De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onmacht (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onmacht (2)

8 minuten leestijd

Schrift
De profeet Jeremia zegt ergens in het dertiende hoofdstuk van zijn profetieën een klemmend woord. Zal ook een moorman zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen? Wie de zonde doet, is een slaaf van de zonde, komt niet meer van de zonde los. Juda is zo gewend aan het maar zondigen, dat het er onmogelijk mee kan ophouden. Evenmin als een Ethiopiër zijn bronskleurige huid kan verwisselen met een van een andere kleur, en een panter zijn strepen kan kwijtraken, evenmin kan het maar steeds zondigende Juda, dat zich verhard heeft in het kwade, gaan goed doen. Het volk is zo volledig met de zonde samengegroeid, dat er geen loskomen meer aan is en dus het oordeel wel moet komen. Hier bepaalt de Schrift ons duidelijk bij de naaste oorzaken van ons geestelijk onvermogen. Zij zijn gelegen in het toegeven aan bijzondere zonden. Hier is de onmacht vrucht van een gestadig zondigen, dat ons alle vermogen ontneemt, om de neiging er toe weerstand te bieden.

Verontschuldiging
Er zijn nogal eens mensen, die zich op die manier op hun onmacht beroepen. Zij vangen zichzelf. Want juist hun onmacht is de grond voor hun beschuldiging. Het spreekt geheel vanzelf dat zij zich verontschuldigen. Het laat zich verwachten vooral van hen, die in kringen leven, waar wel op het onvermogen van de mens de nadruk wordt gelegd, maar niet op de plicht en de verantwoordelijkheid van de mens. Wanneer wij nu horen, dat deze mensen zich op hun onmacht beroepen, voorzover die uit Adam voortkomt, dan behoeven wij niet tegen te spreken. Neen, dan moeten wij aanvallen aan een kant waartegen zij zich niet kunnen dekken, door hen er op te wijzen, dat zij zich door zich vrijwillig in de slavernij der zonde te begeven, zelfs tot een bekering op de manier van Ninevé, onmachtig hebben gemaakt. In deze weg moet men proberen het besef van schuld bij hen op te wekken en het tot erkenning te brengen dat God hen geen onrecht doet, wanneer Hij hen in de slavernij der zonde laat. Ook is het goed naar voren te brengen wat het betekent natuurlijk onmachtig ten goede te zijn. Het is als op veler mond bestorven: ik kan mij niet bekeren. Maar wie gevoelt wat het inhoudt, schaamt zich zo te moeten spreken. Zo één beseft dat er moed toe nodig is om zijn onmacht voor God te belijden en dat alleen het geloof in zijn alles te boven gaande genade er moed toe geven kan. Want wat denkt u? Is het een kleine zaak om tot God te moeten zeggen: o God, ik kan de wereld liefhebben, en mijzelf liefhebben, maar U niet. U kan ik alleen maar haten, U alleen maar ongehoorzaam zijn. U enkel wantrouwen. Het is zelfs mijn natuur geworden zo tegenover U gezind te zijn.

Schuldbesef
Het ontbreekt in al deze uitvluchten voor Gods aanspraak aan een waarachtig diep schuldbesef. Daarmee hebben wij te maken met een vervaging van het begrip zonde. Het zondebesef is profaan geworden en verschoven naar het gebied van de moraal. Zonde wordt over het algemeen alleen als een indruisen tegen ongeschreven wetten begrepen. Het is òf een overtreden tegen een wet van de moraal òf een ingaan tegen wat gebruikelijk is of passend. Zelfs denkt men aan een vergrijp tegen de natuur. De versimpeling van het zondebegrip gaat zover, dat men de zonde zelfs ironisch gaat verstaan. Het wordt een uitbarsting van brutaliteit of vitaliteit. Ja, men speurt zo iets als zonde in genot van alcohol of tabak. Dat heeft ten gevolge dat wij een ernstig bewustzijn van zonde op het terrein van het huidige leven maar hoogst zeldzaam kunnen veronderstellen. De vraag naar de genadige God raakt de meeste mensen niet meer. Dat betekent niet, dat de zonde aan macht heeft verloren. Allerminst – de zonde heeft veel meer macht verkregen, maar ze is des te satanischer en gevaarlijker, hoe minder haar betrekking tot de levende God wordt waargenomen. Er is een verwisseling binnengeslopen van zonde en algemene zondigheid. Wij zijn allemaal zondaren, hoort men zeggen. Maar dat klinkt zo onproblematisch. Zo goedkoop, dat men evengoed zou kunnen zeggen: wij moeten allemaal lucht inademen. Men kan zulke woorden dagelijks opdreunen. Maar het goedkope van zulke ideeën verhindert het, dat het tot konkrete erkentenis van particuliere zonden komt. Veel erger, iedere erkentenis van individuele zonden wordt tot een kleinigheid verklaard van het punt van de algemene zondigheid uit. Wij zijn toch zondaren! Hier zoekt men al een verontschuldiging in. Daarom verschrikt men niet meer voor de zonde. Op deze manier wordt de belijdenis van de apostel Paulus, dat hij de voornaamste der zondaren is tot een frase en een dwaasheid voor ons oog. Neen, zonde is feitelijk de ontdekking dat men zeer persoonlijk God ongehoorzaam is geweest, zijn genade heeft verspeeld en zijn toorn heeft opgroepen. Erkentenis van zonde laat zich niet eenvoudig afdoen met een constatering van een algemene waarheid, maar is een persoonlijke belijdenis van een volledig falen. Men heeft met volledige verwerping te rekenen. Het is een zware dwaling onder ons dat zonde zo gebagatelliseerd is geworden. Daardoor is bekering ook zo zeldzaam geworden.

Waan
Wij zouden hierover nog veel breder kunnen uitweiden. Dat doen wij hier niet. Wij hebben slechts aangeduid dat de verontschuldiging tegenover de oproep der bekering moet worden gezocht in de bleekheid van het zondebesef. Daartoe moet men aandringen, telkens weer. In vele gevallen ontloopt men de opwekking tot bekering met een dwaze uitvlucht. Maar het kan zich ook voordoen, dat het zeer nuttig is om de persoon, die men tot bekering opwekt, op zijn natuuriijke onmacht tot bekering te wijzen. Het moet daar gebeuren, waar de mens beheerst wordt door de waan, dat de bekering in zijn eigen macht staat. Die waan werkt zeer schadelijk, want hij leidt ons er toe om onze bekering tot gelegenertijd uit te stellen. Die waan moeten wij verstoren. Dan immers vervalt alle reden om de bekering uit te stellen. Wat moeten wij zo'n mens dan zeggen? U beschikt over de toekomst, maar u weet niet eens of u morgen nog zult leven. Maar al wist u nu, dat u oud zoudt worden, dan was u nog dwaas om uw bekering uit te stellen. Wij hebben tot de bekering de Geest nodig. Daardoor geeft God ons beide het willen en het werken en het volbrengen.

Onderscheiding
Hebben wij dan de macht om de Heilige Geest te gebieden in ons te werken? Hij is als de wind, die blaast waarheen Hij wil, en niet waarheen wij willen. Een Schots theoloog zegt op dit punt terecht: 'Kunnen wij de Geest niet te werk stellen, als wij willen, laten wij Hem dan laten werken, als Hij wil. Spannen wij het zeil terwijl er wind is, want wij weten niet of er morgen wind zal zijn'. Wie anders handelt heeft reden om te vrezen, dat God zich van hem terugtrekken zal, zodat hij, gevoelloos geworden, alle lust tot bekering verliest, of tot ongeloof vervallen, met de bekering lachen gaat. De voorhuid van ons hart kan zo dik worden, dat de sterkste prikkels er niet meer kunnen doordringen. Wij weten het, de uitvluchten tot bekering worden naar voren gebracht in kringen waar men zich vlot op de onmacht beroept. Maar laat ons niet menen, dat het elders anders is. Waar een overschatting heerst van onze wilskracht, waar een pedante eigenwijsheid heerst, vindt men niet minder weerzin tegen bekering. De diepe achtergrond is dáár, dat men nog voldoende vertrouwen heeft in de natuurlijke wil tot het goede. Het zou wel eens kunnen zijn dat de strijd op dit front heviger is dan ergens elders. Men laat daar voorbijgaan het zicht op de hoogmoed en het leven uit eigen kracht. Deze zonde vindt men doorgaans in een samenleving die verkerkelijkt is. Alles gaat daar in de geijkte banen. Men leeft keurig en net, als op een plaatje gezet. Het hart is daar niet gebroken. Men zoekt zich te rechtvaardigen in allerlei uiterlijke kenmerken. Men wil het goede voor de kerk. Maar te weinig heeft men daar in geleefd de persoonlijke schuld. Geheel het kerkelijke leven immers draagt altijd de verzoeking in zich, dat het middel voor het wezen wordt aangezien. Zo komt er eelt op het hart te liggen. Zonde wordt daar een modebegrip, dat er nu eenmaal bij hoort. Wij zouden dan willen onderscheiden tussen 'natte' zondaren, die in oprechtheid voor God treuren om hun zonde, en 'droge' zondaren, die de zonde nu eenmaal ingecalculeerd hebben in hun bestaan, zonder dat het echt steekt.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Onmacht (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's