Een visie op Kerk-zijn
In de voorjaarssynode werd een nota over 'Godsverduistering' besproken. Dat leverde een zeer fundamenteel en ingehouden synodegesprek op. Waarbij vele synodeleden zich diepgaand rekenschap gaven van het gewicht van het betreffende thema.
Nu lag ter tafel een advies van de Centrale Beleidsstaf aan de generale synode met betrekking tot het te voeren beleid in de jaren 1989 en 1990, onder de titel 'Een visie op kerk-zijn'. Dit beleidsstuk wilde in feite op de nota over 'Godsverduistering' voortborduren. Men had een aantal 'knelpunten' opgesteld. De verwoording daarvan luidt als volgt:
Er zijn verschillende soorten knelpunten. Knelpunten vanwege het feit dat de kerkorde in bepaald opzicht niet meer aansluit bij en past op de situatie en de positie van de kerk in deze tijd, in onze samenleving. Knelpunten van theologische aard. Als voorbeeld kan gelden de Godsvraag. Hebben theologen als Berkhof en Newbigin niet gelijk als zij stellen dat deze vraag de meest centrale vraag voor de kerk is? Is de opmerking van Berkhof terecht als hij zegt dat hij aan de uitgaven en uitspraken van de generale synode niet merkt dat deze vraag ook haar centrale vraag is? Verder zijn er ook knelpunten van organisatorische aard. Zonder volledig te zijn, volgt hier een opsomming van bepaalde knelpunten:
a. het vormingsproces gemeente-opbouw is vrij snel geconsolideerd in de kerkorde en heeft in de breedte van de kerk niet doorgewerkt. De conceptie van kerk en gemeente zijn in de samenleving onvoldoende gemeengoed:
b. de gedachte uit de kerkorde van kerstening van de samenleving in reformatorische geest is achterhaald, doet ook geen recht aan de relatie met de Rooms-Katholieke Kerk;
c. de volkskerkgedachte vraagt om hernieuwde bezinning in een tijd van voortgaande secularisatie. De praktijk leert dat geboorteleden steeds minder 'meetellen';
d. de cultuurverandering heeft in de zestiger jaren geleid tot een verandering van het levensgevoel, die veel fundamenteler is dan na 1945. De kerkorde bleef evenwel een produkt van de vernieuwing van na de oorlog, die voor een belangrijk deel ook in het teken stond van restauratie;
e. de gemeenschapsvorming, in het bijzonder tot uitdrukking gebracht in de kerkordelijke keuze voor de wijkgemeente, vraagt om herijking;
f. de oecumenisering, nationaal en internationaal, is voldoende geïncorporeerd in ons kerkbesef;
g. het spreken van dfe kerk wordt onvoldoende gedragen door een proces van vorming en toerusting. De kloof tussen' het spreken van de kerk en het sprekende deel van de gemeente neemt toe;
h. er is een grote verlegenheid ten aanzien van de communicatie van het evangelie in onze cultuur;
i. de organen van bijstand zouden meer een bron van echte wijsheid voor de kerk moeten zijn dan vooral een klankbord voor functionarissen;
j. de generale synode functioneert eerder als een beheerslichaam dan als een kerkeraad, die leiding geeft aan het geestelijk en maatschappelijk leven van de kerk;
k. de bureaucratie neemt toe, het financieel beheer is passief. Het zou creatiever moeten zijn in bijvoorbeeld de gerichte geldwerving voor projecten die belangstelling hebben en verdienen in de kerk;
l. de hedendaagse situatie van de kerk in Nederland is er een van onzekerheid en van verbrokkeling. Over de wijze waarop en de mate waarin de kerk zich presenteert in de samenleving wordt zeer verschillend gedacht. Daarbij komt dat haar omvang kleiner en haar invloed geringer wordt. De secularisatie werkt verder door en dieper in. Veel mensen kunnen niet ontdekken en ervaren dat de kerk voor de vragen en problemen van nu het verlossende woord spreekt;
m. onze kerk heeft ook gezichtsverlies en gezagsverlies geleden doordat zij op belangrijke punten niet consequent is geweest. Neem als voorbeeld de oecumene. De hervormde kerk is niet echt oecumenisch, ondanks de artikelen XXV (Van het verband met andere Kerken) en XXVI (Van de hereniging der Kerken) uit de kerkorde. Ondanks goede aanzetten ten aanzien van luthersen, remonstranten en rooms-katholieken, is er onvoldoende oecumenische terugkoppeling naar het totale beleid van de Kerk. Met name Samen op Weg lijkt het uur der waarheid: de kerk wil, lijkt wel, geen echte offers brengen.
De nadere uitwerking van deze knelpunten riep bij de synode zó weinig waardering en zó veel verzet op, dat we er in deze kolommen verder het zwijgen toe zouden kunnen doen. Aangezien intussen toch een aantal fundamentele noties op tafel kwamen, die ook in de nabije toekomst wel eens een grote rol kunnen (gaan) spelen, geven we hier tóch een uitvoerige weergave van het synodegesprek. Met name wat door de Centrale Beleidsstaf was gezegd over het 'reformatorisch' erfgoed ontmoette veel verzet. Hier volgen nog twee passages terzake uit het stuk.
• 'Terwille van een noodzakelijk en verantwoord beleid in de naaste toekomst zal ook de kerkorde onder de loupe moeten worden genomen. De vraag is of de kerkorde toegesneden is op de huidige situatie. Het geldt voor bepaalde artikelen en bepaalde ordinanties van de kerkorde. Als voorbeeld is bij de knelpunten (2.2.) reeds opgemerkt dat de uitspraak dat 'de kerstening van de Nederlandse samenleving dient te geschieden op basis van de reformatorische grondslag' alleen al vanwege een gegroeide samenwerking en relatie met de Rooms-Katholieke Kerk in ons land niet is te handhaven.
Een ander punt: met betrekking tot gemeentevormen, die nodig zijn om mensen te helpen in hun situatie samen gemeente te zijn, zal de kerkorde daarvoor ook legitiem meer ruimte moeten bieden.
Daarbij dient in elk geval ook nog te worden bedacht, dat de kerkorde er is voor de gemeente en niet omgekeerd. Een kerkelijk beleid, dat te zeer op formele gronden wordt gevoerd en mede daardoor soms een bureaucratische indruk maakt, is geen kerkelijk beleid, waarin de evangelische barmhartigheid en rechtvaardigheid kunnen worden herkend.'
• 'Als wordt gepleit voor een versterking van de volkskerkgedachte, wordt daarmee geenszins bedoeld de volkskerk van voorheen. Maar dan wordt daarbij uitgegaan van de overtuiging, dat we samen-gemeente en samen-kerk zijn.
In dat teken en in dat perspectief staat om te beginnen het Samen op Weg-proces.
Dat betekent onder meer ten aanzien van het beleid dat dit van beide kerken zo goed mogelijk op elkaar moeten worden afgestemd. Organen van bijstand en duputaatschappen die een vergelijkbare opdracht hebben, dienen tot samenwerking en integratie te komen.
Maar er is meer: de bredere oecumene. Het Samen op Weg-proces mag immers niet ten koste daarvan gaan.
Zouden we niet zo oecumenisch moeten zijn dat de hervormde kerk zou kunnen fungeren als een huis om in te wonen voor 'alle' Nederlandse kerken en gelovigen? En betekent dat niet voor het beleid, dat dit zeer sterk de ander zoekt, in een poging tot dienen, zonder enige behoefte aan en zonder enig streven naar imperialisme?
Wij denken bij volkskerk aan een kerk voor iedereen, met de mogelijkheid van verschillende vormen van gemeente-zijn. We denken aan een open kerk midden in onze samenleving, aan een kerk met een oecumenische openheid in instelling, aan zo'n kerk in een mondiale samenleving.
Wij geloven niet meer in de gescheidenheid tussen de kerken.
Wij denken dat een gescheiden voortbestaan van de kerken geen toekomst (meer) heeft.
Het gaat ons bij de ene kerk voor allen om eenheid in verscheidenheid.'
De synodeleden
Ds. P. J. Visser, Aalburg stelde dat in dit stuk de waarheid lijden moet onder de zware oecumenische drang en onder de dwang om een woord te spreken, dat de wereld als verlossend ervaart. Zo wordt de desoriëntatie groter en verliest de kerk aan zeggingskracht. Het huis blijft tegen zichzelf verdeeld en, al zet men de deuren nog zo open, niemand heeft behoefte om binnen te gaan. Anderen verlaten het huis, omdat ze niet meer weten wat ze moeten geloven. Als je alles mag geloven – de beleidslijn in dit stuk – dan is de stap naar niets meer geloven nog maar een kleine. Oecumene mag geen ideaal zijn, waarvoor het Evangelie zelf wijken moet. In de nota wordt b.v. omwille van de oecumene met Rome de harteklop van het Evangelie, het Sola Gratia stil gezet. Het getuigenis voor de wereld is niet pas een verlossend woord als het als zodanig ervaren wordt maar ook als het als dwaasheid en ergenis wordt ervaren.
Prof. dr. E. Schroten (kerkelijk hoogleraar) zei dat in onze tijd niet alleen sprake is van 'Godsverduistering' maar dat we ook leven in de tijd van de 'infobiotische revolutie'. Er zijn zeer fundamentele veranderingen aan de gang op het terrein van de fysica (kernfysica), de automatisering en de genetica. Alle punten van de dogmatiek vragen daarom om nieuwe doordenking. Niet zozeer de Godsvraag is op dit moment doorslaggevend maar de vraag 'hoe ons geloof in God op dit moment relevant is'. Vandaag is een ethische benadering van de geloofsvragen gewenst, méér dan een dogmatische.
Ds. R. A. Grisnigt, Bennekom kon met het meeste van de nota 'geen kant op'. Is het reformatorisch karakter achterhaald? Is kerstening van de samenleving geen bijbelse opdracht meer? Staan we niet meer in de traditie en het belijden van de Reformatie? 'Wat moet ik met een oecumenisch verlangen, waarin verschillen niet meer relevant zijn?' Maar we hebben geen herhaling van het offer van Christus nodig, zoals in de eucharisatie. Christus heeft met één offerrande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr. 10). Christus is volkómen Hogepriester of Hij is het niet. Daarom is het getuigend gesprek met Rome nodig.
Ten aanzien van het pleidooi voor een open kerk merkte ds. Grisnigt op, dat de Kerk zo een moderne supermarkt wordt, een winkel van sinkel. Maar zo gaan we ook rechtstreeks op het faillissement af.
Ds. A. Tromp, Maarssen sloot zich aan bij ds. Grisnigt en vroeg of het ècht de bedoeling was het woord reformatorisch te schrappen. Er is in dit stuk zelfs geen verwijzing naar de belijdenis, terwijl artikel 27-29 van de N.G.B, zulke fundamentele dingen over de kerk zegt. Er is toch een grens aan de pluraliteit? En in de prediking gaat het om datgene wat in geen mensenhart is opgekomen!
Dr. J. J. van Deemter, Bussum noemde polarisatie in de kerk hoopgevend, een teken van betrokkenheid. De kerk is er niet om problemen op te lossen maar spreekt een woord van verlossing. Als daarop verschillend wordt gereageerd is dat een teken van betrokkenheid.
Ds. B. K. W. Dijkstra, Ter Heijde aan Zee noemde het stuk een miskraam of een couveusekindje en noemde het 'suïcidaal' als de Hervormde Kerk haar reformatorisch uitgangspunt zou loslaten. Artikel X van de kerkorde (gemeenschap met de belijdenis der vaderen) is niet achterhaald. Het is maar de vraag of ook in Samen op Weg zal worden geweerd al wat dit belijden weerspreekt.
Het pleidooi voor de open kerk deed hem denken aan het vers 'Kom er in, zet je hoed af. Kom er in schuif je stoel maar bij, doe maar net of je thuis bent'. Hij zag echter kardinaal Simonis nog niet samen met oud-gereformeerden in zo'n kerk zitten.
Diaken D. D. Borst, Zwijndrecht pleitte ervoor de reactie van de gemeenten op synodale stukken te vragen. Dat zou tot meer betrokkenheid van de gemeenten op het synodale werk kunnen leiden.
Ds. A. W. Vlieger, Hoorn stelde dat we onze reformatorische achtergrond niet mogen prijs geven. De apostolaire gedachte van prof. dr. A. A. v. Ruler, die aan de kerkorde ten grondslag ligt, moet worden geradicaliseerd, naar de toekomst van het Rijk Gods toe. De kerk moet als vreemdeling durven rondlopen, alles op z'n kop zettend. Het schip moet de haven van Hoorn uit, koers zettend naar het koninkrijk (naar Urk, interrumpeerde drs. G. Bos), met op de kiel (niet op de vlag) de woorden: 'Christus is Heere! De kerk kan daarbij 'het halsstarrige van de Bond' en 'het speelse van de vrijzinnigen' niet missen.
Ds. H. E. G. Reefhuis, 's-Gravenhage, vroeg of de nota niet een kerk creëerde, die van de gemeente onderscheiden is. In 1951 stonden zowel Van Ruler als Miskotte aan de wieg van de kerkorde. Bij Van Ruler was de kerk een huis (een burgemeestershuis?) aan de markt van het leven. Bij Miskotte was de kerk leerhuis in het grensgebied, aan de zelfkant van de wereld. 'Vanuit Miskotte herken ik veel voor het pleidooi om de gedachte van kerstening van de samenleving los te laten.' De vraag van God naar de mens gaat intussen aan de Godsvraag zélf vooraf. 'Mens, waar zijt gij?' 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?'
Dr. G. Bos, Urk vroeg waarom de samenstellers het de critici zo gemakkelijk hadden gemaakt, alleen al door wat over het reformatorisch erfgoed was gezegd. Verder refereerde hij aan wat dr. Gunning in de vorige eeuw Abraham Kuyper toevoegde. Hij zei dat deze de kerk te ernstig nam. Het gaat allereerst om God en Zijn Rijk. Een kerkorde moet God de ruimte geven. Hoedemaker vroeg aan De Savornin Lohman: Zou je het willen dat God het voor het zeggen had?
Oud. mevr. J. A. Wilbrink-Kyne, Leeuwarden achtte wat in de synode gezegd was over oecumene verdrietig. Het visioen van de éne Christelijke Kerk is van grote waarde. Hopelijk wordt deze ons ooit eens gegeven. Dat zal niet mogelijk zijn zonder dat wij ons veranderen.
Prof. dr. L. Hoedemaker (kerkelijk hoogleraar) protesteerde tegen het centraal stellen van de Godsverduistering, van de Godsvraag. 'Berkhof en Newbigin hebben ongelijk.' Ze leiden de kerk op een dwaalspoor. We moeten de factoren, die van invloed zijn op de geloofsonzekerheid, onderzoeken. Er is sprake van onvermogen om de appèls vandaag van het Koninkrijk Gods te verstaan. Vandaag worden in onze cultuur (en in andere culturen) de keuzen voor Jezus Christus anders gemaakt dan vroeger. We hebben vandaag de vragen van Marx en van de marxistische maatschappijanalyse ernstig te nemen. 'De Godsvraag is niet los verkrijgbaar.' God is ook vandaag scheppend, oordelend, verzoenend en appellerend met de wereld bezig. Daarin is Hij souverein bezig. Die belijdenis kan niet worden aangetast zonder het fudamentele van het kerk-zijn aan te tasten. Maar oude geloofsexpressies verliezen is iets anders dan Godsverduistering. De tijd van de privé-religieuze ervaring is voorbij. Het gaat om apostolaire visie met theocratisch élan.
Ds. P. v. d. Kraan, Bleskensgraaf stelde dat de nota van bladzij tot bladzij prikkelt tot tegenspraak. De kerk is eigendom van de Koning. En wij zijn Zijn vrienden als wij doen wat Hij gebiedt. De nota draagt een geneesmiddel aan, dat geen geneesmiddel is, doordat de kerk zich de agenda van de wereld laat opdringen. Als we de Waarheidsvraag meenemen komt ook de oecumene met Rome in het vizier. Ds. v. d. Kraan verwees in dit verband naar een stelling in een pas verschenen 'dik proefschrift' (van dr. W. J. op 't Hof, v. d. G.). In de Alblasserwaard ontmoette hij mensen (in het zwart gekleed), die met de Godsvraag waren klaar gekomen en intussen breed oecumenisch zijn, tot naar Rome toe.
Diaken mevr. G. D. te Velde-Kloosterboer, Paterswolde stelde dat het het meest bemoedigende van de kerk is, dat daar mensen, die verschillend denken en een verschillende geloofsbeleving hebben, elkaar ontmoeten.
Ds. A. Mulder, Den Helder was de laatste spreker. Hij noemde vooral de liturgie 'het hartsgeheim van de gemeente'. Waar de gemeente bijeen is rondom Woord en sacrament wordt het geheim geboren. De wortels van de eredienst liggen daarbij in de synagoge. De structuur daarvan ligt b.v. in Psalm 105: Looft den Heere, roept Zijn Naam uit. Het gaat om loven, prijzen, aanroepen van de Naam. Ons reformatorisch kerk-zijn is ook katholiek kerk-zijn, oecumenisch-katholiek.
Slotopmerking
Uit deze weergave van het synodeberaad is duidelijk dat er nauwelijks een lijn in te ontdekken is. Dat is ook gegeven met de nota zelf, waarin zó veel overhoop werd gehaald en (impliciet) omver werd geworpen dat het zicht op de weg, die de kerk nu echt als kerk vandaag heeft te gaan, volstrekt is verduisterd. De tegenkanting ertegen was algemeen. Maar de teerling is wel geworpen.
Al met al wordt het tijd, dat we als kerk, die ook (en juist) in 1951 de weg van een belijdende kerk in de zin der Reformatie wilde gaan, ondubbelzinnig gaan verwoorden wat vandaag het reformatorisch erfgoed voor ons betekent en hoe we met dat reformatorisch erfgoed (apostolair) in de samenleving willen staan. Als we de Reformatie achterhaald achten in ons Hervormd-zijn en in de naam van onze Kerk, een onmogelijkheid geworden.
Het wachten is op een reformatorisch-apostolaire nota. Ab fontes, terug naar de bronnen.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's