De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onmacht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onmacht

8 minuten leestijd

Echtpaar
Wij waren op huisbezoek bij het zedige echtpaar. Je kon eigenlijk niet zeggen, dat er iets te berispen viel. De kerkgang was voorbeeldig. Het meeleven in orde met de gemeente. Trouwens, je kon dat al merken aan de bloemperken en de gordijnen. Alles hing recht en stond recht. In huis was het ook spiegelschoon en fris. De man en de vrouw leken zelf ook wel een beetje geboend. Wij werden zo geplaatst, dat ze je als het ware goed in de gaten houden konden. Heimelijk kregen wij een akelig gevoel. Het was te mooi en eigenlijk te onecht. Toen kwam het Avondmaal ter sprake. Daarna de prediking. En toen kwamen de bezwaren langzamerhand los, evenals wolken komen aandrijven langs een kraakblauwe hemel. Ze vonden eigelijk wel dat de Avondmaalstafel te ruim geopend was en dat de prediking te nodigend werd gehouden en te weinig ontdekkend geschiedde. Ja, zo luidde het bezwaar: wij kunnen zo gemakkelijk maar niet aanlopen. Er moet toch eerst wat anders worden gekend. Ja, hoorden wij, wij zullen het u maar heel eerlijk zeggen. Wij huichelen niet, wij liggen toch als Adam in vloek en dood. Wij kunnen onszelf niet bekeren. U kunt net zo goed tegen die kachel praten als tegen ons, een dood mens kan toch zeker uit zichzelf niet opstaan.


Lijdelijk
Het was weer het bekende patroon. Dit echtpaar dekte zich tegenover het bevel tot bekering met een beroep op zijn onmacht. U weer toch wel, prikte de vrouw met haar wijsvinger naar ons toe: onze belijdenis leert toch onze onmacht tot het ware goede? Wat kunt u dan van ons eisen? Wij liggen dood in zonden en misdaden. Ook een levend gemaakt mens kan niets uit zichzelf. Hij heeft tot elke geestelijke beweging de inwerking van de Heere nodig. Heeft de Heere Jezus niet, gezegd: Zonder Mij kunt ge niets doen? Het gezicht van de vrouw vertoonde de glans van een overwinnaar. Ze scheen bij zichzelf te denken: ziezo, die heb ik tamgemaakt. Ze pruttelde nog even na: het lijkt wel alsof tegenwoordig de mens wel wat kàn. Dat is niet waar. U moet zo preken, dat u niemand raakt. Anders gaan de mensen denken, dat ze zelf de hemel in kunnen lopen. Door ons op te roepen tot bekering veronderstelt u, dat wij iets van onszelf kunnen doen. Het is veel beter dat u de noodzakelijkheid van bekering voorhoudt aan de gemeente. Ook vertelt wat de bekering inhoudt. En overigens moet u zich bepalen tot de wens dat God allen, die bekering nodig hebben, tot bekering brengen mag. Toen ze dat gezegd had, keek ze rond en verwachtte niet anders dan toestemming.


Onderzoek
Wij waren voor een ogenblik confuus. Het gesprek ging niet meer. Maar thuisgekomen gingen wij toch eens onderzoeken, hoe de Schrift ons hierin voorgaat. Deze begint met er op te wijzen, dat de mens het vermogen mist om zich zo te bekeren als tot zaligheid nodig is. Wij laten een bekering tot burgerlijke deugden nu maar onbesproken. Maar wij hebben het hier over een bekering tot God, die hierdoor gekenmerkt wordt, dat Hij het voorwerp van ons vertrouwen, het vermaak van ons hart en het doelwit van ons streven wordt. Tot zulk een verandering van zichzelf is de natuurlijke mens volstrekt onmachtig. De Schrift noemt ons vleselijk. Het vlees is naar zijn aard en doel geheel strijdig met de wet van God. Het vlees kan zich onmogelijk met de wet verenigen, maar blijft er vijandig tegen. Er is in ons vlees een eigen wet, die ons beheerst, aan onszelf ketent. Wij zoeken niets hogers dan de bevrediging van onze begeerten. Wij zoeken die zelf nergens dan bij het schepsel. Niemand kan zich van deze wet vrijmaken. Wie kan nu tegen zijn natuur in handelen. In de dienst van de zonde zijn wij geen dagloners, die ieder moment van heer kunnen veranderen, maar slaven, levenslang aan de meester gebonden. Zelfs kan de natuurlijke mens zich niet in waarheid willen bekeren. Wij kunnen er onder de druk van vrees wel het voornemen toe opvatten. Dat ontkent de Schrift niet. Er staan daarin geschiedenissen, waaruit blijkt, dat de natuurlijke mens zelf zijn wandel wel terdege verbeteren kan. Wij denken daarbij aan vele zogenaamde nationale bekeringen. In deze gevallen zijn de motieven tot bekering aan het vlees zelf ontleend. De mens keert zich niet tot God uit verlangen naar God – integendeel, hij blijft God haten, maar hij keert zich tot God enkel om de ellende van de hel van zich af te schudden. Aan Gods eer en recht, aan zijn liefde en dierbaarheid kan hij geen beweegreden tot bekering ontlenen. Hij kan de cirkel van zijn vleselijke belangen niet doorbreken. Hij blijft binnen dezelfde omtrek gevangen. Bekering is voor hem berekening. Daarom dat zijn goede voornemens geen heilige ondergrond hebben uit een vernieuwd hart, zijn zij op zijn best enkel kort van duur. Zal de bekering tot zaligheid zijn, dan is de tussenkomst van het wonder nodig. Dit geldt van alle bekering, ook van die van de gelovigen, als zij die nodig hebben vanwege de dagelijkse struikelingen.


Roeping
De Schrift spreekt zich dus sterk en onomwonden uit over het onvermogen van ons mensen om ons te bekeren. En toch aarzelt de Schrift niet om dezelfde mensen, die zij onbekwaam verklaart om zich te bekeren, regelrecht tot bekering te roepen. Zij doet dat zelfs op het gevaar af, dat de mensen zich achter het schild van hun onmacht tegen de vermaning dekken. Dit gevaar is te groter omdat de hier bedoelde onmacht aangeboren is, zodat de mens er zeer gemakkelijk toe komen kan om zich wegens haar te verontschuldigen. Hij zegt dan, dat hij zichzelf niet onmachtig heeft gemaakt. Wij kunnen evenwel uit datgene wat de Schrift hier doet, afleiden dat er niet het minste bezwaar bestaat om aan de ene kant de eis tot bekering te brengen als aan de andere kant de onmacht tot bekering voor te houden. Beide. Werpt men ons nu tegen, dat wij dan in tegenspraak met onszelf handelen, dan kunnen wij niet beter doen dan te antwoorden, dat ons bevolen is zowel het ene als het andere voor te houden. Wie zich daaraan ergert, krijgt te maken met onze zender.


Ander accent
Hier nu moeten wij ook plaats inruimen voor een ander accent. De Schrift leert wel de onmacht. Maar de Schrift heeft daar een bepaalde plaats voor. Als zij tot bekering opwekt, spreekt zij van de onmacht niet. Dan luidt het alleen: bekeert u! Ook wordt in de Schrift doorgaans alleen tot de gelovigen over de onmacht gesproken. Jezus' woord: Zonder Mij kunt gij niets doen, is tot zijn discipelen gericht. Het getuigenis van Paulus, dat zelfs de christen niet kan wat hij wil, wordt in een aan de gemeente gerichte brief gevonden. Gelovigen brengt men trouwens door het spreken over de onmacht niet in gevaar van geestelijk traag te worden. Als er in de Schrift tot ongelovigen over de aangeboren onmacht gesproken wordt, gebeurt dat met de bedoeling om hun hoogmoed teneer te werpen. Wij vragen u: wat zei Jezus toen de Joden meenden dat zij over Hem konden oordelen en vaststellen dat Hij Gods Zoon niet was, omdat Hij Jozefs zoon was? Zijn woord luidde: Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke. Men kan hieruit een voorbeeld nemen, en men moet niet aarzelen om de ongelovige mens, die zich bekwaam acht om Christus te beoordelen, met het: gij kunt niet, als ter aarde neer te werpen.


Eigendunk
Wij zien hier alzo twee lijnen. Die van onmacht en die verantwoordelijkheid. En deze twee lijnen moeten op onderscheiden manier worden toegepast. Veronderstelt u een onderwijzer voor een schoolklas. Die bemerkt bij bepaalde kinderen een duidelijke hoogmoed en zelfingenomenheid met ontvangen gaven. Moet zulk een onderwijzer nu die eigendunk van die kinderen nog verder aankweken en bevorderen? Neen, hij zal veeleer die kinderen wat terugdringen door ze er op te wijzen dat de gaven van verstand en inzicht van henzelf niet zijn, maar dat ze die ontvangen hebben van hun Schepper. Zij zijn niet beter dan de minderbegaafde kinderen. Langs pedagogische lijn brengt die onderwijzer die kinderen op hun plaats door ze een minder hoge toon te laten aanslaan. Ze moeten tot ootmoed worden opgevoed.


Luiheid
Maar hoe is het nu met die onderwijzer ten opzichte van luie en lakse kinderen? Zal hij daar wijzen op gaven alleen? Dat ook, maar hij zal meer de nadruk leggen op de verantwoording van die kinderen. Ze moeten niet aldoor maar zitten te praten en gekheid te maken. Werken is geboden om hun talenten te oefenen. Ze moeten de luiheid bestrijden met inspanning van al hun krachten, anders komt er niets van terecht. En – het doet in dit punt echt deugd wanneer ze de harde hand van de meester eens gevoelen. Het is jammer, dat wij het geschakeerd woordgebruik van de Schrift zo vaak kwijt zijn. Daardoor wordt alles tot een koekoek éénzang. Daardoor nivelleert alles. En wij – met ons slimme verstand kruipen graag weg achter de lijdelijkheid. Het is met recht waar. Alle dingen staan op hun plaats. Er is aan de ene kant pure afhankelijkheid. Maar aan de andere kant is werkzaamheid geboden. Wij mogen niet scheiden, wat God samenvoegt.

A. v. Brummelen, Huizen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Onmacht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's