Vergeten zaken
Dagelijks leven
De Schriftuurlijke prediking der bekering biedt een kostelijke veld van overwegingen ons aan. Zij houdt niet alleen met de eerste, maar ook met de tweede tafel der wet gestreng rekening. Zij stelt zich niet tevreden met ons te roepen tot het dienen en liefhebben van God, maar beveelt ons evenzeer om ons te bekeren tot de liefde jegens de naaste. Men kan dat zien bij de grote prediker der bekering Johannes de Doper. De scharen, die tot hem kwamen, vroegen hem zeggende: Wat zullen wij dan doen? Toen antwoordde Johannes tot hen: Wie twee rokken heeft, dele hem mede, die er geen heeft en wie spijzen heeft, doe desgelijks. De bekering moet blijken, maar niet in grote, opzienbarende 'goede werken', maar in een dagelijks leven naar Gods wet, in liefde en barmhartigheid. Opvallend is, dat Johannes de tollenaars – inners van belastingen en accijnzen, die hun ambt van de Romeinen hadden gepacht en door afpersing, zich nog te meer gehaat maakten bij het volk – en soldaten, in dienst van de Romeinen – niet voorhield, dat ze hun werkkring moesten opgeven, maar alleen, dat ze in hun beroep naar Gods gebod moesten leven.
Naasten
Eenzelfde trek vinden wij ook in het achtenvijftigste hoofdstuk van Jesaja. De profeet roept Israël tot bekering, hoewel zij Hem dagelijks zoeken. Ze moeten lust hebben aan de kennis van Zijn wegen, gerechtigheid doen en zijn rechten niet verlaten, ja, een lust hebben om tot God te naderen. Met al deze deugden verenigen zij ondeugden, die hun godsdienst waardeloos maken. Zij twisten terwijl zij vasten, ze ontfermen zich over de ellendigen niet. Tot het vasten, dat de Heere aangenaam is, behoort ook, dat men barmhartigheid bewijst aan hongerigen en arme zwervelingen. Dat men naakten aan kleding helpt, en zich niet onttrekt aan zijn eigen vlees. Dat wil zeggen: aan zijn bloedeigen volksgenoot. Als Israël op zo'n manier vast, als de Heere aangenaam is, zal hem licht doorbreken als de dageraad. Dat betekent, dan zal de zegen des Heeren hun ten deel vallen. En snel zal hun genezing, namelijk van hun volksbestaan, tot stand komen.
Hun gerechtigheid, uitkomend in het heil, dat de Heere hun schenkt, zal dan voor hun aangezicht heengaan en de heerlijkheid des Heeren, namelijk zijn genadevolle tegenwoordigheid zal hun achterhoede vormen. Het is in gereformeerde kringen dringend nodig deze dingen naar voren te schuiven. Het is soms alsof het er met onze naaste minder op aankomt. Het woord der gewoonte 'God alles, de mens niets' wordt in de praktijk wel eens zo opgevat, als zou men met de mens ook als een nietswaardige zaak mogen handelen. De liefde tot God en die tot de broeder zijn onscheidbaar. Wie beweren zou God lief te hebben, terwijl hij in haat tegen zijn broeder leeft, die leidt een leugenbestaan: hij heeft God niet lief. De broeder, de gelovige, vertoont immers het beeld aan de hemelse Vader. Welnu, hoe zou iemand dat beeld des Vaders, dat hij ziet, kunnen haten en tegelijk de Vader Zelf, Die hij niet ziet, liefhebben? Onmogelijk is het!
Herstel
Bovendien – de Schrift beveelt niet alleen ons niet langer onrecht te plegen, maar ook om zo mogelijk bedreven onrecht te herstellen. Wij redeneren soms op deze manier: Christus heeft voor al mijn zonden genoegdoening gegeven, wat zal ik er nu nog aan toevoegen? Deze redenering deugt in geen enkel opzicht. Want er is hier geen sprake van verzoening van zijn zonde door herstel van onrecht. Dat is geheel onmogelijk. Alle onrecht moet vóór alles worden geboet. Het herstel van onrecht behoort bij de bekering, tekent haar beslistheid en vindt zijn grond in de liefde tot het recht. Zo was de mening van Zacheüs. Want hij beloofde om alles, wat hij ontvreemd mocht hebben, vierdubbel weer te geven. De Schrift gaat dezelfde gang. Ezechiël heet het betalen van het geroofde één der kenmerken van de bekering, in aansluiting van de Wet, die steeds het beginsel van de schadevergoeding huldigt. Natuurlijk wordt hier slechts het mogelijke, niet het onmogelijke gevraagd. Hoe zal een zakenman, die zijn waren heeft vervalst, zijn klanten ooit teruggeven, wat hij hen heeft tekort gedaan? In dit punt moet hij zich realiseren, dat er nog noden genoeg zjn die om hulp roepen.
Geschonden eer
Maar behalve toegebrachte schade in geld en goed is er nog zoveel onrecht te herstellen. Denkt u eens aan geschonden eer. Het is een vreemd, maar algemeen verschijnsel, dat men lichter iemand zijn eer rooft dan zijn goed, ofschoon de goede naam beter is dan de kostelijkste olie. Er worden wat een reputaties aan flarden gescheurd. Op het stuk van het gezelschapsleven behoeft men alleen maar een receptie bij te wonen en terdege acht te geven op de blikken van de ogen, de gebaren met de hand, de gefluisterde gesprekken – en de goede naam van velen gaat als even zovele snippers papier in het rond. Wat geschiedt trouwens in de regionale en landelijke pers anders? Soms worden zelfs prijzen uitgereikt aan auteurs, die op literaire manier anderen hebben gekwetst. Het is een teken, dat men in de mens Gods beeld niet ziet, ja, van alle gevoel ontbloot, aan de stenen gelijk is geworden. Wat toch zou men doen indien men iets zag van het verdriet, de schade en de schande, die men door zijn boze tong de naaste heeft toegebracht, even ijverig om zijn eer weg te nemen als gevoelig voor eigen eer? Dan zou men niet rusten voor men zijn smalende woorden herroepen, of – kon men dat niet doen zonder te liegen – tenminste zijn schuld aan de betrokkene had erkend.
Beroepszonden
Er is nog een volgend punt. De prediking der bekering houdt ook in dat men vóór alles zijn beroepszonden vaarwel zegt. Die zonden hebben een hardnekkig bestaan. Ze zijn ons tot een gewoonte geworden. Hebben ook dikwijls met ons vleselijk bestaan te maken, tot in ons salaris toe. Daar schuilt tevens nog in, dat het breken er mee vaak een verwijdering inhoudt van de sociale omgeving, waarin wij verkeren. Men gaat ons allerwege mijden in de omgang of zelfs tegenwerken. Dat raakt ons diep. Het roept zelfs vijandschap op. Het was een goed teken, dat de tollenaars en de soldaten aan Johannes de Doper vroegen wat zij doen moesten, wilden zij de toekomende toorn ontkomen. Het gebeurt maar al te weinig dat men aan de pastorieën de vraag komt stellen, wat de juiste levenshouding is. Het zou dan zeer gemakkelijk zijn voor de predikers om op de beroepszonden te wijzen. Natuurlijk moest men dan op bittere tegenstand rekenen. Dat neemt evenwel niet weg, dat men zonder namen of beroepen te noemen van de kansel te zeggen heeft, dat wie met zijn beroepszonden niet breekt, alle reden heeft om aan de oprechtheid van zijn bekering te twijfelen.
Hart
Nu brengt ons dat alles niet af van de opmerking, dat de Schrift ook op de gestalte van het hart de klemtoon legt. Volgens het Woord is het innerlijk evenmin onverschillig als het uiterijk. De Schrift legt er het accent op, dat het hart even zuiver, moet zijn als de hand. De oprechtheid maar als een zoutend zout overal door ons leven heentrekken. Wij hebben tot opdracht alles na te laten, wat geschiedt om van de mensen gezien te worden. Toch ligt daar een verzoeking die door geheel het mensenleven heentrekt en in allerlei lagen van de samenleving het eigenlijke leven van de mensen uitmaakt. Het stempelt veelal de groten der aarde en het is ook binnen de kerkelijke sfeer de diep stuwende kracht menigmaal van die bewegingen, die enig vertoon maken. Laten wij niet vergeten, dat de vrucht van de bekering van de tollenaar niet de zelfverheffing is, maar de vernedering. Er staat in het twaalfde hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen een stille, welhaast verborgen tekst, die zo luidt: Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelf Het is een kenteken der gevallen natuur van de mens, zich steeds te willen uitstrekken tot het hoge, het opzienbarende, het geprezene. Voor allerlei werk dat roem geeft, zijn steeds velen te vinden, die zich aanbieden. Het geringe, het onopgemerkte wordt meest voorbijgegaan. Doe niet op die manier, zegt de apostel. Voor dat schitterende zjn er genoeg, die het zoeken en dat geringe, waaraan zo weinigen zich geven willen, moet toch ook gedaan worden, wil althans de gemeenschap geen schade lijden.
Ootmoed
En als nu hierop volgt. Zijt niet wijs bij uzelf! Dat is heb geen hoge gedachten van uzelf! Dan is daarmee genoemd, wat tot het najagen der hoge dingen drijft. Men houdt zich namelijk voor te goed, om met die kleine dingen zich in te laten, maar acht zich boven dat geringe verheven. Nauw aaneengeschakeld zijn alle christelijke deugden. Zowel de ene als de andere ontbreekt, waar de ootmoed wordt gemist. En toch is er geen ware bekering, waar in het hart hoogmoed heerschappij voert. Het komt ons voor, dat deze dingen zo zelden in onze gemeenten functioneren. En waar het gebeurt, daar vindt het plaats in een vergeten achterhoek, waar een ziel zich buigt voor God en in stilheid een andere levensweg dan tevoren inslaat. Wij weten het zeer goed – geldzucht, valsheid, eerzucht, wereldliefde kunnen geen geoorloofde plaats meer hebben in een hart, waarin de vreze des Heeren woont. Die dingen weten wij allen.
Maar daarnaast zijn er van die diepgewortelde zonden, die half bewust worden gecultiveerd. Maar juist die zonden belemmeren ons in de omgang met God meer dan welke andere ook. Er staat in het zesde hoofdstuk van Lucas dit woord: verdoemt niet en gij zult niet verdoemd worden. Laat los en gij zult losgelaten worden. In ootmoed en liefde zullen wij tegenover de naaste staan. Die vruchten van de Geest zijn ons dan tot steun in het vertrouwen, dat God ook ons niet zal veroordelen ter wille van Christus' offer aan het kruis. Jezus heeft deze woorden niet gesproken om verzwegen te worden. Er bestaat een nauw verband tussen onze houding tegenover onze naaste en de houding, die de hemelse Rechter tegenover ons in het gericht zal aannemen.
Zwakte
Hebt u ook niet de indruk, dat deze dingen min of meer schijnen weggesleten te zijn – ook in de gemeente? Toch moeten ze aan de orde komen. Daar behoort wel moed en wijsheid toe om zulks te doen. Er zijn altijd gemeenteleden, die denken: nu doet de voorganger tekort aan vrije genade. Het is namelijk in onze gezindte een zwakte doorgaans meer de nadruk te leggen op de geboden van de eerste tafel dan op die van de tweede tafel. Maar ook de tweede tafel behoort in de rechte evenmaat aan de orde te komen. De gehele Wet dient uit te klinken en door te klinken. Het is juist vanwege het halve en eenzijdige weten van de Wet des Heeren, dat men Christus' bloed en Geest zoveel kan missen, zo gemakkelijk zichmet de genade van God troost en zo flauw bidt om de Geest, dat het gebed geen kracht heeft om naar boven te stijgen. De prediking van de gehele Wet alleen doet ons de wil van God in alle, volle omgang verstaan. Het gaat er dan om de tien geboden te bezien in het licht, dat God geheel de Schrift door er op laat vallen. Dan zal menig kerkganger verbaasd zijn over de geringe mate van zijn kennis van de wil van God. Vooral tegenwoordig is er volle aanleiding toe, deze wenk te volgen. Wij leven in de sfeer der zonde. Er kan ook bij volledige kerkelijke gezindheid toch een werelds leven in de zonde bestaan. Het verschilt in niets van een puur werelds bestek, behalve dan in dit opzicht dat men de al te vette zonde der brute goddeloosheid nalaat. Hier is het hart niet gereinigd. Het hart is hier alleen maar slim. Het weet zich in een geestelijke koorddans maar al te listig in evenwicht te houden met een eigenmachtelige eigenwillige godsdienst. Hier is dieptezicht nodig. Want er kan ook bij een oppervlakkige ernst aangaande de eeuwige dingen toch een nameloze luchthartigheid in de gemeente bestaan. Ja, het is zelfs wonderlijk hoe sommige mensen, die u voortdurend hun voorkeur laten blijken voor een serieuze prediking, toch allerlei zonden gemoedelijk aan de hand houden zonder dat het klaarblijkelijk ooit hun geweten raakt. Vooral sexuele zonden en financiële ongerechtigheden wortelen diep. Hier rekene men dan ook op betonnen weerstand.
Samenhang
Intussen, dit afdalen in schier 'vergeten' geboden moet niet gebeuren op wettische manier, door het nu bij de eis te laten alsof het nu aan ons overgelaten werd onze plicht te volbrengen. De samenhang met Christus moet worden gezien. Hij Zelf, in ons ontvangen door de Geest van God, gaat tot ons in, en doet de Geest van God, die Hem vervult, in ons wonen. Zo wordt het dan Christus zelf, die in oris vruchten van bekering voortbrengt. Hij maakt ons aan Hem gelijkvormig. Christus brengt in ons de Geest van de Wet tot heerschappij. Buiten Hem is ons vlees alleen maar ijdel en machteloos.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's