De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Heiliging: louter genade of tegenprestatie?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heiliging: louter genade of tegenprestatie?

11 minuten leestijd

Jimmy
Tijdens onze laatstgehouden jaarvergadering kwam na mijn inleiding over de rechtvaardiging de vraag op naar de heiliging. Ik heb daarop geantwoord in de vorm van een verhaaltje: de geschiedenis van Jimmy, een vlerk van een ventje, brutaal en dikwijls grof. Onuitstaanbaar was wat hij leeftijdsgenoten en volwassenen – waaronder de buurman van de overkant – toe durfde voegen. Op een nacht, toen Jimmy lag te slapen, brak er brand uit in huis. Vader en moeder konden op het laatste nippertje worden gered. Jimmy, die een verdieping hoger lag, was nog in huis. Hij werd wakker door de verstikkende rook. De deur werd een poort van laaiend vuur. En door het raam over de dakgoot durfde hij niet. Jimmy keek de dood in de ogen! Maar toen gebeurde het onwaarschijnlijke: het venster werd opengestoten. En een hand werd naar hem uitgestoken. Blindelings liet Jimmy zich in de armen van een man over de dakgoot naar een veilig plekje brengen. Daar drongen twee dingen tot hem door, twee ongelooflijke dingen: dat hij nog leefde en… dat zijn redder niemand anders was dan die buurman van de overkant, die hij zo vaak had beledigd.
Van toen afwas er iets veranderd in Jimmy. Hij kon zijn redder niet tegenkomen of hij dacht: 'Dát is hem! Aan die man dank ik mijn leven. Die zette zijn leven in de waagschaal, voor mij, brutale rekel'. Levenslang was hij hem dankbaar: voor hem bestond er geen vriend als hij! En nooit had die buurman zo'n toegewijde kameraad als Jimmy! Dát is nu een beeld van de heiliging: overrompeld zijn door liefdebetoon, de Redder danken, d.w.z. aan Hem denken en Hem met de vinger aanwijzen: 'Die is het en niemand anders', en Hem met heel je leven dienen.
Na dit verhaal kwam het verzoek, om op de aangesneden kwestie nog eens in te gaan. Ik wil dat proberen.

Danken
U kent wellicht het antwoord van Kohlbrugge op de vraag wat het dankbaarste schepsel is. Hij zei: 'De hond, want die blijft altijd bij zijn meester'! Dát is danken: bij de Heere blijven.
Niets meeren niets minder. Ik geloof stellig dat Kohlbrugge hiermee de binnenste kern van de dankbaarheid heeft aangegeven. Dit betekent t.a.v. de drie stukken van de Heidelberger, dat het bepaald niet zo is, dat het derde stuk – de dankbaarheid – een opdracht zou behelzen die wij als tegenprestatie voor de genade zouden moeten leveren.
Alsof de verlossing uit de ellende Góds aandeel was op grond van genade, maar de dankbaarheid ónze bijdrage zou zijn op grond van eigen vermogen. Geen sprake van. Ook de dankbaarheid is een geschenk van pure genade, louter een kwestie van blijven bij en in de Meester. Niet voor niets noemt onze Catechismus het gebed het voornaamste stuk der dankbaarheid! Wel, wat is nu een biddend mens? Geen doe-het-zelver, maar een behoeftige bedelaar. Dit is inderdaad het hoofdkenmerk van de christelijke dankbaarheid: biddend, diep afhankelijk en innig aanhankelijk bij de Heere blijven. Het Nederlandse woord 'danken' laat dit merkwaardigerwijze fraai en duidelijk zien. Weet u waar dat woord 'danken' taalkundig regelrecht mee samenhangt? Met 'denken'.
De Heere danken is in wezen niets anders dan aan de Heere denken, Zijn daden overdenken, Zijn genade en geboden bedenken, doordrenkt van Zijn goedheid. Eén van de Griekse woorden voor dankbaarheid is 'eucharistia', dat niets anders betekent dan: goed en groot van 'charis', van Gods genade, spreken.
Misschien werpt nu iemand op: ja maar, de dankbaarheid is toch niet alleen een zaak van overdenken met het hart en belijden met de mond –, het krijgt toch ook daadwerkelijke gestalte in de goede werken? Dat zal waar zijn. Als wij evenwel maar nooit vergeten, dat deze daad der dankbaarheid de voortdurende vrucht is van de innerlijke verworteling in Christus. Anders ontaardt heel ons zgn. praktische christendom in een uitwendige schijnvertoning. In het oog van de mensen – en in eigen oog – mag dat dan misschien veel opzien baren, maar in het oog van God Die het hart aanziet stelt het nul komma nul voor. En dan zou het weleens kunnen zijn, dat juist degenen die zichzelf telkens weer een zware onvoldoende moeten geven voor het 'stuk der dankbaarheid', en die naar eigen schatting geen vooruitgang weten te boeken en zichzelf daaronder aanklagen voor God, in Zijn ogen juist de dankbaarste christenen zijn! Dat juist zij die zich in geen enkele eigen deugd en daad beroemen kunnen en alleen het beroep op genade overhouden, niettemin vol zijn van de echte goede werken der dankbaarheid, daden die zonder ophef, zonder prestatiedrang, zonder pretentie worden bedreven: uit een waar geloof, naar de Wet van God, tot Gods eer alleen.

Heiliging door het geloof
Bekend is hoe onze N.G.B. (art. 24) dit dankbare leven van de heiliging omschrijft: 'Wij geloven dat dit waarachtig geloof dat in de mens gewerkt is door het gehoor van het Woord Gods en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens en hem doet leven in een nieuw leven…'
In de grond ben 'ik' dus van de ware heiliging niet de auteur, maar de Heilige Geest Zelf. Ik 'doe' de heiliging niet, maar ik ontvang haar door de wederbarende kracht van het geloofde Woord en leef erin. Stellig, niet als stok of blok, maar zeker óók niet als eigenmachtig, zelfstandig en zelfbewust producent. Ik ben hierin veeleer instrument, als kind van de Vader, als lijf- en zielseigene van Christus, in de ademhaling, onder de beademing van de Heilige Geest. Niet voor niets heet de heiliging: heiliging des Geestes (2 Thess. 2 : 13).
God, Die zegt dat het moet ('Weest heilig'), is Dezelfde Die het doet! Aan deze belovende en vervullende God houdt zich het geloof, dat door de liefde werkt.

Aanstotelijk
Nu is in deze alomvattende armslag van de genade – die naar 1 Kor. 1 : 30 (vgl. vr. en antw. 60 van de Heidelberger!) niet alleen de rechtvaardiging maar ook de heiliging omvat – intussen een geduchte aanstoot gelegen. De korzelige vraag ligt voor de hand en dringt zich op: waarom ben ík zelf niet mans genoeg – ik, gerédde zondaar –, om althans het deel der dánkbaarheid voor eigen rekening te nemen? Wie herkent niet dit verzet tegen genade-alleen in zijn vroom-overmoedige vlees?
Sluimert er in ons aller zelfgenoegzame, eerzuchtige hart geen ergernis en protest tegen deze exclusiviteit? Want dat is wat: part noch deel te (mogen en kunnen) hebben aan de zaligheid! Daarbij wordt immers heel mijn eigen inbreng gebrandmerkt als van nul en generlei waarde, en wordt heel mijn vermeende inzet, gewilligheid en kunde gesloopt en bij het afval geschoven. Niet alleen mijn ongerechtigheden, maar ook mijn gerechtigheden: een wegwerpelijk kleed, een vod dat gerafeld, versleten en bezoedeld is en bij de lorren thuishoort!
Hoe fnuikend voor ons zelfbehagen deze 'keerzijde' van de genade ook is, zij is onopgeefbaar en heilzaam. Het is hier: alles of niets. Geen compromis. Fragmentarische genade is een zeepbel. Het is genade-geheel óf in 't geheel geen genade; Jezus-alleen, en anders geen.

Deemoed
Het is tot deze afbraak van alle overmoed en tot deze doorbraak van de ootmoed, dat de Catechismus ons wil voeren, wanneer zij pal op de belijdenis van de rechtvaardiging-door-genade-alleen de vraag laat volgen, waarom onze goede werken niet geheel, of zelfs maar gedeeltelijk de gerechtigheid voor God kunnen vormen (Zondag 24). En dan ademt het antwoord dat ons in hart en mond wordt gelegd één en al deemoed: Daarom, omdat zelfs mijn beste werken in dit leven onvolkomen zijn en met zonden bevlekt!
Nee, wie dit vlot, gelaten en onbekommerd oplepelt, die heeft nog niet gepeild hoe de zaak ervoor staat. Wij belijden het veeleer vanuit een gekweld boetvaardige ziel: mijn 'beste' werken blijven onder de maat! In mijn gebeden schuilt nog zo'n beschamend stuk eigenbelang; mijn geloof wordt zo vaak afgewisseld door kleingeloof; aan mijn offerbereidheid hangt nog zozeer de geur van zelfbehagen; de roem in Gods erbarmen is dikwijls nog zo omspoeld door eigenroem; de naastenliefde zo beduimeld door eigenliefde; mijn ijver doorkruist door traagheid; mijn bekering door onbekeerlijkheid; mijn hoop door wankelmoedigheid; mijn vreugde door zwaarmoedigheid; mijn zekerheid door twijfel; mijn overgave door morren; mijn eenswillendheid door eigenwilligheid… Ook de 'allerheiligsten' hebben voorlopig nog maar een 'klein beginsel' van deze gehoorzaamheid (Zondag 44)!
Kortom, 'mijn' heiliging draagt de vingerafdruk van veel onheiligheid en 'mijn' gerechtigheden zijn doortrokken van onhebbelijkheid en ongerechtigheid. En dat klopt niet met Gods onkreukbare Wet en onomkoopbare wil. En dat zal toch nodig zijn: 't moet kloppen. De Wet, de wil des Heeren zal gedaan zijn! Ons leven moet Zijn goedkeuring weg kunnen dragen. Waar? Voor het gericht: daar, op de oordeelsdag, en hier reeds, in de lichtval van Gods heiligheid. Ik moet beantwoorden aan Zijn bedoeling, niet alleen naar wat ik heb geloofd van Christus' toegerekende gerechtigheid, maar ook naar wat in handel en wandel concreet is geschied. Compleet. God is met geen stukwerk tevreden. In alle stukken, op alle punten, tot op de laatste onderdelen moet onze gerechtigheid aan Zijn heilige Wet gelijkvormig zijn. En onze heiligheid niet minder!
Wel, het is hierom dat ik niet met iets van mezelf voor God kan bestaan. Ik ben niet alleen voor de vergeving der zonden, maar ook en niet minder voor de vernieuwing van het leven totaal en finaal op genade aangewezen.

Onze hand in de Zijn
Maar hoe moet het dan? Wannere het nu ook in heiliging, evenals in de rechtvaardiging, absoluut om volkomenheid, geheelheid, gaafheid gaat en wij daartoe op geen manier in staat zijn, waar moeten wij dan blijven? Het antwoord is drieledig. Laat ons vóór alle dingen ophouden met ons stukwerk uit te geven voor heiliging en dankbaarheid. Dat wordt een fiasco. Het is een fictie. Alsof God op het punt van de rechtvaardiging uitsluitend met de volkomenheid in Christus zou tevreden zijn, maar in het stuk van de heiliging een en ander door de vingers zag en het zo nauw niet nemen zou! Alsof God tweeërlei maatstaf hanteerde en met twee maten mat! Alsof het God niet overal en altijd zou gaan om Zijn ene, gehele Wet en wil!
In de tweede plaats hebben we te beseffen dat al onze 'producten' aan daden, woorden en gedachten, voor Gods aangezicht de bedekking behoeven van het verzoenende en reinigende bloed van Christus.
Eerst zó – gezuiverd van alle plekken en vlekken – heten onze voortbrengsels goed in Gods schatting.
In de derde plaats gaat het erom, dat wij niet alleen inzake de rechtvaardiging, maar evenzeer inzake de heiliging grondig vertwijfelen aan iedere eigenmachtige inbreng. We moeten het hebben van de macht van Zijn scheppende genade. Hoe dit toegaat? Ik kan het u wellicht niet eenvoudiger duidelijk maken dan door ter illustratie een alledaags tafereel uit het kinderleven te hulp te roepen.
Een kind van vier jaar zit met een potlood te experimenteren, in een poging om wat letters op papier te krijgen. D'r naam wil zij schrijven. Maar het lijkt er niet op en 't lukt haar maar niet. Hanepoten. Onleesbaar. En daar komt moeder. Zij neemt de hand van het kind in de hare en zegt: 'Nou ga jij schrijven!' Ziet u het gebeuren? Dat kind houdt het potlood vast en schrijft de letters van haar naam. Moeder stuurt met háár hand de vingers van het kind. En kijk, ietwat beverig, maar toch keurig leesbaar prijkt daar haar naam. En wat zegt die moeder: 'Kijk onze grote meid nu toch eens fraai haar naam hebben geschreven!' En wat roept dat kind als vader erbij komt? 'Papa, ik kan al schrijven!' En vader zegt: 'Laat 'ns kijken, jij krijgt een tien voor schrijven!', waarop dat kind zegt: 'Mama heeft mijn handje vastgehouden!'
Hoe moet het in de heiliging? Daar moet niets! Ik mag mijn hand in de Zijne leggen. Hij legt Zijn hand om de mijne, d.w.z. Hij regeert mij door Zijn Geest en Woord. Ik moet niet mijn zelfgefabriceerde hanepoten voor heiliging door laten gaan. Ik moet Hem de letters laten schrijven, als een kind geleid door Hem.
Maar wij zijn het toch die vrucht dragen? Nee, en nochtans ja. Ja, omdat de Heere óns als werktuig in Zijn handen neemt, ons kneedt naar Zijn wil, onze wil buigt naar de Zijne, ons gaven schenkt, èn wijsheid, zodat wij die gaven ten goede besteden. Ja, omdat de Heilige Geest óns leven als Zijn instrument aan Zijn lippen zet, zodat het een zuivere toon voortbrengt. Maar nee, omdat wij uit onszelf nooit in staat waren geweest, om ook maar een goede toon ten gehore te brengen. En nee, omdat wij voor al die valse bijgeluiden die wijzelf nog produceren, compleet op Zijn vergevende en uitzuiverende genade aangewezen zijn.
(slot volgt)

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Heiliging: louter genade of tegenprestatie?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's