zijn eigen partij. Maar tegelijk moet gezegd worden dat allerlei vaak wilde en onbewezen hypothesen en veronderstellingen het zicht op wat er werkelijk staat eerder hebben weggenomen dan verhelderd. Daarmee zijn de prediking en de catechese allerminst gediend.
In allerlei theorieën komt de historische betrouwbaarheid van wat ons in dit deel van het Woord Gods geschonken is onder sterke druk te staan. Je krijgt – om woorden van Ridderbos te gebruiken – de indruk dat niet het Verhaal aangaande Jezus het geloof heeft voortgebracht, maar dat het geloof het bericht heeft geschapen. Dat heeft enorme consequenties. Ik wijs u bijvoorbeeld op de discussies met de Joden in Joh. 8. Vandaag de dag kun je nogal eens horen, dat het vierde evangelie anti-joods of anti-judaïstisch zou zijn. En soms gaat men nog een stap verder en zegt men, dat een hoofdstuk als Johannes 8 het zaad voor een antisemitische benadering van de Joden bevat.
Als nu gezegd zou moeten worden dat Johannes hier de situatie van zijn eigen tijd heeft teruggeprojecteerd in de prediking van Jezus, zou men tot de conclusie kunnen komen, dat volgelingen van Jezus aan Johannes 8 geen boodschap meer hebben, omdat hier niet zozeer Jezus als veeleer de anti-joodse Johannes aan het woord is. Daarmee komt het gezag van de Schrift inzake het spreken over Israël op losse schroeven te staan. Het gehele Nieuwe Testament mag dan niet meer meedoen in het gesprek met de Joden. Ik hoop in een van de volgende artikelen op de uitleg van Johannes 8 nog terug te komen. Het zal u inmiddels wel duidelijk zijn, dat de kijk die men heeft op de Schrift, in dit geval het vierde evangelie, direct gevolgen heeft voor de praktijk.
In de volgende bijdrage gaan we nu luisteren naar de visie van Herman Ridderbos op het evangelie van Johannes. Hoe leest hij dit vierde evangelie?
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's