Uit de pers
Duizend jaar kerk in Rusland
In dit jaar wordt op grootscheepse wijze gevierd en herdacht dat de Kerk in Rusland 1000 jaar bestaat. De geschiedenis van de Russisch-Orthodoxe kerk is in tal van opzichten een indrukwekkend verhaal, een geschiedenis van lijden en strijd, van nederlagen en overwinningen. Een geschiedenis die voor ons protestanten vaak een onbekende bladzijde vormt. Met dr. J. v. d. Linden in het Centraal Weekblad van 10 juni kunnen we zeggen, dat de viering van het duizendjarig bestaan van de Russisch-Orthodoxe kerk in het Rusland van heden, waar Marx' en Lenin's leerstellingen het openbare leven bepalen, een zeer bijzondere uitdaging vormt. Ook van deze geschiedenis geldt dat het een geschiedenis van trouw en ontrouw is. Hoe is het allemaal begonnen? Ik citeer uit een artikelenreeks van drs. P. J. van Kampen (Opbouw van 20 mei):
'Hoewel zijn grootmoeder Olga al Christin was en in de stad Kiëv al enige invloed van het Christelijk geloof viel waar te nemen (er was al een kerk), markeert de bekering en doop van grootvorst Wladimir het begin van "het Christelijk geloof in Rusland".
Deze tot dan toe heidense vorst leefde een weelderig en uitbundig leven, voordat hij tot overgave aan Christus kwam. Daarna wordt, volgens de kronieken, zijn leven volkomen anders.
Die kronieken zijn overigens al heel oude geschriften, die voor een deel – zeker qua kern – stammen van een zekere monnik Nestor. De naam van die geschriften is, behalve de term "Nestorkroniek", de "Povyest Vremennikh Lyet", "Het verhaal van de Jaren Tijd".
Deze "Povyest", zoals ze wordt afgekort, bevat onschatbare informatie over die eerste eeuwen van Christelijk bewind in Rusland.
Het is interessant om wat in meer detail te beschrijven hoe vorst Wladimir tot zijn aanvaarden van Christus kwam. In het voetspoor van grootmoeder Olga wilde hij zijn volk tot een hoger zedelijk peil brengen en besloot daarom om zich te oriënteren op de diverse religies die voorhanden waren. "Hij had, zoals de Povyest ons meldt, de keus uit drie mogelijkheden: het Christelijk geloof, de Islam en het Joodse geloof. Het Christelijk geloof had in Kiëv al vertegenwoordigers. Het Joodse geloof werd waarschijnlijk uitgedragen door de Khazaren. (Een volk in het Zuiden van Rusland, dat tot het Jodendom was overgegaan, PJvK). Wat de Moslims aangaat, hun geloof verbreidde zich onder volkeren van Klein Azië en in andere streken die niet ver van Rusland verwijderd waren… Het schijnt dat de vorst van Kiëv in alle drie geïnteresseerd was; hij ging debatten aan met Moslim, Jood en Christen, waarbij hij een aanzienlijke dosis omzichtigheid aan de dag legde alsook blijk gaf van een openheid van denken en een verlangen dingen na te vorsen. Al spoedig kwam hij tot een besluit. De kroniek vermeldt openhartig dat Wladimir het geloof van de Moslims afwees, omdat hun godsdienst het drinken van wijn verbood, waarvan de vorst van Kiëv verklaarde dat het een onontbeerlijke drank was voor Rusland". Wat de Joden betreft, aarzelde Wladimir om een geloof aan te nemen van mensen die verstrooid waren en dus geen nationaal tehuis hadden.
Tenslotte ontving de vorst ook een gezant van de Kerk van Byzantium; deze was een "filosoof" die een volledig beeld gaf van de verlossingsleer, zoals die gegrond was in Christelijke leerstellingen, de Schrift en de overlevering… Niet lang na deze gesprekken besloot Wladimir om het Christelijk geloof aan te hangen. Hij aarzelde echter nog of hij de Oosterse of de Westerse vorm daarvan zou kiezen… De vorst van Kiëv, zo vertelt ons de Kroniek, stuurde gezantschappen naar steden waar de Romeinse of de Byzantijnse ritus werd gevolgd. De Romeinse rite maakte geen indruk op de ambassadeurs, maar de Byzantijnse kerken vervulden hen met ontzag en bewondering. In de woorden van de Kroniek, brachten ze bij Wladimir het volgende rapport uit: "We kwamen in het land der Grieken en werden gebracht naar de plaats waar zij hun God aanbidden, en we wisten niet of we in de hemel waren of nog op aarde".
Wladimirs doop, in het jaar 988, nu duizend jaar geleden, was van vèrstrekkende betekenis. Het was denkbaar geweest dat het zich ontwikkelende Russische rijk een voorpost was geworden van de overal oprukkende Islam. Ook was het mogelijk geweest dat Rusland binnen de invloedssfeer van Rome en haar Pausen was gekomen; dan zou de hele Europese kerkgeschiedenis vermoedelijk een totaal andere loop hebben genomen.'
Het is een zeer bewogen geschiedenis. We behoeven alleen maar te denken aan de zware slagen, die het christelijke Rusland te verwerken kreeg ten gevolge van de invasie van de Mongolen, het wrede regiem van tsaar Iwan de Verschrikkelijke (1533-1584), de regering van keizer Peter de Grote die in 1721 de kerk aan de staat ondergeschikt maakte, de trieste resultaten van de horigheid aan het tsaristische regiem voor de kerk, en de gevolgen van de revolutie van 1917 voor de kerk, vooral tijdens de stalinistische terreur.
De breuk van 1917 kwam de kerk te staan op veel vijandschap en vervolging. Maar, zoals dr. v. d. Linden schrijft, in die tijd bleek het liturgische leven van de Russische kerk, haar eredienst en spiritualiteit een bron van kracht en bemoediging. Het einde van de organisatie zoals dit onder het tsarenbewind was opgebouwd betekende niet het einde van haar leven. Het is Christus die zijn kerk, ook in Rusland door alle stromen heen in stand houdt.
Diakonale zorg
Wie aan de Russische kerk denkt denkt primair aan haar rijke eredienst, haar kerkmuziek en ikonen. Maar er is meer. In Omkeer schrijft de studie-secretaris van de Europa-commissie drs. Th. v. d. Voort over de diakonale zorg:
'De Orthodoxe Kerk kent weliswaar diakenen, maar zij hebben in de praktijk een liturgische en pastorale functie gekregen. Zoals echter uit het begin van dit artikel blijkt, kende de Russisch-Orthodoxe Kerk in het Kiëvse Rusland wel degelijk diakonale zorg. In het Moskovische Rusland, na de verdrijving van de Mongolen, werd dit werk evenmin verwaarloosd, al werd het peil van het Kiëvse Rusland niet meer geëvenaard.
Het volgende verhaal maakt iets duidelijk van het belang dat de Russisch-Orthodoxe Kerk zelf aan haar diakonale taak toekent. Het betreft een meningsverschil over het grondbezit van de kloosters, dat in de zestiende eeuw de gemoederen bezighield. Traditioneel zorgden vooral de kloosters voor de opvang van armen en behoeftigen. Een groep monniken, kluizenaars van gene zijde van de Wolga, benadrukte dat hun taak toch meer het gebed was. Monniken zouden zich dan ook niet met wereldse zaken moeten inlaten, geen land mogen bezitten en het geven van aalmoezen aan de leken moeten overlaten.
Een andere groep monniken was het hier in het geheel niet mee eens. Zij wilden juist wèl voor de armen en zieken zorgen, gastvrijheid verlenen en onderwijs geven. Daartoe moesten de kloosters natuurlijk wel over de nodige financiën kunnen beschikken, m.a.w. over land. "Het bezit van de kerk is het bezit van de armen", zo zou je hun opvatting kunnen samenvatten. In die tijd behoorde een derde deel van het land aan de kloosters toe. Na enkele tientallen jaren kreeg de laatstgenoemde groep de overhand.
De kloosters konden dus over hun landerijen blijven beschikken.
Diakonaat verboden
De reeds eerder genoemde, op macht beluste tsaar Iwan de Verschrikkelijke ontnam echter diezelfde eeuw nog de kloosters een deel van hun land om zo hun macht en invloed in te perken. Nog desastreuzer waren de maatregelen die in de achttiende eeuw door de keizerinnen Elizabeth (1741-1762) en Catharina II (1762-1796) werden genomen. Meer dan de helft van het aantal kloosters werd gesloten en veel land dat de kloosters toebehoorde, werd geconfisceerd. Hierdoor werd het diakonale werk van de kerk vrijwel onmogelijk gemaakt, met name in afgelegen streken. Toch verdween deze aktiviteit niet helemaal. Na de oktoberrevolutie raakte de kerk al haar bezittingen kwijt en werd de gemeenten elke vorm van diakonaal werk uitdrukkelijk verboden. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven.
Uiteraard wordt er hier en daar toch wat gedaan door priesters en enkele actieve gelovigen. Het oude Russische gezegde "Ruslands hoop ligt in de slechte toepassing van slechte wetten" heeft nog niets aan kracht ingeboet. Dit gebeurt echter niet officieel en het is bovendien strafbaar! Een laatste ontwikkeling die hierover te melden valt is dat onlangs door het patriarchaat bekend is gemaakt dat de kerk, ter gelegenheid van het jubileum dat dit jaar wordt gevierd, het Tólgaklooster bij Jároslav weer mag gaan gebruiken. Het zal een vrouwenklooster worden, waar tevens oude, hulpbehoevende geestelijken verzorgd en verpleegd zullen worden. Hiermee is dus een bescheiden nieuw begin van het diakonale werk officieel mogelijk gemaakt.'
De Russisch-Orthodoxe kerk en de Reformatorische kerken
In tegenstelling tot Rome doen de Orthodoxe kerken als lid van de Wereldraad volop mee in de oecumene. Zo onderhouding zij contacten met andere delen van de wereldkerk.
Hun bijdrage is volgens prof. dr. D. C. Mulder (Evang. Commentaar van 27 mei) vooral gelegen in het feit, dat zij de zaken van geloofsleer en kerkorde aan de orde stellen.
Over het verleden schrijft Mulder onder het opschrift 'Toenadering en afwijzing':
'De relatie is wel meteen aan de orde gesteld. In zijn publieke discussie met Johann Eck in Leipzig 1519 heeft Martin Luther zich uitvoerig beroepen op de Oosterse kerken. Zij erkennen het primaat van de, paus niet en zijn toch geen ketters. Eck antwoordt daarop dat Luther maar beter zwijgen kan over Grieken en Oriëntalen want die hebben het christelijk geloof verloren, omdat ze van de Roomse kerk zijn afgevallen. Luther zag dus in 1519 in de Oosterse kerken bondgenoten, maar Eck beschouwde ze als "niet slechts schismatieken maar als allerergste ketters".
Luther zag de Oosterse kerken in de lijn liggen van de Griekse kerkvaders, maar kreeg op de duur meer en meer kritiek op die kerkvaders en dus ook op de Oosterse orthodoxie. Luthers belangrijkste leerling Melanchton oordeelde positief over de Oosterse kerken. Zij hadden volgens hem met de reformatorische kerken de Heilige Schrift gemeen en de concilies van de eerste vijf eeuwen van de kerkgeschiedenis. Hij probeerde ook in contact te komen met de oecumenische patriarch in Constantinopel. Maar al sinds 1569 een Boheemse broeder van reformatorische signatuur tsaar Iwan IV ontmoet, noemt Iwan hem een ketter en de protestanten noemt hij zwijnen, waarvoor men geen paarlen werpen moet.
En zo gaat het lang heen en weer. Wanneer in de 17de eeuw de Zweden Oost-Karelië en Ingermanland veroveren en daar in aanraking komen met een Russisch-Orthodoxe bevolking, vragen een aantal Zweedse theologen zich af: "an Moscovitae christiani dicendi sint". Kun je de Moskovieten wel christenen noemen? Aan de andere zijde vond ik het gegeven dat vanaf 1639 iedere protestant die tot de orthodoxie overging een vervloeking over zijn eerdere geloof moest uitspreken.
Toch was er niet louter sprake van wederzijds wantrouwen en afwijzing. In de 18e eeuw was er contact tussen het Duitse piëtisme en de R.O.K. De publicatie van de piëtist Johann Arndt, Vier Bücher vom wahren Christentum werd in het Russisch vertaald en daar veel gelezen. Tsaar Peter de Grote had contact met Leibnitz en de laatste streefde naar een herstelde eenheid van de kerken van het Westen en het Oosten. Tsaar Alexander I stond onder invloed van de piëtist Jung-Stilling. Zijn idee van een heilige Alliantie hield in dat het orthodoxe Rusland, het katholieke Oostenrijk en het protestantse Pruisen, drie christelijke staten, zich zouden verenigen tot herstel van een christelijke cultuur van het avondland.
Maar later in de 19de eeuw wordt het weer moeilijk tussen de Oosters-Orthodoxen en de protestanten. Een factor in de onderlinge spanning vormde de missionaire aktiviteit van protestanten onder Oosters-Orthodoxen. Van orthodoxe zijde werd deze beschouwd als een scherp af te wijzen proselytisme. In het begin van onze eeuw schreef de gezaghebbende dogmahistoricus Adolf von Harnack bijzonder negatief over de Oosters-Orthodoxe kerken: "Diese Kirche ist als Gesamterscheinüng nach aussen lediglich eine Fortsetzung der griechischen Religionsgeschichte unter fremden Einfluss des Christentums". Dat komt er dus op neer dat de oude Griekse religie zich heeft voortgezet in de orthodoxe kerken met alleen een laagje christendom er over heen. Anderzijds ontkende de Russische aartsbisschop Ilarion het bestaan van christendom buiten de orthodoxe kerk en zag geen mogelijkheid van heil bij de gescheiden kerken.'
Sedert de twintiger jaren zijn de verhoudingen verbeterd, mede onder invloed van de veranderingen sedert 1917, toen de Kerk in Rusland van een door de staat beschermde kerk een lijdende en vervolgde kerk werd.
De huidige situatie
Dat brengt ons bij de huidige situatie. Van der Voort wijst er in zijn artikel op dat de politiek van Gorbatsjov wel als gevolg gehad heeft dat een aantal Russisch-Orthodoxen die om hun geloof gevangen zaten zijn vrijgelaten, maar dat er geen sprake is van rehabilitatie. Er is bij de gelovigen een grote geestelijke nood en een diepe behoefte. Er wordt aangedrongen op herziening van de wetten. Maar de concrete resultaten zijn mager. In Kerknieuws van 27 mei schrijft B. M. W. v. d. Heiden:
'Christenen in de Sovjet Unie zien zich dagelijks voor een dilemma geplaatst: enerzijds is men zich bewust van de zware taak die rust op de kerkleiders, anderzijds kan men aanvaarding van het schenden der mensenrechten niet toestaan. De perestrojka heeft nog geen structurele veranderingen voor de kerk opgeleverd, wel is er enige glasnost te bespeuren. Bijvoorbeeld in de vorm van een interview met een bisschop, waarin hij om toepassing van perestrojka vraagt inzake de kerkelijke situatie. Echter in verband met het dit jaar te vieren millenium verschijnt er sinds 1982 regelmatig anti-orthodoxe literatuur als tegenwicht voor de groeiende belangstelling bij het Russische volk voor eigen kerk en kerkgeschiedenis. Met deze anti-literatuur moet bewezen worden dat de kerk, er eigenlijk niet behoort te zijn. Termen die vaak voorkomen zijn: falsiflkatsii, izvrasjtsjenija (=verdraaiingen) en mifi (=mythen). In feite strijdt men tegen de onoverwinnelijkheid van het geloof, tegen de "bogoiskatelstvo" (=godszoeking).
De Orthodoxe Kerk zelfheeft over haar millenium weinig kunnen publiceren. Slechts het voor intern gebruik en buitenlandse abonnees bestemde Zjoemal Moskovskoj Patriarchii stond tot haar beschikking.'
De kerkleiding
Helaas is de houding van de kerkleiding in vele opzichten teleurstellend, aldus Van der Voort. Hij schrijft:
'Maar de kerkleiding dan? Hoe reageert die op dit alles? Men kan helaas moeilijk iets anders zeggen dan dat de houding van de patriarch en de leden van de Heilige Synode van de Russisch-Orthodoxe Kerk in het algemeen zonder meer teleurstellend is. Niet alleen schrikken ze er voor terug de bovengenoemde uitlatingen van Gorbatsjóv en Chártsjev te bevestigen, om van een voort-borduren daarop maar te zwijgen, maar ze blijven zelfs volhouden dat de kerk-staat verhoudingen in de USSR uitstekend zijn en de kerk eigenlijk geen problemen kent. De opmerkingen die zij daardoor aan kritische gelovigen ontlokken zijn dan ook – en niet ten onrechte – niet mis te verstaan.
Zo haalden patriarch Pimen en de overige leden van de Heilige Synode zich veel ongenoegen op de hals toen in het herderlijk schrijven dat zij ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de "Grote Socialistische Oktober-revolutie" lieten uitgaan, niet alleen werd gezwegen over de vele gelovigen die zeker de eerste decennia als martelaar waren gestorven en over de tegenwerking die de kerk van de staat ondervindt, maar bovendien, in strijd met de feiten, wèl breed werd uitgemeten hoe vrij de kerk sindsdien wel is geworden.
Voor de nabije toekomst moeten en kunnen we echter hoopvol blijven, mits uiteraard "glásnost" en "perestrójka" in de mode blijven. De roep om hervormingen en de gestage stroom kritiek kunnen niet zonder resultaat blijven. Ook de kerkleiding zal dat moeten gaan inzien. Het gerucht dat Gorbatsjóv een Russische bisschop om kerkelijke steun zou hebben gevraagd voor zijn plan het morele peil van de Sovjet-bevolking op te vijzelen is een tweede lichtpuntje. De kerk kan dat namelijk alleen als ze die vrijheid herkrijgt waar zovelen al lange tijd om vragen. Pas dan kunnen de krachtige bronnen, waar de Russisch-Orthodoxe Kerk al duizend jaar uit put, effectiever worden aangeboord en zal zij die, dankzij de band die zij op alle niveaus met het volk onderhoudt, tot heil van de natie kunnen laten zijn.'
We dienen in het vrije Westen uiteraard zeer bescheiden en terughoudend te zijn in ons oordeel. Wie zal het wagen een beschuldigende vinger uit te steken naar een kerk die onder zulke moeilijke omstandigheden moet werken. Anderzijds dient de viering van 1000 jaar Christendom in Rusland er niet toe te leiden dat we de donkere schaduwen niet meer zouden zien.
Wij mogen ons bij de viering van dit gebeuren verheugen over de trouw van God die ook in Rusland de eeuwen door Zijn gemeente bewaard heeft. Moge de Russische Kerk in de omstandigheden waarin zij verkeert, puttend uit de bronnen van het christelijk geloof, voor velen een teken van hoop zijn, en zo zout en licht in de Russische samenleving.
A. Noordegraaf, Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's